Het Nijlschip "Tessarakonth",
in Engelstalig gebied bekend als "Tessaracontores".

Volgens de Griekse senator/schrijver Callixenus van Rodos liet koning Ptolemaeus Philopator rond 220 v.Chr. een Nijlschip bouwen dat door 4000 roeiers werd voortbewogen. Zijn beschrijving is helaas verloren gegaan en steeds meer wordt aangenomen dat Callixenus een fantast was (an obscure Rhodian scribe named Callixenus), of dat het verhaal in de loop der tijd nogal aangedikt is. In ieder geval is men het er over eens dat zo'n schip nooit gevaren kan hebben.

De verwarring begint al bij de afmeting, maar daar kan Callixenus niets aan doen. De maten worden namelijk gegeven in cubits, latijn voor "elleboog", een maat die in het oude Sumer (delta van Eufraat en Tigris), Egypte, Griekenland en Israel gebruikelijk was en waarmee de afstand tussen elleboog en topje van de middelvinger werd bedoeld. Historici hebben uitgemaakt dat deze elleboogmaat plaatsgebonden varieerde van 37 tot 64 cm. In bijbelvertalingen wordt de cubit terecht als "el" aangeduid, maar omdat onze el tot ±1820 ook wel een maat van 68,8 cm aangaf, werd de Ark van Noach door onze voorouders mogelijk beduidend groter gezien dan in Genesis 6:15 werd bedoeld. "En aldus is het, dat gij haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte der ark, vijftig ellen hare bereedte en dertig ellen hare hoogte". Cornelis van Yk gaat bij de beschrijving van Noags Arke uit van de lengte van de cubitus communis (gemeene elle = anderhalve voet van 30,4 cm).

Enfin, koning Ptolemaeus Philopator liet een schip bouwen, dat 280 cubits lang was en 45 cubits breed. De hoogte vóór was 48 cubits, de hoogte achter 53 cubits, bij een diepgang van 4 cubits. Dit drijvende monster had vier roeren van 30 cubits lengte en de langste (bovenste) riemen waarmede het schip werd voortbewogen waren 38 cubits. Deze riemen waren aan de handeinden van zware stukken lood voorzien, teneinde nog enigszins door de roeiers bediend te kunnen worden. De bemanning bestond uit vier duizend roeiers verdeeld over 40 rijen van 100 en twee duizend achthonderdtwintig soldaten. De roeiers zaten niet recht boven elkaar, maar elke volgende iets hoger of lager. Sommigen denken dat het schip twee rompen had, een grote catamaran dus. Het komt er op neer dat het, al naar gelang de interpretatie van de cubit, tussen 103 en 180 meter lang was bij een breedte van 16 tot 28 meter. De andere maten zijn navenant. De langste riemen 14 tot 24 meter? En daarop in totaal 6820 mensen? Het lijkt nogal ongeloofwaardig.


Dezelfde koning liet nog een schip bouwen, hetwelk Thalamegos of "slaapvertrek" genoemd werd. Dit vaartuig was minder groot dan zijn voorganger, maar overtrof het verre in pracht en rijkdom. Auteur Piet Marée gaf in zijn "Schepen uit de oudheid" de volgende beschrijving:

De Thalamegos was 200 cubits lang bij een breedte van 30 cubits, maar de hoogte met inbegrip van het dekpaleis bedroeg 60 cubits. Dit schip was in ieder geval plat gebodemd. Het geheel had een vorstelijk aanzien en was dan ook in alle delen even prachtig en kostbaar. De voor- en achterstevens waren zeer hoog, teneinde, zoals men toen beweerde, beter tegen de stroom weerstand te kunnen bieden. In het midden van het vaartuig bevonden zich de eetzalen en andere vertrekken, die allen zeer kostbaar waren ingericht. Langs de zijden en van achteren liep een dubbele galerij. In de eerste galerij kwam men door een portaal van ivoor en kostbaar hout, dat zich bij de achtersteven bevond. In de grote zaal, die rondom met pilaren was voorzien, bevonden zich purperen rustbedden. Dit vertrek was betimmerd met cederhout en de twintig deuren, door welke men kon binnen treden waren van het kostbaarste hout en met ivoor en zuiver goud ingelegd. De ringen, nagels en bouten waren van gepolijst koper, waardoor dit alles als goud schitterde. De kolommen van cederhout waren van de prachtigste versierselen voorzien en ingelegd met goud en ivoor.
Bij de grote zaal bevond zich een kamer met zeven rustbedden en een weinig verder het verblijf der vrouwen, dat eveneens bestond uit een eetkamer met negen rustbedden even prachtig als die in de grote zaal. Uit deze verblijven klom men langs een fraaien wenteltrap naar een ruim vertrek met vijf rustbedden en een aan Venus gewijden tempel, waar een groot marmeren standbeeld van deze godin geplaatst was.
Tegenover dit verblijf bevond zich de feestzaal, die rondom geschraagd werd door zuilen van de kostbaarste marmersoorten.
Dit alles werd nog overtroffen door de Bachuszaal, waarvan de rijkdom inderdaad alle beschrijvingen te boven gaat. Aan de rechterzijde van deze ruimte bevonden zich enige - als natuurlijke - grotten, waarin de standbeelden van het geheele koninklijke gezin, uit marmer, geplaatst waren.
Boven de grote zaal, op het dek, was een prachtig paviljoen in de vorm van een tent. Aan dit paviljoen bevonden zich de purperen zeilen, waarvan men bij het opvaren van de Nijl gebruik maakte. Verder bevatte dit schip nog een bijna ontelbaar aantal kleinere vertrekken, die allen even prachtig en gemakkelijk waren ingericht. Niet alleen de zeilen, maar ook het touwwerk aan de masten was purper gekleurd, de groote mast had een hoogte van 80 cubits. Zoals men ziet was de Thalamegos inderdaad een schip, het land der pyramiden ten volle waardig.