|
|
|
|
| Daalder | Houten dekdelen werden vroeger met bouten op een stalen dek bevestigd. Het meest bekend zijn teakdekken, die tegenwoordig verlijmd worden. Voor het vastbouten moesten eerst gaten in de dekdelen worden gemaakt om de bouten door te laten. Wanneer het dek gemonteerd was werden de gaten opgevuld met een kopshouten prop, waarvan de nerf in dezelfde richting liep als de nerf van de dekdelen. Alleen met nauwkeurig kijken was er dan nog een cirkeltje te zien. Het ronde schijfje noemde men een daalder. Ze worden nog steeds gebruikt en zo genoemd om gaten door uitgevallen of loszittende noesten in planken van kwasthout te vullen. |
| Dagmerk | Zie tekens. |
| Dalvaart | Een schip dat op stromend water met de stroom mee vaart doet aan dalvaart en dient bij een versmalling voorrang te krijgen op een schip dat tegenstroom vaart (bergvaart). Dus ook een groot schip in bergvaart moet wijken voor een klein schip in dalvaart, behalve in het RPR gebied waar altijd klein voor groot moet wijken. De benaming komt uit de Rijnvaart; stroomopwaarts naar de bergen, stroomafwaarts naar het dal. Verwant: bergvaart en vaarregels. |
| Dam, Pieter van | Pieter van Dam (1621-1706) is de auteur van Beschryvinge van de Oostindische Compagnie. Hij was advocaat van de VOC en kreeg in 1693 van de Heren Zeventien de opdracht een handleiding en naslagwerk samen te stellen van de VOC vanaf het ontstaan tot dan toe. Van Dam is er in geslaagd een geschiedwerk te schrijven waarin het reilen en zeilen van de VOC uitgebreid wordt geschetst, gestaafd met vele bronverwijzingen. Op deze site is er gebruik van gemaakt. Zie ook het VOC-glossarium. |
| Damlooper |
Damketting![]() |
Ook wel mannetjesketting.
Het is een ketting met ovale schalmen, die in het midden van een dwarsverstijving zijn
voorzien. Dit soort ketting wordt door zijn grotere gewicht bij voorkeur als anker- of
ankervoorloopketting gebruikt. Een bijkomend voordeel is dat een damketting minder snel kinkt dan een gewone ketting. Voordat men kon lassen werden
kettingen gesmeed. Het ineensmeden van de bijna vloeibaar warmgestookte schakels, schalm
voor schalm, was zeer arbeidsintensief. Dit vuurlassen was al aan het eind van de
bronstijd bekend. De oudste ijzeren ketting die gevonden is stamt uit Irak en is zo'n 1000
jaar v Chr gemaakt. Toch is ankerketting in de loop der tijd door zijn grote gewicht in
onbruik geraakt. Men hanteerde liever henneptouw, dat tot zeer lange ankerlijnen
aaneengeknoopt werd. Pas in de 19e eeuw dwongen de de steeds groter wordende schepen tot
hernieuwd gebruik van ankerketting en met de uitvinding van het elektrisch booglassen was
de vervaardiging vanaf de 20e eeuw geen probleem meer. Verwant: ankeren,
kaapstander, kettinglengte,
nestenschijf, tuigketting.
|
Damwand![]() |
Een oeverbescherming
(beschoeiing of revetering) van stalen profielplaten, meestal afgewerkt met een deksloof
(afdekbalk), die niet door iedere pleziervaarder gewaardeerd wordt. Door de steeds
weerkaatsende golven kan het bevaren van aldus beschermde kanalen een vervelende bezigheid
worden. Deze damwanden worden tegenwoordig bovendien - met name in moderne marina's -
steeds meer voorzien van een elektrische (kathodische) bescherming tegen corrosie. Als je
stalen schip een vaste ligplaats heeft bij zo'n damwand zonder geleidend contact te maken
zal onherroepelijk aan de walzijde rond de waterlijn putvorming ontstaan door
zwerfstromen. Het schip wordt gezien als een vreemd element en zal langzaam wegvreten, een
effect dat op zout water nog wordt verergerd. Het kan voorkomen worden door elektrisch contact te
maken middels een spanningsvereffeningsdraad. Het is een simpele verbinding
tussen damwand en schip d.m.v. een stroomdraadje met klemmetjes. Verwant: anode, putvorming, perkoenpaal. |
Davit![]() |
Gebogen draagstang(en) met hijsinstallatie aan boord van schepen gebruikt voor het vieren of hijsen van sloep of volgboot. Voor het snel uitzetten van reddingssloepen bestaan verschillende constructies, die het mogelijk maken ze onder moeilijke omstandigheden met weinig inspanning veilig te water te brengen. Aan de achterzijde van het schip heet het "hekdavit", met daarin gehangen de "hekboot". De balk waartegen de sloep wordt vastgesjord heet "bargoen", of gewoon sjorbalk. De gebruikte sjorbanden heetten broekmatten. Bij schepen in de VOC tijd werd de sloep gestreken met behulp van de ra's. De naam "davit" werd ook wel gebruikt voor de gebogen lantaarnstandaard op de voorsteven. De oorsprong ligt waarschijnijk in het Hebreeuws waar gereedschappen en werktuigen wel vaker Bijbelse persoonsnamen kregen. De benaming davit, david, daviet, davier heeft kennelijk te maken met "gebogen", want de tandartshaak heet in het Frans nog steeds davit [literatuur: VL]. Verwant: barkas, jol en sloep. |
| Deadrise | Ook de scheepvaart ontkomt niet aan Engelse termen. Deadrise of op z'n Nederlands "vlaktilling" is de hoek van het vlak met de kielbalk bij de dwarsdoorsnede van een schip ter hoogte van het breedste spant. Hoe lager het deadrisegetal, hoe vlakker de bodem. En hoewel het inderdaad een hoek is, wordt de vlaktilling even vaak uitgedrukt als een verhoudingsgetal; namelijk als de toename van de hoogte (in meters) van het vlak van het grootspant boven de basis, per meter breedte vanuit hart-schip c.q. vanuit de knik van het vlak net naast hart-schip [AAdC]. |
| Debiet | De hoeveelheid water die in een bepaalde periode door een rivier, sluis of gemaal wordt gevoerd. Bij rivieren spreekt men van een afvoerdebiet. De laatste jaren actueel met de hogere neerslag in Europa en de problemen bij afvoer van b.v. de Maas. Ook de aanduiding voor de hoeveelheid water die een waterpomp per minuut of andere tijdsaanduiding kan verwerken. |
| Deinzen | Deinzen is achteruitgaan, meer in het bijzonder het achteruitgaan van een schip. Dit kan het achteruit dobberen door de wind, of het langzaam achteruitvaren op eigen kracht zijn. Ons hedendaagse terugdeinzen is dus een pleonasme. In Oudnederlands heette achteruitgaan overigens deizen en met deinzen bedoelde men het neerstorten van de golven in de branding [Witsen]. |
| Dek |
De laag of vloer, die de
holte van een schip of een gedeelte daarvan afsluit en tevens een belangrijk deel van het
langsverband vormt. Je loopt of staat aan dek, maar je ligt op het dek
('t is maar dat je het weet). De oude benaming voor een dekplank was sloef. Het
dek zelf werd wel verdek genoemd, maar dat is volgens Pieter van Dam's
"Beschryvinge van de Oostindische Compagnie" onjuist. "Het is de naam
die sommige romanschrijvers en schoolmeesters, maar nimmer een zeeman aan het dek
geven". Mannen van theorie en praktijk uit de 17e eeuw als Witsen
en Winschooten gebruiken het echter herhaaldelijk.
Winschooten spreekt zelfs van half-verdek. Egbert
Buys schrijft in 1775 dat het woord dikwijls voor de ruimte of de verdieping zelf
genomen wordt. De Maritieme Encyclopedie [1973] omschrijft verdek als "Een 17e en
18e eeuwse benaming voor het opperdek, het bovenste van voor naar achter doorlopende dek,
ook wel bovenste overloop genoemd". Op het plaatje de dekbenamingen van een Linieschip zoals ze heden ten dage op zeeschepen nog in gebruik zijn. |
| Dekkist | Een dekkist is een
praktische rommelkist aan dek. Door scheepsmakelaars ook wel betiteld als bakskist. Dat
klinkt interessant, maar is onjuist. Een bakskist is geen
dekkist. Het is de opbergplaats voor kommaliewant en wordt
hooguit nog in open bootjes (sloepen en zeilboten) gebruikt. Voor een prachtige mahoniehouten dekkist kan je een kijkje nemen op dekkist.nl. Helaas is de site verdwenen [2013]. |
| Dekschuit |
| Delf | Oude benaming voor een vaart of gracht. |
| Demperplaat |
Bij snel draaiende scheepsmotoren en gemariniseerde automotoren wordt tussen motor en keerkoppeling een demperplaat toegepast. Deze speciale plaat met veren of kunststof nokken is gemonteerd aan het vliegwiel en dient om torsietrillingen van de motor (vooral bij lage toerentallen) te dempen en de klap van het inschakelen van de keerkoppeling enigszins op te vangen. Als op lage toerentallen een ratelend geluid (dat er eerst niet was) ogenschijnlijk uit het koppelingshuis komt, wijst dit meestal op een versleten demperplaat en niet op een defecte keerkoppeling. Loszittende of gebroken veren veroorzaken het geluid. Volgens Ger Bex is het voor een geoefend oor vast te stellen of het een defecte demperplaat betreft of het "tandhameren" van een versleten keerkoppeling. Naarmate de koppeling warmer wordt zal het geluid veranderen. Bij een defecte demperplaat niet! |
| Demsel | Benaming voor al het materiaal dat voor afdichting van lekkage gebruikt kan worden, houten proppen, breeuwtouw, kit e.d. |
| Denneboom | Langsscheepse luikranden (luikhoofden) van een vrachtschip voor de binnenvaart heten denneboom. De gehele constructie van liggers (leggers) en luiken wordt wel kortweg den genoemd. Zie presenning. |
| Deplacement | Zie waterverplaatsing. |
| Deurkas | De uitsparing of nis waar, bij geopende sluis, de sluisdeuren in verdwijnen. Verwant: taats. |
| Deutelen | Deutelen of teutelen. Het keggen van spantnagels. Zie afteutelen. |
| Deviatie | Ten
gevolge van het aardmagnetisch veld wijst de kompasnaald niet naar het ware
(geografische) Noorden maar naar het magnetische Noorden. De hoek tussen
ware Noorden en magnetische Noorden noemt men variatie. Er zit beweging in.
Jaarlijks verplaatst de magnetische pool zich zo'n vijf hoekminuten naar het
Oosten, dus naar de richting van de ware Noordpool. Aan boord van ijzeren
schepen ontstaat bovendien een scheepsmagnetisme, waardoor het kompas een
extra afwijking krijgt. Deze extra afwijking noemt men deviatie, die ook nog
eens beïnvloed kan worden door (staal)lading. De deviatie werd opgenomen in een
stuurtafel, een tabel die bij koersbepaling werd
gebruikt en door de kompassteller werd bijgehouden. Daar we dus drie
verschillende richtingen Noord kennen zijn er ook drie soorten koersen: 1. Ware koers: de hoek tussen de richting van het ware Noorden en de koerslijn. 2. Magnetische koers: de hoek tussen de richting van het magnetische Noorden en de koerslijn. 3. Kompaskoers: de hoek tussen de richting van het kompas-Noorden en de koerslijn. Dan is er ook nog het begrip waarbehouden koers, dat de hoek is tussen de richting van het ware Noorden en de richting waarin men zich in werkelijkheid over de zeebodem verplaatst. In verband met het wegzetten door stroom en /of wind behoeft de waarbehouden koers niet gelijk te zijn aan de ware koers. Bij huidige GPS navigatie is dit allemaal niet meer nodig. Verwant: loxodroom. |
| Dichtzet |
De
"dichtzet" is een manier van palingvissen, waar je als schipper mee te maken kan, of liever kon krijgen, want paling wordt nauwelijks nog gevangen. Op sommige plaatsen (Friesland en Overijssel) werd vanaf eind juli tot eind september, met het oog op de palingtrek een watergang in zijn geheel afgesloten. Over het algemeen waren dit smallere en ondiepe wateren, die niet of weinig bevaren werden. Als er wel sprake was van scheepvaart kon het net alleen 's nachts gespannen zijn. Dat was ook niet zo'n probleem, want juist dan trekt de paling. Een dichtzet wordt door waarschuwingsborden aangegeven en de schipper kan door te blazen de visserman waarschuwen. Die kan met behulp van een lier het net laten zakken en weer optrekken. |
| Diepgang | De Maritieme
Encyclopedie omschrijft het als de verticale afstand van de waterlijn
tot de onderkant van de kiel. Vrachtschepen (zeeschepen) hebben op of nabij voor- en achtersteven en zowel aan stuurboord als aan bakboord een maatverdeling aangebracht, waarvan de diepgang kan worden afgelezen. De diepgangsmerken. De cijfers worden zo geplaatst dat de onderkant de diepgang aangeeft. Als maat gebruikte men op Nederlandse schepen meestal aan de ene zijde de decimeter en aan de andere zijde de Engelse voet in Romeinse of Arabische cijfers. De maatverdeling in voeten was in halve voeten en de metrieke verdeling in decimeters, waarbij alleen de even nummers zijn aangebracht. Romeinse cijfers zijn in onbruik geraakt omdat ze bij grote diepgang te veel plaats innemen. |
| Dieselbacterie | De dieselbacterie is
een vervelend organisme dat in dieseltanks kan voorkomen. Een bekende oorzaak en
voedingsbodem is water in dieselolie. De afvalstoffen c.q.
uitwerpselen van de bacterie zorgen voor een slijmerige smurrie die leidingen en filters
kan verstoppen. Het is dus zaak om de tank vrij van (condens) water te houden. De kans dat
dit gebeurt is bij de huidige zwavelvrije diesel met biodieseltoevoeging erg
groot en al helemaal bij een tank die contact maakt met de stalen romp. Kort
gezegd: zwavelvrije diesel + toegevoegde biobrandstof + condens =
bacteriegroei in de tank en uiteindelijk in het gehele systeem. Zeker niet
overwinteren met een niet afgevulde tank. Ook de goedbedoelde constructie
van een brandstofaanzuigpijpje dat van bovenaf
niet tot de bodem van de tank reikt kan mede oorzaak zijn. De gedachte daarachter is dat vuil en water
onderin de tank blijven en zo niet bij de motor kunnen komen. Dat is waar, maar de
dieselbacterie vindt het heerlijk. Je loopt de kans dat bij zware golfslag dit residu van
vuil en water in één keer vermengd wordt met de schone brandstof en juist op dat
ongelukkige moment voor motorstoring kan zorgen. Hetzelfde kan gebeuren bij direct
wegvaren na het tanken. Ook dan is de brandstof lekker doorelkaar gehusseld. Een betere
constructie is een aanzuigpunt in de bodem gecombineerd met een professioneel
brandstoffilter/waterafscheider van b.v. Separ. Alle beetjes water en vuil worden direct uit de tank afgevoerd
en in het filter afgevangen. Het water kan daar gemakkelijk worden afgetapt en bij
regelmatige vervanging van het filterelement is er geen enkel probleem. Verder kan ook nog
gedacht worden aan het product Acticide,
een toevoeging die bacteriën bestrijdt of voorkomt. Verwant: biodiesel, zwavelvrije diesel.
|
| Dieseltechniek | Zie de aparte pagina dieseltechniek als wegwijzer bij het opsporen van motorstoringen. Mogelijke oorzaken zijn in tabelvorm opgenomen. Een omschrijving van de storing met daarnaast de hoofdoorzaak. De hoofdoorzaak weer uitgesplitst naar nadere omschrijvingen. Kijk voor handleidingen/werkplaatsboeken van populaire scheepsmotoren op de motorensite van Piet Bos. |
| Dik en dun water | In schippersjargon spreekt men over dik- en dun water. Na een periode van blak (windstil) weer is het water van weinig bevaren vaarwegen en groot water "dun" of "zwart". Het water is tot rust gekomen en bevat weinig slibdeeltjes. Bij beginnend stormachtig weer zullen de golven hoger en onberekenbaarder zijn dan na langere tijd. Als de storm een tijdje doorstaat zijn zoveel slibdeeltjes van de bodem opgenomen dat het water "dik" of "wit" wordt. In feite wordt de viscositeit verhoogd en de hoogte van de golven zal bij gelijke windkracht afnemen. Een afgeleid gezegde heeft echter weinig met rust te maken. Wanneer een schipper veel vaart en lange dagen maakt, direct na het lossen weer gaat laden en zo maar door gaat, dan "vaart hij het water dun". Verder is het aardig om te weten dat op rivieren "zijkschuim" niet vlokkig schuim is dat op het water drijft wanneer de vloed opkomt en "kopschuim" wel vlokkig schuim dat bij vallend water ontstaat. En dan is er ook nog "moffestront", het schuim dat door de golfslag aan de rivieroevers ontstaat. Zeevaarders kennen "mager water" dat ondiep water betekent, "smal water" voor zware golfslag en "groen water" voor gevaarlijk massief overkomend water. [Me], [TrN] |
| Dikte meting | Bij twijfel over de dikte van een stalen of aluminium romp kan door een expert een vlak/plaatdikte meting worden uitgevoerd. Lees hier meer. |
| Dinghy | Het opblaasbare reddingvlot aan boord van zeeschepen. De naam komt van de Indiase dinghi of dengi. Dat waren kleine roei- en zeilvaartuigen voor het vervoer van personen en marktwaren in de beschutte wateren van Bengalen. Als er weinig of geen wind stond werden ze net als de Venetiaanse gondel met een stuurboord riemslag voortbewogen. Onder zeil diende deze riem als zijroer. |
| Diode |
Een diode is een halfgeleider, die de stroom maar in één richting doorlaat. Aan boord worden diodes gebruikt in een scheidingsdiode (diodebrug) voor het laden van meerdere accu's of accugroepen. Een gewone blokkeringdiode kost niet veel en kan uitstekend benut worden om apparaten waar plus en min niet verwisseld mogen worden te beveiligen. Afhankelijk van het verbruik van het apparaat waarbij de diode wordt toegepast, bepaal je het type. Heel gangbaar is de 1N4001, die geleidt 1 ampère en kan in de sperrichting pieken van 100 Volt weerstaan en is voor het boordnet van 12 of 24 volt voldoende. Wanneer 1 ampère te weinig is (TV, zendapparatuur) kan je denken aan de 1N5401 van 3 ampère of zwaardere jongens. Zorg in ieder geval dat de diode meer kan hebben dan de zekering. De diode ziet er uit als een weerstandje met aan één kant een ring. Monteer de diode in de plusleiding van je toestel met de ring naar de verbruikerskant. Aan die kant komt de stroom "er uit". Je kunt nu gewone stopcontacten gebruiken. Zit de stekker verkeerd dan vloeit er geen stroom. Uitgebreidere uitleg op wikipedia. |
| Dirk |
Of kraanlijn, de lijn waarmee de giek van een zeilschip wordt opgehouden wanneer er niet gezeild wordt. |
Distributieketting![]() |
De distributie- of rollenketting verbindt de krukas met de nokkenassen.
Zij bedienen op hun beurt de zuigers (krukas) en kleppen (nokkenas). Zuigers
zijn de grote op- en neergaande metalen oppervlakken in een cilinder,
kleppen bewegen boven de zuiger in tegenovergestelde manier op en neer.
Breekt de verbinding nokkenas-krukas (distributie), dan gaan de meeste
motorblokken heel erg
stuk. Met hoge snelheid doen de zuigers en kleppen in
zo’n geval een poging te fuseren. Dat gaat mis, er breekt wat af en de motor
werkt niet meer. Omdat bij veel motoren de nokkenassen en krukas ver
uit elkaar liggen (bovenkant en onderkant motorblok) gebruikt men riemen of
kettingen om de twee met elkaar te verbinden. Vroeger waren kettingen
beter omdat je die (bijna) nooit hoeft te vervangen. Nu dus riemen. In
principe gaat een goede ketting, mits goed gesmeerd, langer mee dan een riem.
Toch gaat men tegenwoordig bij hogere toeren meestal over op een
distributieriem die dan wel bijtijds vervangen dient te worden. Verwant: motor maakt afwijkend geluid. Bron: autoblog.nl |
| Dobbe | Een kom, plas of uitgegraven water. |
| Dode hoek | Een ongeladen
vrachtschip ligt hoog op het water en de schipper kan vanuit zijn stuurhuis een heel stuk
water voor de boeg niet overzien. De beruchte dode hoek. Bij onderzoek naar een ongeval in
Zeeland in 1999 bleek dat midden voor het vrachtschip een gebied van 492m lang en 42m
breed niet zichtbaar was voor de schipper. Als watersporter moet je absoluut voorkomen in
die dode (onzichtbare) hoek te komen. Niets is erger voor de binnenschipper dan een
jachtje het ene moment nog te zien en het andere moment niet meer. Waar zit dat verdraaide
ding? Als je er voor zorgt dat de schipper in zijn stuurhuis in 't zicht blijft, kan je er
zeker van zijn dat hij je ook kan zien. Verder een goede tip van oud binnenschipper
Wiardi: "Gebruik ook op een motorjacht een mast van redelijke afmeting met een
opvallende vlag. Op die manier kan achterop lopende beroepsvaart je langer zien en is de
dode hoek dus kleiner". Het is natuurlijk vreemd dat in deze moderne tijd nog steeds vrachtschepen gebouwd worden met het stuurhuis op het achterschip. Soms wordt een oplossingen gezocht met een videocamera (in de begintijd steventelevisie genoemd). Gelukkig zijn er ook scheepbouwers die het licht hebben gezien. Een voorbeeld is de "Neokemp", een van de Kempenaar afgeleid schip met het stuurhuis aan de voorzijde, waardoor de dode hoek, althans van voren, tot het verleden behoort. In de loop van 2002 kwam een soortgelijk schip, de Frontrunner, in de vaart. Tegelijkertijd is De Raad voor Transportbeveiliging (RvTV) gestart met een grootschalig onderzoek naar de omvang van de dode hoek in het blikveld van de roerganger op binnenvaartschepen. De resultaten waren begin 2004 beschikbaar en verontrustend. De dode hoek bleek in veel gevallen nog groter dan verwacht. Inmiddels [2011] is men bezig met nieuwe regels. In het laatste wijzigingsvoorstel van de bouwvoorschriften voor schepen (RV/G(10)(65rev.1) mag de dode hoek tweemaal de scheepslengte of 250 meter zijn. Bij gebruik van radar en een camera mag de dode hoek 500 meter zijn. |
| Dodemansknop | De "dodemansknop" is een veiligheid in treincabines waarmee automatisch de aandrijving wordt uitgeschakeld en remmen worden aangezet wanneer de machinist onwel wordt of dood gaat en geen kracht meer uitoefent op die knop, of hem regelmatig beroert. In de recreatievaart wordt de term gebruikt voor de uitoefening van Art 8.03d uit het BPR (snelle motorboten). "Het schip is voorzien van een technische inrichting waardoor bij het onderbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand of nagenoeg tot stilstand komen". In de praktijk is dit een touwtje aan de pols dat verbonden is met een onderbrekingsschakelaar. In de zeilvaart kende men een dodemansoog dat geen enkele verwantschap heeft. Het was de benaming voor het blok met zes, acht of tien ogen waardoor bezaanstouwtjes werden gestoken die voor de sier (pronk) dienden en als geheel hanepoot werden genoemd. [JvG en NW]. |
| Doerak |
Dit oer-motorjachtje voor de pleziervaart is niet meer weg te denken in waterland. Het is een kruising tussen een vlet en een schouw met veel leefruimte en prima vaareigenschappen. Er komen erg veel vragen over de Doerak. Waar kan ik dit, waar kan ik dat, hoe werkt het, etc. Neem voor dit soort vragen contact op met HET Doerakadres Pro Aqua te Meppel, of neem een kijkje op de Doerak Tom site van schipper Wim, de Doerak Discovery site van schipper John of de Pok-Pok site van schipper Coen. |
| Doft |
De zitplank van boord tot boord voor roeier(s). Doften liggen meestal op langslatten die "doftwegers" genoemd worden. Vaak werd boven de buikdenning een verstelbaar dwarshout, spoorstok of spoorlat, aangebracht als steunpunt voor de voeten. De spoorstok zit los in de spoorklamp met twee gaten. Roeiers met lange benen leggen de spoorstok in het verst liggende gat, de kortbenigen in het dichtstbijzijnde gat. Spoorstokken zijn in het midden dikker dan aan de uiteinden. Als het echter een visbootje met een visbun achter de doft betreft, kan de roeier zich daartegen met de voeten afzetten. Aardig om te weten is dat de achterste doft in Zeeland (hoogaars, hengst) ook wel achterdogt genoemd werd. Verwant: jol, dol, wrikken, roeien. |
| Dogger |
| Dol |
De gaffelvormige houder in het boord (dolboord) van een roeiboot waarin de roeiriem (roeispaan) geplaatst wordt. De dol, ook wel "mik", wordt meestal met een pen in het boord gestoken. Ook wordt wel gebruik gemaakt van een vaste pen op het dolboord waar de roeiriem met een daaraan bevestigd oog overheen geschoven wordt, of een pen met een ring van touw [grommer], waar de riem doorheen gestoken wordt. Wanneer geen dol, maar een uitsparing in het boord is toegepast heet dat scheegat. In vroeger tijden hadden niet te grote zeilschepen als kotters, schoeners, brikken e.d. roeipoorten. Dat waren kleine poorten in de verschansing bestemd voor het doorvoeren van riemen om bij windstilte te kunnen roeien. Vooral oorlogsvaartuigen waren zo toegerust. Zeilend werden de poorten gesloten door een draaideurtje of een schuif. Verwant: jol, doft, wrikken, roeien. |
| Dolboom | Bij sommige houten schepen werd de onderbevestiging van het bovenboord versterkt door dubbeling met een smalle plank welke aan de binnenzijde over de gehele scheepslengte loopt [hoo]. |
| Dompen | Eén van de drie translatiebewegingen van een schip. |
| Doodtij | Zie getijwater. |
| Doornikker |
| Dooskiel | Doosvormige holle kiel voor ballast of plaatsing van de motor. |
| Dopen | Zie scheepsbijgeloof. |
| Dorade | Buiten een zeevis (zeebaars) is het de benaming voor de afscherming van een luchtinlaat of ventilator voor binnenkomend buis- of regenwater. Dit kan worden bereikt door een schot, naar boven gerichte pijp/slang, zwaanshals, of "doradebox" (doos met opening naar boven). De benaming zou afkomstig zijn van het zeiljacht "Dorade" (ontwerp Oli Stephens?), waarbij dit systeem voor het eerst werd toegepast. Verwant machinekamerventilatie. |
| Dorstense aak |
| Dortmunder |
| Dove jut |
"Dove jut" is een uitdrukking die we
wel kennen. De benaming komt uit de scheepvaart en werd, mogelijk
streekgebonden, verschillend gebruikt: Een dove jut kon een beer zijn, een stampstok (nr.32 in het tuigplan) of een eenvoudige takel, maar had altijd te maken met uithouden of geleiden. Van oorsprong (?) is de dove jut een korte uithouder of balk, met schijf aan het einde, eertijds gebruikt voor het lichten van zware lasten. Een dove jut werd b.v. aangebracht achter in een sloep als een soort hekdavit, om een anker dat met de ankertros of -ketting niet door het schip kon worden thuisgehieuwd aan de boeireep uit de grond te breken. Nadat de boeireep door een takel aan de dove jut was stijfgezet, trachtte men op het zeetje, of door het zich op de voorplecht verzamelen van de sloepsbemanning, de sloep het anker te laten lichten [Me2].
|
| Draaddikte | Bij het gelijkstroomnet aan boord is het van belang de juiste draaddikte te kiezen. Een te dunne draad levert geweldig spanningsverlies op en wordt warm. Met een beetje kennis van zaken bepaal je de juiste dikte. Zie ook bedrading. |
| Draagvleugel boot | Volgens Art 6.02 BPR zijn ze verplicht andere schepen voorrang te verlenen. Draagvleugelboten en luchtkussenvaartuigen moeten dus ook uitwijken voor pleziervaart. Denk er aan: dit geldt NIET voor het RPR gebied. Zie ook: watervliegtuig. |
| Draaicirkel | De draaicirkel van de boot is o.a. afhankelijk van het wieleffect van de schroef. Natuurlijk is vorm, uitslag en plaats van het roer
ook belangrijk voor de grootte van de draaicirkel. Bij een rechts draaiende schroef zal de
draaicirkel over bakboord (links) kleiner zijn. Het
wieleffect helpt mee de achterkant van de boot naar rechts te trekken. Als je in een
vaarwater in één keer kan draaien is de cirkel bij een rechtsdraaiende schroef dus over
bakboord het kleinst en bij een links draaiende schroef over stuurboord
(rechts). Als het vaarwater te smal is om in één keer te draaien verdient het
aanbeveling om de cirkel andersom in te zetten, want het wieleffect van de schroef is
achteruit (omgekeerd draaiend) het grootst.
|
| Drenkeling | Volgens de Maritieme Encyclopedie iemand die onvrijwillig te water is geraakt of geweest. Op een drenkeling die geen tekenen van leven meer vertoont dient terstond mond-op-mond beademing en/of hartmassage te worden toegepast. Ambulancepersoneel reanimeert over het algemeen elke drenkeling die korter dan een uur onder water is geweest tot de normale lichaamstemperatuur is bereikt. Een bleke drenkeling heeft een kramp van de stembanden gekregen tijdens de val in het water en daardoor geen water in de longen. Een blauwe drenkeling heeft wel water in de longen en wellicht veel water in de maag gekregen. Bij zoet water zal de lever opzwellen, bij zout water niet. Derhalve dient een blauwe drenkeling die in zoet water is geraakt, ruggelings aan boord te worden getrokken in verband met de kans op leverbeschadiging. Na reanimatie direct onder de wol. Er is altijd kans op longontsteking en/of een maagdarminfectie. Als de patient goed aanspreekbaar is mag een warme drank worden gegeven, geen koffie, thee of chocolade en beslist geen alcohol. Zie ook onderkoeling, man over boord en reddingvest. |
| Drents tuig | Voor de
benaming "Drents tuig" of "Drents kanaaltuig" is geen eensluidende verklaring te
vinden. De een spreekt over een: Gaffeltuig met rechte gaffel. Was effectiever in dieper gelegen Drentse vaarten en kanalen i.v.m. windvangen. [LtzB] De ander spreekt over een: Klein uitgevoerde tuigage speciaal bestemd voor de vaart op de Drentse kanalen. Bij terugkeer van de Zuiderzee lieten Drentse schippers de zee-uitrusting van hun grote Overijsselse pramen en tjalken, waaronder de zware zeezeilen, de grote giek, de gaffel en de mast, achter in Meppel. Ook het zware boeganker en kettingen van dertig en vijftig vadem werden daar opgeslagen. Daarna werd het lichtere, Drentse tuig, dat op de uitreis daar was opgeslagen, weer opgehaald en aangeslagen voor de thuisreis naar bijv. Smilde of Hoogeveen. Dit Drentse tuig bestond uit een licht vaartzeil of 'Drent', een kleine Drentse fok en een kleine korte Drentse gaffel. Deze aanpassing scheelde een enorm stuk in de vaardiepte van het schip. [FH] |
| Drieling | Werd wel gebruikt als aanduiding voor een kleinere versie van een bepaald scheepstype. O.a. de Westlander. Drieling in de betekenis van driekwart. Kleiner dan dat werd tweeling genoemd. Het logische vervolg "eenling" bestond echter niet. |
| Drieplank |
| Drinkwater | Met
drinkwater aan boord dient voorzichtig te worden omgesprongen. Het verdient aanbeveling de
drinkwatertank die uitsluitend voor consumptie [de kraan in de kombuis] wordt gebruikt
niet te groot te nemen. Een tank van zo'n 200 liter waarborgt een goede doorstroming.
Liever wat vaker vers water bunkeren, dan het gemak van een tank van 1000 liter of meer.
Uit een test van de Waterkampioen van juni 2008 bleek dat bij 70 procent van de
onderzochte boten het water in de tank niet voldeed aan de kwaliteitseis die aan
drinkwater wordt gesteld. Het was gewoon bedorven water. Dat wil nog niet zeggen dat er
ziekmakende bacteriën werden aangetroffen, maar het blijft dus verstandig het water voor
gebruik te koken. Op schepen met een douche en/of toiletvoorziening die doorspoelt met
drinkwater kan daarvoor het best een aparte grote tank worden toegepast. Water dat uit een
warmwaterinstallatie getapt wordt mag nooit voor consumptie gebruikt worden. Verder mag de
drinkwatertank zich i.v.m. warmteafgifte niet in de motorruimte bevinden. De altijd
aanwezige legionella bacterie kan zich in een warme tank tussen de 25 en 55 graden celsius
naar hartelust vermenigvuldigen tot een dichtheid die de gevreesde veteranenziekte kan
veroorzaken. Besmetting vindt voor zover bekend alleen plaats via ingeademd verneveld
water, waaruit volgt dat de luxe van een douche aan boord extra aandacht vergt. Het
warmwatertappunt dient boven de 60º te zijn. Ruwweg
onderscheiden we tanks van de volgende materialen, waarbij vaste tanks voorzien zijn van
een inspectieluik. |
| Droge of natte uitlaat | De vraag
of een droge of natte (watergekoelde) uitlaat moet worden gekozen is niet eenvoudig te
beantwoorden. Sommige zelf gemariniseerde dieselmotoren
verdragen zelfs geen natte uitlaat omdat zo'n uitlaatsysteem niet de juiste tegendruk
geeft. Droge uitlaat: Een droge uitlaat geeft veel warmte, dient met een flexibel harmonicastuk aan het uitlaatspruitstuk te worden verbonden, heeft één of twee ruimtevretende geluiddempers en de huiddoorvoer is door hitte en (zee)water aan sterke corrosie onderhevig. Over het algemeen maakt een droge uitlaat ook meer geluid, maar is wel bedrijfszeker. Natte uitlaat: Veel bootbezitters besluiten tot ombouw naar "nat" omdat de warmteafgifte zeker als de uitlaat een stuk door het schip loopt als zeer hinderlijk wordt ervaren. De ombouw vergt investering maar is door de handige doe-het-zelver goed uit te voeren. Een bijkomend voordeel is dat een bestaand gesloten koelsysteem via een watergekoeld uitlaatspruitstuk of aparte warmtewisselaar gewijzigd kan worden in interkoeling, waardoor in het geval van kielkoeling een kwetsbaar buizensysteem onder het schip kan vervallen. Een natte uitlaat maakt onbetwist minder herrie en het gegorgel wordt door veel mensen als aangenaam (gezellig) ervaren. Door de wateraanzuiging is het in theorie storinggevoeliger, want als de toevoer stagneert terwijl je het niet merkt is de uitlaat naar de knoppen.
|
| Droge vaartuigen | In Noord-Holland sprak men over "droge" vaartuigen om daarmee handelsvaartuigen te onderscheiden van vissersvaartuigen. We komen het ook tegen als onderscheid tussen visserschepen zonder en met visbun. Zonder = droog schip, met = nat schip. |
| Druif | De platte ronde knop aan het eind van een bootshaak (pikhaak), slaggaard of vaarboom, die door een hand kan worden omvat, maar ook tegen borst of oksel kan worden gezet om extra kracht te zetten. Een dwarse steun heet jelt. |
| Druil | Een druil
is een klein driehoekig zeil aan het (bezaans)mastje nabij de achtersteven.
Het dient als steunzeil om het schip minder te laten slingeren of achter
het anker beter op de wind te houden. Bij vissersschepen diende het om de kop in de
wind achter de vleet te houden. Het mastje werd daar druilmast genoemd. Voor
de kraag om het mastje waarop de klauw van de bezaansboom rust komen we de
naam schooier tegen. Andere benamingen
voor het zeiltje: broodwinner, winder,
achterzeil, bezaan, aap, ransel, tapecul etc. Er wordt door sommigen
onderscheid gemaakt dat een druil zich achter de roerganger bevindt en een
bezaan ervoor en dat aap of ransel wordt gebruikt voor een stagzeil aan het
mastje. Lastige materie dus. Zie ook de uitdrukking iets met een druil doen. |
| Druppellader | Een relatief
goedkope onderhoudslader die wat men denkt altijd aan de accu kan blijven aangesloten.
Lijkt veilig, maar mag toch niet onbeperkt aangesloten worden omdat de continu aanwezige
milliampèrtjes de accu op den duur beschadigen. Zie: laadkarakteristieken en
toepassingsmogelijkheden. Verwant:acculader, aggregaat, omvormer, walstroom. |
| Dubbele besturing
|
Bij een
wat groter schip met achterkajuit of open kuip kan de behoefte ontstaan ook buiten te
sturen. De realisatie is bij een ketting- of stangbesturing niet eenvoudig. Bovendien
blijf je zitten met een meedraaiend stuurwiel op de niet bediende stuurstand. Een goed
moment om hydraulische besturing te overwegen. Hoe werkt dat? Op de stuurstand wordt het
stuurwiel op een hydraulische pomp (ronde pot) bevestigd. Uit deze pomp komen twee
leidingen die bij het roer verbonden zijn met een cilinder waarin een stuurstang kan
bewegen die via een lever (korte roerarm) met de roerkoning
is verbonden. Het geheel is gevuld met speciale hydraulische olie. Bij links of rechts
draaien van het stuurwiel wordt druk opgebouwd in linker of rechter leiding, waardoor de
stuurstang in- of uit de cilinder wordt bewogen. Deze manier van sturen is zeer direct,
nauwkeurig en zonder speling. Om te voorkomen dat de cilinder door tegendruk van het roer
zelf als pomp gaat werken is vaak een terugslagklep opgenomen zodat het stuurwiel
niet vanzelf kan terugdraaien. Voor een tweede stuurstand wordt in het systeem een 2e
stuurpomp opgenomen, waarbij een aparte leiding de pompen onderling verbindt zodat het
systeem alleen bij de hoogste stuurstand gevuld hoeft te worden. Verder dient een speciale voorziening getroffen te worden voor de bedieningshendels van motor en keerkoppeling, om te voorkomen dat de hendel op de niet bediende stuurstand in tegengestelde richting geduwd wordt. Erg gevaarlijk, want in dat geval zijn beide hendels geblokkeerd. Er moeten hendels gebruikt worden met blokkeerknop die aangesloten worden op een schuifstuk bij motor en keerkoppeling. Een andere mogelijkheid is het gebruik van een vergrendelunit of dualstation. Verwant: ontluchten hydralische besturing, balansroer, roeruitslag en uit koers. |
| Dubbelen |
Dubbelen is een wijze van reparatie van het onderwaterschip. Bij een stalen schip wordt over de slechte plek een plaat
gelast waardoor een dubbele huiddikte ontstaat. Bij oude schepen wordt soms de gehele
bodem "gedubbeld". Dubbelen is discutabel. In de praktijk is het
aan de buitenzijde dubbelen slechts een tijdelijke oplossing. Condens- en
bilgewater zal het oude (niet voor niets gedubbelde) vlak van binnen uit steeds verder aanvreten en uiteindelijk tussen
de dubbeling komen met alle gevolgen van dien. Dubbeling aan de
binnenzijde is beter maar in groot oppervlak vrijwel onmogelijk vanwege de spanten. De beste methode is om het verrotte gedeelte eruit te slijpen en te
vervangen door een nieuwe plaat. De term dubbeling wordt ook gebruikt voor de verstevigingshoeken van een zeil. In de Middeleeuwen werden schepen om een andere reden gedubbeld. De meest eikenhouten schepen hadden vooral in de tropen last van aanvreting door de paalworm. Het onderwaterschip werd dan gedubbeld met grenen- of vurenhout. Ook werden wel nagels of koperen platen gebruikt. De platen functioneerden tevens als antifouling, want het koper voorkwam aangroei. Verwant: vlakdiktemeting, schillen. |
| Duivelsklauw | De
duivelsklauw of duvelsklauw is een (anker)kettingstopper bestaande uit een dubbele haak,
waar een kettingschalm plat tussen kan, zodat de haken om de volgende schalm grijpen. Door
middel van een aan dek bevestigde spanschroef kan hij worden aangezet. Op
pleziervaartuigen is het vaak een haak die eerst los gemaakt moet worden alvorens het
anker in vrije val naar beneden kan vallen. Afbeelding zijn te vinden op binnenvaarttaal. De duivelsklauw wordt daar gebruikt om het met de
neuringketting geborgen anker extra te zekeren. Dan nog als wetenswaardigheid: Duivelsklauw is ook de benaming van een plant uit de woestijngebieden van Namibië, Botswana en het noorden van Zuid-Afrika. Op het eerste gezicht een zeer aantrekkelijke plant, met op de grond liggende uitlopers, die in het voorjaar met schitterende rood-paarse bloemen bedekt zijn en doen denken aan de bloemen van vingerhoedskruid. Dit fraaie uiterlijk is echter zeer bedrieglijk. Na de bloei ontstaan er snel verhoutende vruchten met gemene weerhaken, die zich als een "duivelsklauw" vasthechten aan alles wat in de buurt komt. Deze vruchten zien er uit als een grote stekelige spin, die zich met zijn weerhaken kan vastgrijpen in de wol van schapen. De op de grond liggende stekelige vruchten komen met hun weerhaken ook vaak tussen de hoeven van schapen en geiten terecht, waardoor de dieren "als duivels" in het rond springen om de pijnlijke stekels kwijt te raken. De moeilijk te verwijderen weerhaken kunnen ernstige verwondingen, abcessen en zware ontstekingen veroorzaken. Bron: infonu.nl |
| Dukdalf | Een in
het water geplaatste meergelegenheid voor schepen, bestaande uit verticale palen geschoord
door horizontale en diagonale verbindingen. Een dukdalf kan ook dienst doen als
bescherming van kunstwerken (remmingwerk) of als geleiding
van de vaarrichting. Een weinig onderbouwde verklaring voor de naam is dat
de dukdalf vernoemd is naar de Hertog van Alva (duc d'Albe) die in het
begin van de tachtigjarige oorlog een waar schrikbewind uitoefende. De palen waren even
onverzettelijk als de hertog en konden dus ruw en onachtzaam worden behandeld. KLTZ b.d.
Dirk Meirik meldde dat bootsman "Erwtje" van de Kweekschool v/d Zeevaart te
Amsterdam (vijftiger/zestiger jaren) zijn kwekelingen daarover het volgende vertelde: De
zeelui in die tijd (m.n. de watergeuzen) wierpen hun van een lus voorziene meertros om de
paal en verzuchtten: "Och, was dit maar Duc d'Alve, wat zou ik dit lijntje lustig
halen en hem hangen...". In het jargon werden ze ook wel duksen
genoemd. Een andere verklaring is dat de naam een verbastering is van dokdolf, een paal of blok in een dok. Dok in de betekenis van haven [LtzB]. Na de slag in de haven van het Noorse Bergen [1665], waar aan het begin van de tweede Engelse oorlog een uit Indië terugkerende VOC-vloot zich schuil hield, maar uiteindelijk toch een aanvallend Engels eskader moest weerstaan en in een paar uur vernederend versloeg, noemen de Noren een meerpaal het van dukdalf afgeleide dikkedall [MB]. |
| Duwvaart | In 1957 begon de duwvaart op de Rijn. Het was het voortduwen door een duwboot van meerdere laadbakken (duwbakken) zonder eigen aandrijving. Door sommige schippers ook wel baksvaart genoemd. De aanleiding hiertoe was het in de midden van de vijftiger jaren sterk gestegen vervoer van erts naar de hoogovens in het Ruhrgebied. Een interessant artikel met veel foto's op binnenvaarttaal. |
Dynamo![]() |
In
oorsprong een apparaat dat gelijkstroom produceert. Zo'n dynamo heeft als nadeel dat de
beoogde capaciteit pas geleverd wordt bij een flink toerental. Een moderne
wisselstroomdynamo (alternateur) levert bij een stationair toerental al 2/3 van de
maximale stroom. Het maximum vermogen wordt bereikt bij 3500 - 4000 omwentelingen, dat is
meestal zo'n 1500 toeren van de motor. Gebruikelijke typen leveren 45 - 55 ampère
laadstroom, maar bij een boordnet met een accucapaciteit (batterij) van meer dan 200 Ah
verdient het aanbeveling een zwaarder exemplaar te installeren. Voornoemde laadcapaciteit wordt bij meting overigens nooit gehaald.
Het is een theoretisch gegeven en wordt alleen bereikt bij een lege accu. In de praktijk
zal bij 55A dynamocapaciteit niet meer dan zo'n 15 tot 20A laadstroom gemeten worden. De
toepassing van een wisselstroomdynamo was nog niet zo gemakkelijk. De accu wil
gelijkstroom. De oplossing moest dus gevonden worden in diodes die de stroom een
eenrichtingsgedrag kunnen geven. Maar ja, wisselstroom heeft nu eenmaal de eigenschap een
tijdje positief, een tijdje negatief, maar ook kortstondig nul te zijn op het moment van
wisseling. Zonder aanvullende maatregelen zou de accu dus met een pulserende gelijkstroom
geladen worden. Moderne wisselstroomdynamo's hebben daarom drie windingen en zes diodes,
waardoor de gelijkstroom bijna constant is (nog steeds een rimpeling, maar dat kan de accu
afvlakken). Bovendien zorgt de ingebouwde spanningsregelaar bij lage toerentallen dat de
spanning wordt opgekrikt en bij hoge toerentallen wordt verlaagd [Sch]. Toch komt het bij een laag stationair toerental
nogal eens voor dat het laadstroomlampje na starten blijft branden (waarschuwing voor niet
bijladen), hetgeen bij een dotje gas verdwijnt. Niks aan de hand. De spanningsregelaar
moet even "wakker" geschud worden. Daarna zal het lampje niet meer aan gaan.
Onnodig dus om het stationair toerental te verhogen. Dat geeft alleen maar extra geluid,
ongewenst hoge snelheid bij krappe manoeuvres en een ongewenste inschakelklap van de
keerkoppeling, hetgeen de levensduur van de demperplaat niet ten
goede komt.. De volgende aansluitcontacten zijn beschikbaar:
|
Heel graag op- of aanmerkingen. |
Op alle materiaal
(layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke
toestemming.
Mocht je ondanks
alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.