|
| Dagmerk | Zie tekens. |
| Dalvaart | Een schip dat op stromend water met de stroom mee vaart doet aan dalvaart en dient bij een versmalling voorrang te krijgen op een schip dat tegenstroom vaart (bergvaart). Dus ook een groot schip in bergvaart moet wijken voor een klein schip in dalvaart, behalve in het RPR gebied waar altijd klein voor groot moet wijken. De benaming komt uit de Rijnvaart; stroomopwaarts naar de bergen, stroomafwaarts naar het dal. Verwant: bergvaart en vaarregels. |
| Dam, Pieter van | Pieter van Dam (1621-1706) is de auteur van Beschryvinge van de Oostindische Compagnie. Hij was advocaat van de VOC en kreeg in 1693 van de Heren Zeventien de opdracht een handleiding en naslagwerk samen te stellen van de VOC vanaf het ontstaan tot dan toe. Van Dam is er in geslaagd een geschiedwerk te schrijven waarin het reilen en zeilen van de VOC uitgebreid wordt geschetst, gestaafd met vele bronverwijzingen. Op deze site is er gebruik van gemaakt. Zie ook het VOC-glossarium. |
| Damlooper |
Damketting![]() |
Ook wel mannetjesketting.
Het is een ketting met ovale schalmen, die in het midden van een dwarsverstijving zijn
voorzien. Dit soort ketting wordt door zijn grotere gewicht bij voorkeur als anker- of
ankervoorloopketting gebruikt. Een bijkomend voordeel is dat een damketting minder snel kinkt dan een gewone ketting. Voordat men kon lassen werden
kettingen gesmeed. Het ineensmeden van de bijna vloeibaar warmgestookte schakels, schalm
voor schalm, was zeer arbeidsintensief. Dit vuurlassen was al aan het eind van de
bronstijd bekend. De oudste ijzeren ketting die gevonden is stamt uit Irak en is zo'n 1000
jaar v Chr gemaakt. Toch is ankerketting in de loop der tijd door zijn grote gewicht in
onbruik geraakt. Men hanteerde liever henneptouw, dat tot zeer lange ankerlijnen
aaneengeknoopt werd. Pas in de 19e eeuw dwongen de de steeds groter wordende schepen tot
hernieuwd gebruik van ankerketting en met de uitvinding van het elektrisch booglassen was
de vervaardiging vanaf de 20e eeuw geen probleem meer. Verwant: ankeren,
kaapstander, kettinglengte,
nestenschijf, tuigketting.
|
| Damwand | Een oeverbescherming (beschoeiing of revetering), meestal afgewerkt met een deksloof (afdekbalk), die niet door iedere watersporter gewaardeerd wordt. Door de steeds weerkaatsende golven kan het bevaren van aldus beschermde kanalen een vervelende bezigheid worden. Stalen damwanden worden tegenwoordig bovendien - met name in moderne marina's - steeds meer voorzien van een elektrische (kathodische) bescherming tegen corrosie. Als je stalen schip een vaste ligplaats heeft bij zo'n damwand zal onherroepelijk aan de walzijde rond de waterlijn putvorming ontstaan door zwerfstromen. Het schip wordt gezien als een vreemd element en zal langzaam wegvreten, een effect dat op zout water nog wordt verergerd. In Professional Boatbuilder stond een foto van een aluminium hekdrive aan een polyester boot zonder anode's, welke er na een jaar "zoute marina", door zwerfstromen zo uit zag. |
Davit![]() |
Gebogen draagstang(en) met hijsinstallatie aan boord van schepen gebruikt voor het vieren of hijsen van sloep of volgboot. Voor het snel uitzetten van reddingssloepen bestaan verschillende constructies, die het mogelijk maken ze onder moeilijke omstandigheden met weinig inspanning veilig te water te brengen. Aan de achterzijde van het schip heet het "hekdavit", met daarin gehangen de "hekboot". De balk waartegen de sloep wordt vastgesjord heet "bargoen", of gewoon sjorbalk. Bij schepen in de VOC tijd werd de sloep gestreken met behulp van de ra's. De naam "davit" werd ook wel gebruikt voor de gebogen lantaarnstandaard op de voorsteven. De oorsprong ligt waarschijnijk in het Hebreeuws waar gereedschappen en werktuigen wel vaker Bijbelse persoonsnamen kregen. De benaming davit, david, daviet, davier heeft kennelijk te maken met "gebogen", want de tandartshaak heet in het Frans nog steeds davit [literatuur: VL]. Verwant: barkas, jol en sloep. |
| Deinzen | Deinzen is achteruitgaan, meer in het bijzonder het achteruitgaan van een schip. Dit kan het achteruit dobberen door de wind, of het langzaam achteruitvaren op eigen kracht zijn. Ons hedendaagse terugdeinzen is dus een pleonasme. In Oudnederlands heette achteruitgaan overigens deizen en met deinzen bedoelde men het neerstorten van de golven in de branding [Witsen]. |
| Dek |
De laag of vloer, die de
holte van een schip of een gedeelte daarvan afsluit en tevens een belangrijk deel van het
langsverband vormt. Je loopt of staat aan dek, maar je ligt op het dek
('t is maar dat je het weet). De oude benaming voor een dekplank was sloef. Het
dek zelf werd wel verdek genoemd, maar dat is volgens Pieter van Dam's
"Beschryvinge van de Oostindische Compagnie" onjuist. "Het is de naam
die sommige romanschrijvers en schoolmeesters, maar nimmer een zeeman aan het dek
geven". Mannen van theorie en praktijk uit de 17e eeuw als Witsen
en Winschooten gebruiken het echter herhaaldelijk.
Winschooten spreekt zelfs van half-verdek. Egbert
Buys schrijft in 1775 dat het woord dikwijls voor de ruimte of de verdieping zelf
genomen wordt. De Maritieme Encyclopedie [1973] omschrijft verdek als "Een 17e en
18e eeuwse benaming voor het opperdek, het bovenste van voor naar achter doorlopende dek,
ook wel bovenste overloop genoemd". Op het plaatje de dekbenamingen van een Linieschip zoals ze heden ten dage op zeeschepen nog in gebruik zijn. |
| Dekschuit |
| Delf | Oude benaming voor een vaart of gracht. |
| Demperplaat |
Tussen motor en keerkoppeling bevindt zich een demperplaat. Deze speciale plaat met veren of kunststof nokken is gemonteerd aan het vliegwiel en dient om torsietrillingen van de motor (vooral bij lage toerentallen) te dempen en de klap van het inschakelen van de keerkoppeling enigszins op te vangen. Als op lage toerentallen een ratelend geluid (dat er eerst niet was) ogenschijnlijk uit het koppelingshuis komt, wijst dit meestal op een versleten demperplaat en niet op een defecte keerkoppeling. Loszittende of gebroken veren veroorzaken het geluid. Volgens Ger Bex is het voor een geoefend oor vast te stellen of het een defecte demperplaat betreft of het "tandhameren" van een versleten keerkoppeling. Naarmate de koppeling warmer wordt zal het geluid veranderen. Bij een defecte demperplaat niet! |
| Demsel | Benaming voor al het materiaal dat voor afdichting van lekkage gebruikt kan worden, houten proppen, breeuwtouw, kit e.d. |
| Denneboom | Langsscheepse luikranden (luikhoofden) van een vrachtschip voor de binnenvaart heten denneboom. De gehele constructie van liggers (leggers) en luiken wordt wel kortweg den genoemd. Zie presenning. |
| Denning |
Vlonder op de bodem [buikdenning] van het schip, waarover gelopen kan worden. Ook wel kattespoor en vroeger kielzwyn genoemd (nr. 3 op het plaatje). |
| Deurkas | De uitsparing of nis waar, bij geopende sluis, de sluisdeuren in verdwijnen. Verwant: taats. |
| Deutelen | Deutelen of teutelen. Het keggen van spantnagels. Zie afteutelen. |
| Dichtzet |
De
"dichtzet" is een manier van palingvissen, waar je als schipper mee te maken kan
krijgen. Op sommige plaatsen (Friesland en Overijssel) wordt vanaf eind juli tot eind september, met het oog op de palingtrek een watergang in zijn geheel afgesloten. Over het algemeen zijn dit smallere en ondiepe wateren, die niet of weinig bevaren worden. Als er wel sprake is van scheepvaart kan het net alleen 's nachts gespannen zijn. Dat is ook niet zo'n probleem, want juist dan trekt de paling. Een dichtzet wordt door waarschuwingsborden aangegeven en de schipper kan door te blazen de visserman waarschuwen. Die kan met behulp van een lier het net laten zakken en weer optrekken. |
| Diepgang | De Maritieme
Encyclopedie omschrijft het als de verticale afstand van de waterlijn
tot de onderkant van de kiel. Vrachtschepen (zeeschepen) hebben op of nabij voor- en achtersteven en zowel aan stuurboord als aan bakboord een maatverdeling aangebracht, waarvan de diepgang kan worden afgelezen. De diepgangsmerken. De cijfers worden zo geplaatst dat de onderkant de diepgang aangeeft. Als maat gebruikte men op Nederlandse schepen meestal aan de ene zijde de decimeter en aan de andere zijde de Engelse voet in Romeinse of Arabische cijfers. De maatverdeling in voeten was in halve voeten en de metrieke verdeling in decimeters, waarbij alleen de even nummers zijn aangebracht. Romeinse cijfers zijn in onbruik geraakt omdat ze bij grote diepgang te veel plaats innemen.
|
| Dieselbacterie | De dieselbacterie is
een vervelend organisme dat in dieseltanks kan voorkomen. Een bekende oorzaak en
voedingsbodem is water in dieselolie. De afvalstoffen c.q.
uitwerpselen van de bacterie zorgen voor een slijmerige smurrie die leidingen en filters
kan verstoppen. Het is dus zaak om de tank vrij van (condens) water te houden. De kans dat
dit gebeurt is het grootst bij een tank die contact maakt met de stalen romp. Zeker niet
overwinteren met een niet afgevulde tank. Ook een brandstofaanzuigpijpje dat goedbedoeld
niet tot de bodem reikt kan mede oorzaak zijn. De gedachte daarachter is dat vuil en water
onderin de tank blijven en zo niet bij de motor kunnen komen. Dat is waar, maar de
dieselbacterie vindt het heerlijk. Je loopt de kans dat bij zware golfslag dit residu van
vuil en water in één keer vermengd wordt met de schone brandstof en juist op dat
ongelukkige moment voor motorstoring kan zorgen. Hetzelfde kan gebeuren bij direct
wegvaren na het tanken. Ook dan is de brandstof lekker doorelkaar gehusseld. Een betere
constructie is een aanzuigpunt in de bodem gecombineerd met een professioneel
brandstoffilter/waterafscheider van b.v. Separ. Alle beetjes water en vuil worden direct uit de tank afgevoerd
en in het filter afgevangen. Het water kan daar gemakkelijk worden afgetapt en bij
regelmatige vervanging van het filterelement is er geen enkel probleem. Verder kan ook nog
gedacht worden aan het product Grotamar 71, een toevoeging die bacteriën bestrijdt of voorkomt en de
smurrie oplost.
|
| Dieseltechniek | Zie de aparte pagina dieseltechniek als wegwijzer bij het opsporen van motorstoringen. Mogelijke oorzaken zijn in tabelvorm opgenomen. Een omschrijving van de storing met daarnaast de hoofdoorzaak. De hoofdoorzaak weer uitgesplitst naar nadere omschrijvingen. Kijk voor handleidingen/werkplaatsboeken van populaire scheepsmotoren op de motorensite van Piet Bos. |
| Dik en dun water | In schippersjargon worden de termen dik- en dun water gebruikt. Na een periode van blak (windstil) weer is het water van weinig bevaren vaarwegen en groot water "dun" of "zwart". Het water is tot rust gekomen en bevat weinig slibdeeltjes. Bij beginnend stormachtig weer zullen de golven hoger en onberekenbaarder zijn dan na langere tijd. Als de storm een tijdje doorstaat zijn zoveel slibdeeltjes van de bodem opgenomen dat het water "dik" of "wit" wordt. In feite wordt de viscositeit verhoogd en de hoogte van de golven zal bij gelijke windkracht afnemen. Een afgeleid gezegde heeft echter weinig met rust te maken. Wanneer een schipper veel vaart en lange dagen maakt, direct na het lossen weer gaat laden en zo maar door gaat, dan "vaart hij het water dun". Verder is het aardig om te weten dat op rivieren "zijkschuim" niet vlokkig schuim is dat op het water drijft wanneer de vloed opkomt en "kopschuim" wel vlokkig schuim dat bij vallend water ontstaat. En dan is er ook nog "moffestront", het schuim dat door de golfslag aan de rivieroevers ontstaat. Zeevaarders kennen "mager water" dat ondiep water betekent, "smal water" voor zware golfslag en "groen water" voor gevaarlijk massief overkomend water. [Me], [TrN] |
| Dinghy | Het opblaasbare reddingvlot aan boord van zeeschepen. De naam komt van de Indiase dinghi of dengi. Dat waren kleine roei- en zeilvaartuigen voor het vervoer van personen en marktwaren in de beschutte wateren van Bengalen. Als er weinig of geen wind stond werden ze net als de Venetiaanse gondel met een stuurboord riemslag voortbewogen. Onder zeil diende deze riem als zijroer. |
| Diode |
Een diode is een halfgeleider, die de stroom maar in één richting doorlaat. Aan boord worden diodes gebruikt in een scheidingsdiode (diodebrug) voor het laden van meerdere accu's of accugroepen. Een gewone blokkeringdiode kost niet veel en kan uitstekend benut worden om apparaten waar plus en min niet verwisseld mogen worden te beveiligen. Afhankelijk van het verbruik van het apparaat waarbij de diode wordt toegepast, bepaal je het type. Heel gangbaar is de 1N400x reeks, die geleidt 1 ampère en is bestand tegen een maximale sperspanning van x00 Volt, dus 1N4001 kan in de sperrichting pieken van 100 Volt weerstaan en is voor het boordnet van 12 of 24 volt voldoende. Voor zaken als autoradio's, Tv toestellen en zendapparatuur is 1 ampère zelden genoeg, je kunt dan denken aan de 1N540x reeks (3 ampère) of zwaardere jongens. Zorg in ieder geval dat de diode meer kan hebben dan de zekering. De diode ziet er uit als een weerstandje met aan één kant een ring. Monteer de diode in de plusleiding van je toestel met de ring naar de verbruikerskant. Aan die kant komt de stroom "er uit". Je kunt nu gewone stopcontacten gebruiken. Zit de stekker verkeerd dan vloeit er geen stroom. Uitgebreidere uitleg op wikipedia. |
| Dirk |
Of kraanlijn, de lijn waarmee de giek van een zeilschip wordt opgehouden wanneer er niet gezeild wordt. |
| Dobbe | Een kom, plas of uitgegraven water. |
| Dode hoek | Een ongeladen
vrachtschip ligt hoog op het water en de schipper kan vanuit zijn stuurhuis een heel stuk
water voor de boeg niet overzien. De beruchte dode hoek. Bij onderzoek naar een ongeval in
Zeeland in 1999 bleek dat midden voor het vrachtschip een gebied van 492m lang en 42m
breed niet zichtbaar was voor de schipper. Als watersporter moet je absoluut voorkomen in
die dode (onzichtbare) hoek te komen. Niets is erger voor de binnenschipper dan een
jachtje het ene moment nog te zien en het andere moment niet meer. Waar zit dat verdraaide
ding? Als je er voor zorgt dat de schipper in zijn stuurhuis in 't zicht blijft, kan je er
zeker van zijn dat hij je ook kan zien. Verder een goede tip van oud binnenschipper
Wiardi: "Gebruik ook op een motorjacht een mast van redelijke afmeting met een
opvallende vlag. Op die manier kan achterop lopende beroepsvaart je langer zien en is de
dode hoek dus kleiner". Het is natuurlijk vreemd dat in deze moderne tijd nog steeds vrachtschepen gebouwd worden met het stuurhuis op het achterschip. Soms wordt een oplossingen gezocht met een videocamera (in de begintijd steventelevisie genoemd). Gelukkig zijn er ook scheepbouwers die het licht hebben gezien. Een voorbeeld is de "Neokemp", een van de Kempenaar afgeleid schip met het stuurhuis aan de voorzijde, waardoor de dode hoek, althans van voren, tot het verleden behoort. In de loop van 2002 kwam een soortgelijk schip, de Frontrunner, in de vaart. Tegelijkertijd is De Raad voor Transportbeveiliging (RvTV) gestart met een grootschalig onderzoek naar de omvang van de dode hoek in het blikveld van de roerganger op binnenvaartschepen. De resultaten waren begin 2004 beschikbaar en verontrustend. De dode hoek bleek in veel gevallen nog groter dan verwacht. |
| Dodemansknop | De "dodemansknop" is een veiligheid in treincabines waarmee automatisch de aandrijving wordt uitgeschakeld en remmen worden aangezet wanneer de machinist onwel wordt of dood gaat en geen kracht meer uitoefent op die knop, hefboom of pedaal. In de recreatievaart wordt de term gebruikt voor de uitoefening van Art 8.03d uit het BPR (snelle motorboten). "Het schip is voorzien van een technische inrichting waardoor bij het onderbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand of nagenoeg tot stilstand komen". In de praktijk is dit een touwtje aan de pols dat verbonden is met een onderbrekingsschakelaar. In de zeilvaart kende men een dodemansoog dat geen enkele verwantschap heeft. Het was de benaming voor een bezaanstouwtje dat voor de sier was aangebracht [JvG]. |
| Doerak |
Dit oer-motorjachtje voor de pleziervaart is niet meer weg te denken in waterland. Het is een kruising tussen een vlet en een schouw met veel leefruimte en prima vaareigenschappen. Er komen erg veel vragen over de Doerak. Waar kan ik dit, waar kan ik dat, hoe werkt het, etc. Neem voor dit soort vragen contact op met HET Doerakadres Pro Aqua te Meppel, of neem een kijkje op de Doerak Tom site van schipper Wim, de Doerak Discovery site van schipper John of de Pok-Pok site van schipper Coen. |
| Doft |
De zitplank van boord tot boord voor roeier(s). Doften liggen meestal op langslatten die "doftwegers" genoemd worden. Vaak werd boven de buikdenning een verstelbaar dwarshout, spoorstok of spoorlat, aangebracht als steunpunt voor de voeten. De spoorstok zit los in de spoorklamp met twee gaten. Roeiers met lange benen leggen de spoorstok in het verst liggende gat, de kortbenigen in het dichtstbijzijnde gat. Spoorstokken zijn in het midden dikker dan aan de uiteinden. Als het echter een visbootje met een visbun achter de doft betreft, kan de roeier zich daartegen met de voeten afzetten. Aardig om te weten is dat de achterste doft in Zeeland (hoogaars, hengst) ook wel achterdogt genoemd werd. Verwant: jol, dol, wrikken, roeien. |
| Dogger |
| Dol |
De gaffelvormige houder in het boord (dolboord) van een roeiboot waarin de roeiriem (roeispaan) geplaatst wordt. De dol, ook wel "mik", wordt meestal met een pen in het boord gestoken. Ook wordt wel gebruik gemaakt van een vaste pen op het dolboord waar de roeiriem met een daaraan bevestigd oog overheen geschoven wordt, of een pen met een ring van touw [grommer], waar de riem doorheen gestoken wordt. Wanneer geen dol, maar een uitsparing in het boord is toegepast heet dat scheegat. In vroeger tijden hadden niet te grote zeilschepen als kotters, schoeners, brikken e.d. roeipoorten. Dat waren kleine poorten in de verschansing bestemd voor het doorvoeren van riemen om bij windstilte te kunnen roeien. Vooral oorlogsvaartuigen waren zo toegerust. Zeilend werden de poorten gesloten door een draaideurtje of een schuif. Verwant: jol, doft, wrikken, roeien. |
| Dolboom | Bij sommige houten schepen werd de onderbevestiging van het bovenboord versterkt door dubbeling met een smalle plank welke aan de binnenzijde over de gehele scheepslengte loopt [hoo]. |
| Dompen | Eén van de drie translatiebewegingen van een schip. |
| Doodtij | Zie getijwater. |
| Doornikker |
| Dooskiel | Doosvormige holle kiel voor ballast of plaatsing van de motor. |
| Dopen | Zie scheepsbijgeloof. |
| Dorade | Buiten een zeevis (zeebaars) is het de benaming voor de afscherming van een luchtinlaat of ventilator voor binnenkomend buis- of regenwater. Dit kan worden bereikt door een schot, naar boven gerichte pijp/slang, zwaanshals, of "doradebox" (doos met opening naar boven). De benaming zou afkomstig zijn van het zeiljacht "Dorade" (ontwerp Oli Stephens?), waarbij dit systeem voor het eerst werd toegepast. Verwant machinekamerventilatie. |
| Dorstense aak |
| Dortmunder |
| Draaddikte | Bij het gelijkstroomnet aan boord is het van belang de juiste draaddikte te kiezen. Een te dunne draad levert geweldig spanningsverlies op en wordt warm. Met een beetje kennis van zaken bepaal je de juiste dikte. Zie ook bedrading. |
| Draagvleugel boot | Volgens Art 6.02 BPR zijn ze verplicht andere schepen voorrang te verlenen. Draagvleugelboten en luchtkussenvaartuigen moeten dus ook uitwijken voor pleziervaart. Denk er aan: dit geldt NIET voor het RPR gebied. Zie ook: watervliegtuig. |
| Draaicirkel | De draaicirkel van de boot is o.a. afhankelijk van het wieleffect van de schroef. Natuurlijk is vorm, uitslag en plaats van het roer
ook belangrijk voor de grootte van de draaicirkel. Bij een rechts draaiende schroef zal de
draaicirkel over bakboord (links) kleiner zijn. Het
wieleffect helpt mee de achterkant van de boot naar rechts te trekken. Als je in een
vaarwater in één keer kan draaien is de cirkel bij een rechtsdraaiende schroef dus over
bakboord het kleinst en bij een links draaiende schroef over stuurboord
(rechts). Als het vaarwater te smal is om in één keer te draaien verdient het
aanbeveling om de cirkel andersom in te zetten, want het wieleffect van de schroef is
achteruit (omgekeerd draaiend) het grootst.
|
| Drenkeling | Volgens de Maritieme Encyclopedie iemand die onvrijwillig te water is geraakt of geweest. Op een drenkeling die geen tekenen van leven meer vertoont dient terstond mond-op-mond beademing en/of hartmassage te worden toegepast. Ambulancepersoneel reanimeert over het algemeen elke drenkeling die korter dan een uur onder water is geweest tot de normale lichaamstemperatuur is bereikt. Een bleke drenkeling heeft een kramp van de stembanden gekregen tijdens de val in het water en daardoor geen water in de longen. Een blauwe drenkeling heeft wel water in de longen en wellicht veel water in de maag gekregen. Bij zoet water zal de lever opzwellen, bij zout water niet. Derhalve dient een blauwe drenkeling die in zoet water is geraakt, ruggelings aan boord te worden getrokken in verband met de kans op leverbeschadiging. Na reanimatie direct onder de wol. Er is altijd kans op longontsteking en/of een maagdarminfectie. Als de patient goed aanspreekbaar is mag een warme drank worden gegeven, geen koffie, thee of chocolade en beslist geen alcohol. Zie ook onderkoeling, man over boord en reddingvest. |
| Drieling | Werd wel gebruikt als aanduiding voor een kleinere versie van een bepaald scheepstype. Drieling in de betekenis van driekwart. |
| Drieplank |
| Drinkwater | Met
drinkwater aan boord dient voorzichtig te worden omgesprongen. Het verdient aanbeveling de
drinkwatertank die uitsluitend voor consumptie [de kraan in de kombuis] wordt gebruikt
niet te groot te nemen. Een tank van zo'n 200 liter waarborgt een goede doorstroming.
Liever wat vaker vers water bunkeren, dan het gemak van een tank van 1000 liter of meer.
Uit een test van de Waterkampioen van juni 2008 bleek dat bij 70 procent van de
onderzochte boten het water in de tank niet voldeed aan de kwaliteitseis die aan
drinkwater wordt gesteld. Het was gewoon bedorven water. Dat wil nog niet zeggen dat er
ziekmakende bacteriën werden aangetroffen, maar het blijft dus verstandig het water voor
gebruik te koken. Op schepen met een douche en/of toiletvoorziening die doorspoelt met
drinkwater kan daarvoor het best een aparte grote tank worden toegepast. Water dat uit een
warmwaterinstallatie getapt wordt mag nooit voor consumptie gebruikt worden. Verder mag de
drinkwatertank zich i.v.m. warmteafgifte niet in de motorruimte bevinden. De altijd
aanwezige legionella bacterie kan zich in een warme tank tussen de 25 en 55 graden celsius
naar hartelust vermenigvuldigen tot een dichtheid die de gevreesde veteranenziekte kan
veroorzaken. Besmetting vindt voor zover bekend alleen plaats via ingeademd verneveld
water, waaruit volgt dat de luxe van een douche aan boord extra aandacht vergt. Het
warmwatertappunt dient boven de 60º te zijn. Ruwweg
onderscheiden we tanks van de volgende materialen, waarbij vaste tanks voorzien zijn van
een inspectieluik. |
| Droge of natte uitlaat | De vraag
of een droge of natte (watergekoelde) uitlaat moet worden gekozen is niet eenvoudig te
beantwoorden. Sommige zelf gemariniseerde dieselmotoren
verdragen zelfs geen natte uitlaat omdat zo'n uitlaatsysteem niet de juiste tegendruk
geeft. Droge uitlaat: Een droge uitlaat geeft veel warmte, dient met een flexibel harmonicastuk aan het uitlaatspruitstuk te worden verbonden, heeft één of twee ruimtevretende geluiddempers en de huiddoorvoer is door hitte en (zee)water aan sterke corrosie onderhevig. Over het algemeen maakt een droge uitlaat ook meer geluid, maar is wel bedrijfszeker. Natte uitlaat: Veel bootbezitters besluiten tot ombouw naar "nat" omdat de warmteafgifte zeker als de uitlaat een stuk door het schip loopt als zeer hinderlijk wordt ervaren. De ombouw vergt investering maar is door de handige doe-het-zelver goed uit te voeren. Een bijkomend voordeel is dat een bestaand gesloten koelsysteem via een watergekoeld uitlaatspruitstuk of aparte warmtewisselaar gewijzigd kan worden in interkoeling, waardoor in het geval van kielkoeling een kwetsbaar buizensysteem onder het schip kan vervallen. Een natte uitlaat maakt onbetwist minder herrie en het gegorgel wordt door veel mensen als aangenaam (gezellig) ervaren. Door de wateraanzuiging is het in theorie storinggevoeliger, want als de toevoer stagneert terwijl je het niet merkt is de uitlaat naar de knoppen.
|
| Droge vaartuigen | In Noord-Holland sprak men over "droge" vaartuigen om daarmee handelsvaartuigen te onderscheiden van vissersvaartuigen. |
| Dubbele besturing
|
Bij een
wat groter schip met achterkajuit of open kuip kan de behoefte ontstaan ook buiten te
sturen. De realisatie is bij een ketting- of stangbesturing niet eenvoudig. Bovendien
blijf je zitten met een meedraaiend stuurwiel op de niet bediende stuurstand. Een goed
moment om hydraulische besturing te overwegen. Hoe werkt dat? Op de stuurstand wordt het
stuurwiel op een hydraulische pomp (ronde pot) bevestigd. Uit deze pomp komen twee
leidingen die bij het roer verbonden zijn met een cilinder waarin een stuurstang kan
bewegen die via een liever (korte roerarm) met de roerkoning
is verbonden. Het geheel is gevuld met speciale hydraulische olie. Bij links of rechts
draaien van het stuurwiel wordt druk opgebouwd in linker of rechter leiding, waardoor de
stuurstang in- of uit de cilinder wordt bewogen. Deze manier van sturen is zeer direct,
nauwkeurig en zonder speling. Om te voorkomen dat de cilinder door tegendruk van het roer
zelf als pomp gaat werken is vaak een terugslagklep opgenomen zodat het stuurwiel
niet vanzelf kan terugdraaien. Voor een tweede stuurstand wordt in het systeem een 2e
stuurpomp opgenomen, waarbij een aparte leiding de pompen onderling verbindt zodat het
systeem alleen bij de hoogste stuurstand gevuld hoeft te worden. Verder dient een speciale voorziening getroffen te worden voor de bedieningshendels van motor en keerkoppeling, om te voorkomen dat de hendel op de niet bediende stuurstand in tegengestelde richting geduwd wordt. Erg gevaarlijk, want in dat geval zijn beide hendels geblokkeerd. Er moeten hendels gebruikt worden met blokkeerknop die aangesloten worden op een schuifstuk bij motor en keerkoppeling. Een andere mogelijkheid is het gebruik van een vergrendelunit of dualstation. Verwant: ontluchten hydralische besturing, balansroer, roeruitslag en uit koers. |
| Dubbelen | Wijze van
reparatie onderwaterschip. Bij een stalen schip wordt over de slechte plek een plaat
gelast waardoor een dubbele huiddikte ontstaat. Bij oude schepen wordt soms de gehele
bodem "gedubbeld". De term wordt ook gebruikt voor de verstevigingshoeken van
een zeil. In de Middeleeuwen werden schepen om een andere
reden gedubbeld. De meest eikenhouten schepen hadden vooral in de tropen last van
aanvreting door de paalworm. Het onderwaterschip werd dan
gedubbeld met grenen- of vurenhout. Ook werden wel nagels of koperen platen gebruikt. De
platen functioneerden tevens als antifouling, want het koper
voorkwam aangroei. Verwant: schillen. |
| Dukdalf | Een in
het water geplaatste meergelegenheid voor schepen, bestaande uit verticale palen geschoord
door horizontale en diagonale verbindingen. Een dukdalf kan ook dienst doen als
bescherming van kunstwerken (remmingwerk) of als geleiding
van de vaarrichting. De dukdalf is genoemd naar de Hertog van Alva (duc d'Albe) die in het
begin van de tachtigjarige oorlog een waar schrikbewind uitoefende. De palen waren even
onverzettelijk als de hertog en konden dus ruw en onachtzaam worden behandeld. KLTZ b.d.
Dirk Meirik meldde dat bootsman "Erwtje" van de Kweekschool v/d Zeevaart te
Amsterdam (vijftiger/zestiger jaren) zijn kwekelingen daarover het volgende vertelde: De
zeelui in die tijd (m.n. de watergeuzen) wierpen hun van een lus voorziene meertros om de
paal en verzuchtten: "Och, was dit maar Duc d'Alve, wat zou ik dit lijntje lustig
halen en hem hangen...". Na de slag in de haven van het Noorse Bergen [1665], waar aan het begin van de tweede Engelse oorlog een uit Indië terugkerende VOC-vloot zich schuil hield, maar uiteindelijk toch een aanvallend Engels eskader moest weerstaan en in een paar uur vernederend versloeg, noemen de Noren een meerpaal het van dukdalf afgeleide dikkedall [MB]. |
| Duwvaart | In 1957 begon de duwvaart op de Rijn. Het was het voortduwen door een duwboot van meerdere laadbakken (duwbakken) zonder eigen aandrijving. De aanleiding hiertoe was het in de midden van de vijftiger jaren sterk gestegen vervoer van erts naar de hoogovens in het Ruhrgebied. Een interessant artikel met veel foto's op binnenvaarttaal. |
Dynamo![]() |
In
oorsprong een apparaat dat gelijkstroom produceert. Zo'n dynamo heeft als nadeel dat de
beoogde capaciteit pas geleverd wordt bij een flink toerental. Een moderne
wisselstroomdynamo (alternateur) levert bij een stationair toerental al 2/3 van de
maximale stroom. Het maximum vermogen wordt bereikt bij 3500 - 4000 omwentelingen, dat is
meestal zo'n 1500 toeren van de motor. Gebruikelijke typen leveren 45 - 55 ampère
laadstroom, maar bij een boordnet met een accucapaciteit (batterij) van meer dan 200 Ah
verdient het aanbeveling een zwaarder exemplaar te installeren. Voornoemde laadcapaciteit wordt bij meting overigens nooit gehaald.
Het is een theoretisch gegeven en wordt alleen bereikt bij een lege accu. In de praktijk
zal bij 55A dynamocapaciteit niet meer dan zo'n 15 tot 20A laadstroom gemeten worden. De
toepassing van een wisselstroomdynamo was nog niet zo gemakkelijk. De accu wil
gelijkstroom. De oplossing moest dus gevonden worden in diodes die de stroom een
eenrichtingsgedrag kunnen geven. Maar ja, wisselstroom heeft nu eenmaal de eigenschap een
tijdje positief, een tijdje negatief, maar ook kortstondig nul te zijn op het moment van
wisseling. Zonder aanvullende maatregelen zou de accu dus met een pulserende gelijkstroom
geladen worden. Moderne wisselstroomdynamo's hebben daarom drie windingen en zes diodes,
waardoor de gelijkstroom bijna constant is (nog steeds een rimpeling, maar dat kan de accu
afvlakken). Bovendien zorgt de ingebouwde spanningsregelaar bij lage toerentallen dat de
spanning wordt opgekrikt en bij hoge toerentallen wordt verlaagd [Sch]. Toch komt het bij een laag stationair toerental
nogal eens voor dat het laadstroomlampje na starten blijft branden (waarschuwing voor niet
bijladen), hetgeen bij een dotje gas verdwijnt. Niks aan de hand. De spanningsregelaar
moet even "wakker" geschud worden. Daarna zal het lampje niet meer aan gaan.
Onnodig dus om het stationair toerental te verhogen. Dat geeft alleen maar extra geluid,
ongewenst hoge snelheid bij krappe manoeuvres en een ongewenste inschakelklap van de
keerkoppeling, hetgeen de levensduur van de demperplaat niet ten
goede komt.. De volgende aansluitcontacten zijn beschikbaar:
|
| Heel graag op- of aanmerkingen. |
Op alle materiaal
(layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke
toestemming.
Mocht je ondanks
alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.