kennisbank voor pleziervaart
         en scheepvaarthistorie
 
 

Hé, dat wist ik niet...
  Tips en wetenswaardigheden
Gebruik het zoekveld wanneer je iets niet kunt vinden.
  A     B     C     D     E     F     G     H     I     J     K     L     M     N     O     P     Q     R     S     T     U     V     W     X     Y     Z  

H

Haalpen Een haalpen of verhaalpen is een pen met bolle kop op meerpalen en sluiswanden, waarlangs de meertouwen gehaald of verhaald kunnen worden.
Verwant paalmuts, remming, dukdalf.
Haam De haam of zeel was de platte band van zeildoek of leer die als gareel werd gebruikt door schipper of schippersknecht voor het voorttrekken/jagen van het schip. Niet zelden liep het complete schippersgezin, met uitzondering van iemand aan het roer, met sjokkende tred "in het haampje". Wanneer er geld beschikbaar was kon op veel trajecten, m.n. in de veenkoloniën, een scheepsjager ingehuurd worden. De benamingen haam en gareel zijn afkomstig van de trekband voor de borst van een trekdier.
Hagenaar Een Hagenaar is een niet op steven gebouwde hevelaak en zou een zusje kunnen zijn van de Hasselteraak, hoewel de achtersteven meer achterover helt. De woning bevond zich onder het verhoogde achterdek (paviljoen), waardoor de schepen in geladen toestand een kruiphoogte van max. 2.40 hadden en daarmee de Wagenbrug in Den Haag konden passeren, die pas vanaf 1922 (meestal 's nachts) een stukje kon worden opgevijzeld. Op de terugweg moest via een afsluiter in het vlak ballastwater worden ingenomen.
Hagjesdag De dag waarop het scheepsvolk vlees kreeg. Hag (lekker hapje) was een benaming voor vlees of spek. Na hagjesdag kon een Zaandammerdag volgen. Dan werden de restjes opgemaakt. De andere magere dagen werden kommerdagen genoemd. Het Staatsblad van Nederlandsch Indie voor 1816 heeft het ook over hagjesdag. In het arrest voor rantsoenen voor alle personen die in 's Konings dienst in Indie over zee worden vervoerd is besloten:: Te arresteren het volgende provisinele tarief van rantsoenen voor alle personen zonder onderscheid die in 's Konings dienst in Indie, over zee zullen gevoerd worden, zoo als dezelfde op Zijner Majesteits schepen en vaartuigen alhier wordt verstrekt.. Op de rantsoenlijst komt o.a. voor.: 1 pond versch spek iederen hagjesdag en voor 2 stuivers versche groenten en aardappelen. Niet bedoeld voor op zee want in de kantlijn staat als toelichting: per kop in de week op de reede.
Hak De onderzijde van het schroefraam, ook wel stevenzool,  waarop het roer steunt en de roerkoning in/op een taats draait. Oorspronkelijk de achterwaartse verlenging van een roerblad onder de waterlijn, zodat zonder schroefwater toch gemanoeuvreerd kon worden.
Halamid Ook wel Halamiet. Een vroeger bij de drogist en watersportwinkel verkrijgbaar ontsmettingsmiddel voor de drinkwatertank. Tegenwoordig eigenlijk alleen als desinfectiemiddel van dierverblijven, maar het werkt gewoon prima voor het ontsmetten van de drinkwatertank.  Het dient toegepast te worden in een verhouding van 5 gram per liter water. Tenminste 24 uur laten staan. Goed naspoelen. Wilde je daarnaast bij twijfel ook het drinkwater zelf desinfecteren (m.i. in Nederland bij regelmatig verversen niet nodig) dan was de verhouding 4 gram op 100 liter water. Voor dat doel is het modernere ontsmettingsmiddel Hadex beschikbaar. Per liter water zijn vijf druppels nodig. Helaas gaat het drinkwater onherroepelijk naar zwembadwater smaken. Het went, maar een lekker kopje thee is er niet meer bij.
Verwant: drinkwater.
Halen Het binnenhalen van visnet of het hieuwen van tros of ankerketting. Zie ook de uitdrukking op 't zeetje.
Haling Haling is de trekking of zuiging langs de walkant van vaarten en kanalen als daar een vaartuig voorbij vaart, maar ook het effect bij oplopen van van een ander schip.
Halftij Zie getijwater.
Halfwinder Zeer grote bolgesneden (extra) fok. Wordt met matige wind op ruime en halfwindse koersen gebruikt. Zie fok.
Hals De ronde ring, kous of lus aan een touweind, maar ook het touw dat de onderloefpunt van een zeil neerhoudt. Zie schoot. Er zijn meerdere betekenissen:
- Het dunne gedeelte van een as of spil tussen kussenblokken (lagers).
- De hals als kromming van een knie.
- De hals van een anker, de plaats waar schacht en arm (handen) samenkomen.
- De hals van een oogsplits. Het gedeelte onder het oog.
- "Halzen toe": het bevel om beide onderzeilen bij te zetten en het touw van de onderpunten strak te zetten.
- "Tussen twee halzen varen": Voor-de-wind varen.
Halve wind Zie zeilstanden.
Handen De gepunte bladen van een anker worden handen of vloeien genoemd. Zie aldaar.
Handleidingen Handleidingen en/of werkplaatsboeken van populaire scheepsmotoren zijn te vinden op de motorensite van Piet Bos.
Handleidingen voor hoofdzakelijk elektrische apparatuur zijn te vinden op de site van Van Rij Watersport.
Handlood
Handlood, schietlood of dieplood. Een uitstekend gereedschap om de waterdiepte te meten als je niet in het bezit bent van een dieptemeter. Bevestig een zwaar voorwerp (1-2 kilo) aan een stevige dunne lijn. Markeer de lijn op vaste door jezelf te bepalen afstanden en klaar is het handlood. Als je gaat loden, men noemde het peilen of zygeren, vergeet dan niet het uiteinde van de lijn vast te zetten. Een "echt" handlood is peervormig met onderin een gaatje, de ziel. Daar werd een kloddertje vet in gedaan waar bij ophalen wat grond aan bleef plakken, zodat men de bodemsoort kon bepalen. De vissers hadden zo'n goede kennis van de Noordzee dat zij daaruit konden opmaken, waar zij zich bevonden. Zie het gedichtje: plaatsbepaling op zee. Op minder diep water werd het loden ook wel gedaan met een slaggaard of plechtgaard, een stok met decimeterverdeling in de kleuren rood en wit. De slaggaard werd vanuit het gangboord tegen de vaarrichting in in het water gestoken. Door de vaart van het schip kwam de slaggaard vanzelf een moment in loodrechte stand, waarop de diepte kon worden afgelezen. Een ervaren schipper kon zelfs voelen om welke bodemsoort het ging en op bekend vaarwater zijn positie bepalen.
Op zee werd als voorloper van de huidige dieptemeter al gebruik gemaakt van een echolood. Het was een vallood. Het vallood was een dieplood dat bij aanraking van de zeebodem ontplofte. Uit het tijdsverloop tussen in zee gooien en knal kon de diepte worden berekend.
 


Hiernaast het vroegere loden.
De bootsgezel staat op de rust en kan ver voorover leunen doordat hij aan het want is vastgebonden.

Handspaak De handspaak of kleine windboom is een staak welke in een kaapstander of windas wordt gestoken waartegen men in een rondlooptred duwde. Wanneer meerdere schepelingen tegelijk aan een langere spaak duwden om b.v. het anker te hieuwen, maar ook om schoten aan te halen of landvasten strak te zetten sprak men niet over handspaken maar over windbomen. Volgens Nicolaes Witsen hadden de spaken ongeveer de lengte van een koevoet. Hantspaeck: Een hout, niet ongelijck aen een yzere koevoet, daer men iets mede omzet, wint ofte verzet). Maar ja, wat was de lengte van een koevoet? Het WNT spreekt bij koevoet over een gebogen smeedijzeren handspaak, gewoonlijk 0,90 à 1,20 M. lang...
Verwant: kaapstander, handspaakslengte
Handysizer Zeevaart: Een handysizer is een middelgrote bulkcarrier met een DWT van 10.000 tot 40.000. In de wandeling wordt de kleinste Handy genoemd en de grootste Handymax. Een handysize vervoert stortgoederen als erts, kolen en granen, maar ook hout en cement. De schepen hebben meerdere cargoruimen en dekkranen en soms verzwaarde luikhoofden (voorzien van stanchions, zeg maar schoren) om ook nog deklast mee te kunnen nemen. Verwant: Capesizer.
Hanepoot Een touw of ketting met een splitsing in twee of meer poten. Moet tegenwoordig natuurlijk als haneNpoot geschreven worden. Een hanepoot wordt b.v. gebruikt als spruitstuk voor de ophanging van een gaffel. Een modernere versie is de draaiende hanepoot of galg, een ijzeren ophangbeugel aan een mastband waaraan het nokkevalblok hangt en kan meebewegen met de uitwaaierende gaffel, beter bekend als "de draaiende hanepoot van van Loon" (de uitvinder). Hanepoot was ook de benaming voor de gespreide touwbevestiging aan een logplankje. Zie ook dodemansoog.
Hanze
Eigenlijk betekende hanze "coöperatie van vakbroeders", een gilde dus. Bekender echter is het samenwerkingsverband van individuele kooplieden die op vergelijkbaar  gebied handel dreven en daarbij in verschillende havensteden als agent of verscheper voor elkaar konden optreden. Van de vele hanzen die er waren kwam er één tot zeer grote bloei, namelijk de Noordduitse Hanze, die in de 12de eeuw in het machtige Lübeck ontstond. Deze Hanze groeide uit tot een internationaal verbond van steden die voor elkaars handelsbelangen opkwamen en zelfs niet schroomden die te vuur en te zwaard te verdedigen. Daarmee demonstreerden de rijke kooplieden dat zij gaandeweg het monopolie van oorlog en geweld aan de ridderstand ontfutselden.
Ook Nederlandse kooplieden sloten zich aan bij de Duitse Hanze en legden daarmee de basis van wat zou uitgroeien tot de "moederhandel" van de 17de-eeuwse welvaart: de Oostzeehandel. Steden als Groningen, Harderwijk, Deventer en Zwolle dankten voor een belangrijk deel hun handel aan de Hanze. Kampen, dat omstreeks 1300 Utrechts centrale plaats als schakel tussen de rivier- en zeehandel had overgenomen, bevond zich evenals Stavoren in de comfortabele positie dat het naar eigen goeddunken met de Hanze kon mee doen; het verbond had Kampen harder nodig dan andersom. Een sleutelrol in de Hanze-handel speelde het Zweedse eiland Schonen, dat zijn welvaart dankte aan de vruchtbare haringvisserij. Schippers uit de Nederlanden werden geacht van de stapelmarkt van Schonen hun handel te betrekken, de Hanze-leden konden belangrijke Baltische waren als graan en hout direct ophalen in de grote Hanze-steden als Lübeck. Ondanks het samenwerkingsverband werd in de aangesloten steden toch pondgeld (belasting) geheven van binnenkomende schepen. Verwant: koggeschip.
Hardloper Oorspronkelijk een snelzeiler, maar in de moderne betekenis een snel varend binnenvaartuig. In het bijzonder werd de Franse motor bedoeld. Het voor die tijd lange motorschip voer in de vijftiger/zestiger jaren op Duitsland en had een kenmerkend geluid. De 480pk Enterprise motor gaf in een bepaalde cadans brrm, brrm, brrm. Als kind spelend aan de strandjes van de Merwede was het feest als een hardloper voorbij kwam. De schepen veroorzaakten massieve golven. Je waande je heel even aan zee...
Harense punt Hoewel van Duitse oorsprong [Haren aan de Eems] werd dit binnenscheepje veel gezien in Drente en Overijsel; men sprak beurtelings van Harense- of Eemspunt. Het was een lichtgebouwd houten kanaal-/rivierschip met een platte heve en een groot roerblad.
Haring

 

Als liefhebber van haring in al zijn bereidingsvormen: vers gebakken (panharing), heet gerookt (gestoomd) als bokking, bokkum, strobokking, goudharing of Harderwijker, licht gerookt als bakbokking, of koudgerookt als kipper, harde Engelse- of spekbokking en oh ja, ook ingelegd als braadharing in 't zuur of ingeblikt in saus, maar vooral als Hollandse Nieuwe, dit lange mopperstukje over het gebrek aan vakkennis bij de verkoop van Hollandse Nieuwe of maatjesharing.

panharing

bokking of Harderwijker

kipper of spekbokking

braadharing

Hollandse Nieuwe of maatjesharing. Zo ging het toen:
Vóór 1857 mocht de haringvangst pas op 24 juni beginnen omdat men oordeelde dat dan pas een goede kwaliteit geleverd kon worden. Tegenwoordig begint men veel eerder, maar de lekkerste haring is nog steeds de in de Noordzee gevangen Koninginneharing van tweede helft juni, drie jaar oud en nog net niet geslachtsrijp. Dat is eigenlijk de enige echte Hollandse Nieuwe. Het vetgehalte is dan het hoogst (minimaal 16%), want daarna, tegen paaitijd, stopt de haring met eten en gebruikt de reservestoffen voor de voortplanting. Tweejarige haring wordt halve haring of sprot genoemd.
Die Hollandse Nieuwe is vroege maatjesharing (verbastering van maagdelijk?), een naam die wordt gebruikt voor alle haring die is gevangen in de periode eind mei tot eind juli (soms tot midden augustus, afhankelijk van de plek in de Noordzee) en werd vroeger ook wel licht gezouten als groene haring verkocht. In andere jaargetijden gevangen haring, volle (met hom of kuit) werd en wordt zwaarder gezouten en als zoute haring verkocht. De ijle (na het kuitschieten) is alleen geschikt voor marineren. "Ylen zijn gendagzeggers. Waar ylen gevangen worden houdt de visscherij op" zeiden ze in Vlaardingen. Te vroege haring was ook niet goed: "Vis in maart is 't bakken niet waard". Haring was volksvoedsel nummer één. In de vijftiger jaren in Dordrecht, werd ik door moeder regelmatig op pad gestuurd om tien "vuile zoute" te kopen. De bremzoute haring werd een nachtje in water en melk gelegd om te ontzilten en daarna door haar schoongemaakt. In mijn herinnering niet bepaald een traktatie omdat menig graatje achterbleef. In juni/juli was het echter feest. Dan kwam de nieuwe/groene op tafel. Die was natuurlijk duurder en werd door de visboer bij aankoop schoongemaakt. Om met Toon Hermans te spreken "potverdories nog aan toe" wat was dat lekker. Het was ondenkbaar dat schoongemaakte haring al klaar lag.

Vroeger werd aan boord gekaakt. Wanneer de drijfnetten waren uitgeschut werd de haring in de krebbe geschept. Dat was een tegen de verschansing staande afscheiding van houten schotten van waaruit de haring werd gepakt om te kaken. De onderkaak (vandaar de naam kaken, hoewel de tonnen ook kaken werden genoemd), kieuwen, maag, galblaas, lever ('t gelletje) en het voorste deel van de darm en darminhoud (meet) worden met één draaiende beweging van het kaakmesje verwijderd. De "portieraanhangselen" mogen niet verwijderd worden, maar moeten met een dun vliesje aan het vislichaam verbonden blijven. Bij het kaken zonder handschoenen stroomde de bijtende meet (darminhoud) bij de kakers soms over de "vasthoudhand" (meestal links) en kon bij niet geharde handen vervelende huidonstekingen veroorzaken. Ze probeerden zich te wapenen met kamferspiritus en talkpoeder.
Daarna werd de vis licht gezouten, (het "warren", rondwentelen in een houten warbak met een warlepel of leutel zodat elk deel van de haring met zout in aanraking komt) en tussen lagen zout in tonnen verpakt. Dit pekelen kon weer pekelzweer geven, een huidaandoening met op steenpuisten gelijkende zweren, welke meestal begon met een mouwvreter, de wondjes aan de polsen door het schuren van de mouwranden van het harde oliegoed.
Enfin, na al dit gedoe maken de sappen uit de alvleesklier de haring uiteindelijk mals en smakelijk. Bij uitzondering werd aan wal gekaakt. De nog ongekaakte haring werd dan eerst aan boord gekuipt en alvast stevig gepekeld (steurharing).
Op school leerden we dat de uitvinding van het haringkaken wordt toegeschreven aan Willem Beukels. In 1312 wordt hij inderdaad als schepen vermeld in Biervliet, maar men gaat er tegenwoordig vanuit dat het kaken al veel langer bestond. Mogelijk was hij wel de uitvinder van het handige kaakmesje.

De Hollandse haringvleetvisserij bestaat niet meer. Dat ging als volgt: In de voornacht gaat de haring van de zeebodem naar iets hogere waterlagen om te foerageren, dat wil zeggen plankton te eten. In de hogere waterlaag aangekomen zwemt de haring met zijn kop in het net en blijft met zijn kieuwen achter de mazen hangen. In de nanacht gingen de vissers de vleet inhalen. Omdat het ondoenlijk was om de netten uit de diepte van de zee te halen met alleen maar mankracht maakte men gebruik van de reep. De reep was een dik touw dat zich of aan de bovenkant (bij een zinkvleet) of aan de onderkant (bij een drijfvleet) van het net bevond en eraan was bevestigd met een 'seizing' (touw) van enkele meters lang.
Verwant: afhouder, reepschieter.

Zuiderzeeharing (slabbe) was kleiner van stuk en niet geschikt om te kaken, maar leende zich weer prima voor de verwerking tot panharing of bokking door hem te roken. De haring werd vers aangevoerd om aan land schoongemaakt te worden. Daar werd de slabbe gegromd, d.w.z. schoongemaakt, gepekeld en met schoon water afgespoeld, waarna ze aan houten speten werden geregen voor de rokerij. De ruimte waarin dit gebeurde noemde men aan de Westwal de gromloods. De kleine scheepjes ter haringvangst op de zuiderzee werden, althans in de 17e eeuw, slabber(t) of slapbuis genoemd.


Hollandse Nieuwe of maatjesharing. Zo gaat het nu:
In licht gezouten haring kan helaas de larve van een nematode (Anisakis marina) in leven blijven en bij menselijke consumptie darmperforatie veroorzaken. Daarom wordt tegenwoordig de met de trawl gevangen haring alvorens te kaken eerst minimaal 24 uur bij een temperatuur van minstens -20º C  ingevroren om de larve te doden. Het vervelende is dat het late kaken van ontdooide vis het vette harinkje minder smakelijk maakt dan vroeger, omdat de "vuile vis" niet kan leegbloeden. Bovendien gebeurt het kaken in buitenlandse visfabrieken (Noorwegen 58%, Denemarken 38%) steeds vaker machinaal, waardoor ongewenste bloed- en velresten kunnen achterblijven en het harinkje een vieze smaak geven.
De visgronden van de Doggersbank zijn op een uitzondering na verleden tijd. Onze haring komt uit Denemarken, Noorwegen en de Oostzee en zelfs van onder Groenland en de Canadese kust. Hoe Noordelijker gevangen, hoe groter de scholen en hoe groter de soort. Koop nooit grote haring. Deze Atlantische soort is minder geschikt om te kaken (minder mals en geen fijne smaak), maar wordt toch enthousiast als maatjesharing verkocht. Wanneer je bij de term "nieuwe vangst" een Hollandse Nieuwe met verfijnde smaak denkt te hebben zal je bedrogen uitkomen.

Ook zijn er producenten, die de haring tijdens verwerking meerdere malen bevriezen en ontdooien. Een doodsteek voor smaak en stevigheid. Een supermarktharinkje, meestal uit het Noordelijk deel van de Atlantische Oceaan (de kop wordt ruim afgesneden waardoor het visje kleiner lijkt), waarvan de twee helften aan elkaar plakken heeft vrijwel zeker zo'n behandeling ondergaan en smaakt (als je geluk hebt) naar niets. De "te gebruiken tot" datum is onzin. Probeer maar eens een harinkje vlak voor die datum. Bacterieel zal het allemaal wel kloppen, maar bij opening van de verpakking kan je beter een knijper op je neus zetten en de smaakpapillen op nul zetten.

Op de Nederlandse vriestrawlers, het zijn er nog maar twee, de SCH22 en SCH23, wordt de haring wel direct aan boord gekaakt en daarna pas ingevroren. Dat is dus de enige echte Hollandse Nieuwe. De haring kan dan eerst zijn bloed kwijt. Jammer dat je niet weet hoe je harinkje behandeld is. Diep treurig is dat "kenners" beweren dat maatjesharing op de graat rood mag zijn. Zie de onsmakelijke foto. Het zal wel een nieuwe generatie wezen. Neem van mij aan dat een goed op Hollandse wijze gekaakt maatje van binnen geen enkele associatie met bloed mag vertonen. Het vlees van een malse haring moet blank zijn. Een visje met bloedresten is niet goed gekaakt en heeft een bittere smaak. Maar ja, als zelfs televisiekok Herman den Blijker op zijn hermandenblijker.nl beweert: "Een goede haring is frisrood bij de graat" kan ik me dat nauwelijks voorstellen. Bedoelt hij het rood van de harinkjes hiernaast? Het lijkt een verspreking, want verder geeft hij de goede tip: "Uitjes overheersen de subtiele haringsmaak en dienen eigenlijk om foute smaakjes te maskeren. Bij een goede haring valt er niets te verbergen".
N.B. Vanaf eind 2013 varen deze laatste twee Nederlandse trawlers onder Engelse vlag. Ze mogen dan ook legaal in de haringrijke Britse wateren vissen.

Waar vroeger de gesloten kantjes (toen zeshonderd tot duizend haringen) de gehele winter bewaard konden worden, kan dit nu alleen in diepgevroren toestand. Het is dus best mogelijk een redelijke Hollandse Nieuwe of iets minder vet maatje te krijgen uit een vaatje dat bij de groothandel al lange tijd in de diepvries staat, want het grote verpesten begint pas later. Vaak wordt het emmertje dagen voor verkoop versneld ontdooid, weliswaar gekoeld bewaard, maar dat helpt niet echt want boven nul is de oxidatie begonnen en weg is het lekkere maatje. Voor alle zekerheid volgt nu de definitieve doodsteek. De avond of ochtend vóór verkoop wordt de haring onder kamertemperatuur schoongemaakt, om daarna op grote, weldra weeïg ruikende bulten in de gekoelde vitrine geplaatst te worden. Jammer, de - laten we aannemen - goed gekaakte en niet te zwaar gepekelde haring is door oxidatie veranderd in een doorgerijpt bitter of olieachtig smakend vissie, of zoals Keurmeesters Martin Gouda en Aad Taal (2007) zeggen: "Stinkend naar een oude pisbak, ranzig, tranig en oneetbaar". Eet smakelijk..; het zou verboden moeten worden! Ontdooide haring is nauwelijks te bewaren en de schoongemaakte al helemaal niet. De smaak holt achteruit. De vakman weet dat. Een liefhebber weet het ook en koopt geen vooraf schoongemaakt spul. Er is maar één manier om een lekker harinkje te verkrijgen. Bij aankoop - uit de hooguit gisteren (dus niet drie of meer dagen terug) bij een temperatuur van onder de 7°C langzaam ontdooide emmer - terplekke schoongemaakt en direct genuttigd (nou ja, een uurtje later kan ook nog), waarbij natuurlijk geen graten of andere resten mogen achterblijven. Enfin, de haringtest van het Algemeen Dagblad ontmaskert telkenjare, maar het helpt niet...

Te veel "visdetaillisten" presenteren een maatje waaraan al het fijne, zilte en romige is verdwenen. Niet zelden wordt histamine aangetroffen, gewoon bedorven vis, hoewel dit natuurlijk door het Productschap Vis met klem tegengesproken wordt. Eerdergenoemd keurmeester Martin Gouda van het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek RIVO zegt: "Het gebrek aan vakkennis op dit punt is in de visbranche ronduit verbijsterend". De fastfoodconsument maakt het allemaal geen pest uit, hij weet niet beter en eet de met veel uien overdekte bagger toch wel. "Veel consumenten zijn net meeuwen, ze eten alles". Een ingezonden brief spreekt wat dat betreft boekdelen: "Haring is een natuurproduct, dus je hebt harde en zachte". Driewerf neen... Het is de "visdetaillist" die de voor een paar eurocent geveilde haring te lang en te warm laat liggen en dan als "zachte" voor 2.50 euro verkoopt.
In de AD-test van 2004 beweerde een handelaar uit Arnhem dat zijn klantenkring de "zachte" lekker vond en hijzelf ook. Wij houden namelijk van doorgerijpte zachte haring. Echte ijzervreters die Arnhemmers, want dat is de metalige bederfsmaak! Verder bleek in 2008 dat fancy namen als visspecialist, visshop, viscenter, vispaleis e.d. bijna altijd garant stonden voor onwelriekende op voorraad schoongemaakte haring. De verpeste delicatesse wordt met een vork uit de grote bak met plakkerige medeharinkjes gepeuterd en met een "uitje erbij?" verkocht. Hieronder wat voorbeelden van dat "vakmanschap" en de overheersende vraag: waarom wordt dit gekocht?
 

Uitje, zoetzuur en tomaatje.

Gedverdemme, frisrood op de graat?

Uitje erbij?

Een goede tip van de keurmeesters: koop nooit voor 11.00u een haring die niet terplekke wordt schoongemaakt. De kans is groot dat je een overgebleven exemplaar van de vorige dag in de maag gesplitst krijgt. Ga het liefst naar een zaak met grote omzet, zodat je er van uit kan gaan dat het emmertjes niet al dagen ontdooid klaar staat, want dan helpen kreten als "malse haring" en "vers van het mes" ook niet meer. Helaas blijft de aankoop van een goed harinkje een gok. Je moet een vakman treffen die niet alleen correct ontdooit en goed schoonmaakt, maar ook deskundig inkoopt. De haring moet op het juiste tijdstip gevangen zijn. De haring moet niet van het grote Noordelijke type zijn en moet bovendien goed gekaakt zijn. Eerst kaken en dan vriezen. (gebeurt slechts op de twee eerder genoemde trawlers). De AD-haringtest van 2011 leverde een trotse Scheveningse winnaar op die twee jaar daarvoor nog een nul scoorde. Hij besloot onmiddellijk van leverancier te veranderen en ging in zee met Groothandel Alantic. Het resultaat mocht er zijn..Toch raar. Zou hij zijn handel nooit zelf geproefd hebben? In 2015 was hij weer winnaar.

Bron o.a.: de jaarlijks terugkerende AD haringtest.
Verwant: paling, kibbeling, makreel, garnaal, pangasius.

Haringboot Vanaf het begin van de 18e eeuw tot de afsluiting van de Zuiderzee was er in Friesland een haringboot (Harlinger fuikenboot) voor de haring- en ansjovisvangst. In Holland wel korver genoemd. De laatste liep van stapel in 1935. Het type was sterk verwant aan de punter en had een lengte van 6,5 tot 7.10 m bij een breedte van 1 tot 1,25 m. De hearring(e)boat, séboat of fiskersboat was een platboomd vaartuig met rechte hellende scherpe stevens.
Harpuis
Wat een heerlijk ouderwets woord, waarschijnlijk afgeleid van het Oudfranse harpois. Harpuis is gebaseerd op gele of vaalwitte hars, door Cornelis va Yk omschreven als "een vogt of gum dat in Vrankrijk uit Pijnbomen vloeit en in schijven welkers gewigt gemeenlijk tusschen de 120 en 180 ponden is, aan ons word toegezonden". Schippers maakten het zelf door een pond hars in een liter kokende lijnolie op te lossen. Voor kleur en glans werd zwavel (solpher) toegevoegd, alsmede vet om het bros verharden tegen te gaan. Sommige publicaties spreken van alleen gekookte hars met zwavel of terpentijn, maar ook van hars, zwavel en kalk. Vroeger tijdens de botteelt moesten de schepen om de 4 à 5 weken hellingen om het aangegroeide onderwaterschip te ontdoen van doorns. Na het afschrapen werd het onderwaterschip met riet afgebrand (geblaakt) en met de loet (spaanse bezem) geschrobt, om tot slot in de teer of een mengsel van pek en talk tegen paalworm gezet te worden. Het bovenwaterschip (dooddeel) werd in de harpuis gezet, een werkje dat wel pajen (paaien) genoemd werd. De harpuiskwasten waren gemaakt van drom of dreum, de afsnijdsels na het weven van laken [vL]. De stichting botterbehoud werkt nog steeds met harpuis. Niet te verwarren met harpluis dat breeuwtouw is.
Haspel In de binnenvaart een andere benaming voor stuurrad of stuurwiel. Afkomstig uit de Rijnvaart, waar de sleepschepen een geweldig groot stuurrad (afb: scheepvaartforum) en roer hadden. Aanvankelijk lagen die van spaken voorzien haspels plat, later verticaal en werden dan soms voorzien van een inklapbare knop (slingerpen) om sneller rond te kunnen draaien.
Verwant: stuurwiel.
Haven De definitie voor een haven is: "Een natuurlijke of aangelegde veilige ligplaats voor schepen". In 1970 gaf de Maritieme Encyclopedie de volgende opsomming naar soort of bestemming. De meeste benamingen spreken voor zich:
- Bunkerhaven (brandstof inname)
- Containerhaven
- Graan- en/of ertshaven
- Houthaven
- Industriehaven
- Insteekhaven (b.v. bij een fabriek)
- Jachthaven
- Noodhaven
- Olie- of petroleumhaven
- Oorlogs- of marinehaven
- Stukgoedhaven
- Visserijhaven
- Vloedhaven (onbereikbaar bij eb)
- Vluchthaven (volgens BPR 9.03 mag er max. drie dagen ligplaats worden genomen)
- Vrijhaven (geen douane)
- Wachthaven
- Wereldhaven (denk aan Rotterdam)
- Werkhaven (zie BPR 9.03)
Havengeld In vrijwel elke plaats in Nederland moet havengeld betaald worden om aan kade of steiger te overnachten. Dat is vanwege de voorzieningen niet onredelijk. Na 16.00u komt de havenmeester om het overnachtinggeld te innen. Jammer dat veel gemeenten per persoon ook nog toeristenbelasting in rekening brengen, terwijl het bezoek de plaatselijke middenstand en horeca juist ten goede komt.
Maar het kan erger.
Op Urk en naar mijn weten ook in Volendam (mogelijk ook andere plaatsen) moeten passanten zelfs voor dagbezoek van een paar uur betalen. Een Urk-bezoeker die dit overkwam vertelde dat op de nota bovendien toeristenbelasting in rekening was gebracht.
En ik maar denken dat dit melkkoetje alleen voor overnachtingen ingezet mocht worden.
Hek Achterzijde van het schip boven de achtersteven. In oorspronkelijke betekenis de achterste afsluiting van de romp door een schot dat aan de bovenzijde vaak was afgewerkt met een kunstig in verschillende vorm uitgehakt hekbord of hakkebord, waaraan men bevriende schepen al van verre herkende.
Verwant: scheepssier.
Hekboot Midden 17e eeuw was de hekboot in zwang. Het was een soort fluitschip, maar langer en voor en achter breed met een kleine platte maar hoge spiegel, dit om veel vracht te kunnen vervoeren. Nicolaes Witsen sprak over een mengvorm met als onderschip de kenmerken van een fluit en de bovenbouw van een pinas.
Hekgolf De hekgolf is een golf, die een varend schip bij het achterschip (hek) opwekt. Bij het voorschip wordt het water als boeggolf opgestuwd en zal zich grotendeels naar achteren een uitweg langs het schip zoeken om de groef, die het schip als het ware in het water maakt, op te vullen. De opstuwing bij de boeg brengt snelheidsvermindering van het water ten opzichte van de romp en drukverhoging met zich mede (wet van Bernoulli). Het naar achter stromende water veroorzaakt langs het schip snelheidsvermeerdering ten opzichte van de romp en drukverlaging aldaar. Zodra de scheepsvorm bij het achterschip scherper wordt, wordt de ruimte voor het toestromende water groter. Dit gaat gepaard met snelheidsvermindering en drukverhoging. Door de drukverhoging gaat de waterspiegel omhoog en ontstaat de hekgolf. Bij stormachtig weer op groot water kan de hekgolf gevaarlijk worden wanneer hij samenvalt met achteroplopende golven. Dit kan worden voorkomen door vaart te minderen of (bij snelle vaartuigen) de snelheid zo te regelen dat men op de golftop blijft varen. De hekgolf wordt wat steilheid en hoogte betreft zeer beïnvloed door de diepte van het vaarwater. Er is een bepaalde verhouding tussen de optimale snelheid en de waterdiepte [ME]. Iedere pleziervaarder weet dat te hard varen in ondiep water het schip naar beneden zuigt en een hekgolf veroorzaakt die het schip inhaalt en praktisch onbestuurbaar maakt.
Verwant: kielzog, oplopen, squat.
Hekschroef Hier wordt geen hekdrive of schottel bedoeld. Een hekschroef is uitgevoerd als een boegschroef, maar dan gemonteerd onder, of achter het achterschip. Mijn stelling is dat elk motorschip (pleziervaart) een hekschroef heeft, n.l. de voortstuwing. Het is echt te dol voor woorden dat daarnaast een aparte schroef  wordt geplaatst voor zijdelingse stuwkracht.  Alsof je bij maximale roeruitslag geen zijdelingse stuwkracht hebt. Toegegeven: het manoeuvreren met boeg- en hekschroef is een fluitje van een cent, maar of je daarmee begrijpt hoe een vaartuig zich gedraagt is een ander verhaal. Ach wat zeur ik. Net als bij sommige auto's bestaat er voor duurdere pleziervaartuigen zelfs al een "parkeerassistent".
Hellingen
Als werkwoord: de boot op de wal of in het water brengen. Langsscheeps- en dwarsscheepshellingen. Langshellingen werden toegepast voor korte schepen en aan water waarvan het peil nagenoeg constant was, dwarshellingen voor lange schepen en aan water waarvan de waterstand veranderlijk was, zoals rivieren en getijdewater. Het was bekend dat geklonken schepen van meer dan vierhonderd ton na een keer of drie "dokken" op een langshelling uit hun verband getrokken waren. Nieuwbouw van grote schepen gebeurde echter wel op langshellingen, waarbij het de gewoonte was om houten schepen over de voorsteven te water te laten. Petrejus schrijft in "Nederlandse zeilschepen in de 19e eeuw" dat men hiertoe overging vanwege de ondiepte van het water bij de meeste Nederlandse werven. Het voorschip was meestal voller dan het achterschip en dreef dus eerder op. Tegenwoordig worden voor de pleziervaart meest hef- of portaalkranen gebruikt. Langshellingen bestaan eigenlijk alleen nog als trailerhelling. Zie ook Trailerhellingen in Nederland per plaats of vaarweg.
Helmstok De stok of hendel die aan het roer is bevestigd om ermee te kunnen sturen. Steekt door of over de roerkoning, waarvan de kop klik of helm wordt genoemd. In het Engels heet een roerganger dan ook helmsman. Als de helmstok fraai bewerkt en gevormd is zoals bijvoorbeeld bij een tjalk, spreekt men van helmhout en als het helmhout fors en zwaar is uitgevoerd wordt het dwarsscheeps ondersteund door een hennebalk of luiwagen. Soms wordt gebruik gemaakt van het handige stuurboogje. Dat is een dwarsscheepse ijzeren/stalen strip met gaten waarin een stuurpen (kannagel of knecht) kan worden gestoken om de helmstok in een bepaalde roerstand vast te zetten. Bij zware zeetjalken hebben nogal wat schippers letsel opgelopen omdat ze knijp kwamen tussen het helmhout en bolderkast of lier. Dit gevaar ontstond vooral bij het wegvallen of afnemen van harde wind. Door de deining met lange massieve golven die dan nog een tijd doorstaat is het grote roer moeilijk in bedwang te houden. Het helmhout wordt uit handen gerukt of erger. Om de krachten te dempen werd een stuurtalie aan loefzijde aangebracht of om nog meer demping te krijgen een stoottalie aan weerszijden [FH]. Verwant: kolderstok, talie.

stuurtalie aan loefzijde

stoottalie met meer demping
Hemelboender
Versiering boven scheerhout en wimpel bij vissersschepen van de Zuiderzee. Het scheerhout is het draaibare gedeelte op de mast  waaraan de wimpel bevestigd wordt. Daarboven kon een hemelboender of mastwortel geplaatst worden om de mast te beschermen tegen inwateren. De hemelboender op Zuiderzeeschepen bestond uit één of twee houten bolletjes met daarop een naald met ook tot een bolletje ineengedraaide zwarte sajet. Op andere binnenvaarders, jachten en vissersschepen kwamen mastwortels in een grote variëteit voor, meestal kunstig versierd en in geledingen uit één lengte gesneden. Sommige krom, andere recht [Zeeland: trommelstok]. Scheerhout, wimpel [vleugel, indien gespleten] en mastwortel samen noemde men een tuigje.
Hengst De hengst was net als de hoogaars een vissersscheepje voor de Zuid-Hollandse en Zeeuwse wateren. De hengst heeft een steilere voorsteven, een recht roer, en een berghout dat vanaf de voorsteven niet verder loopt dan de zwaarden. Er zijn publicaties die vermelden dat de naam te maken zou kunnen hebben met het dorpje Hengstdijk, hoewel hengsten in het begin van de 18e eeuw al in Kinderdijk gebouwd werden en pas in de 19e eeuw voornamelijk in Zeeuws Vlaanderen.
Hennegatskoker De hennegatskoker dankt haar naam aan het hennegat, in oorsprong de driehoekige opening in de hekverschansing van b.v. een staatsietjalk waar doorheen het helmhout steekt. De basis van de driehoek bepaalt de roeruitslag in tegenstelling tot een draai-over-boord. Heeft hennegat te maken met een kippe(n)kont? Lees binnenvaarttaal.
De hennegats- of hennekoker is de waterdichte koker voor doorvoer van de roerkoning. Meestal vetgesmeerd. De koker steekt door een opening in de scheepshuid. Rond dat hennegat wordt een hoefijzervormig plaat aangebracht, de schaamplaat, om opslaand water te voorkomen [Me6]. Wanneer sprake is van een aangehangen roer waarvan de korte roerarm (lever, liever) door een opening in het hek gaat wordt die opening eveneens hennegat genoemd en soms zo goed mogelijk dichtgemaakt met een lederen of rubber slab, de schaamlap.
Herft Zie tabernakel.
Herna De Herna werd in België Mingnole (Minjol) genoemd. Het was een vrachtaakje voor de Maasvaart en Belgische kanalen gelijkend op de keen, die echter op de Rijn thuishoorde. Herna's werden gebouwd van hout, soms hout met een ijzeren vlak, en later volledig van ijzer. De kop en het achterschip van een houten herna waren met ijzeren banden beslagen.
Heude De heude was een rondgebouwde platboomd vracht- en veerscheepje voor de binnenvaart en kleine kustvaart en kan als voorloper van de tjalk worden beschouwd.
Heve
Het vlak is tot ver boven de waterlijn omhooggebogen, waardoor een karakteristieke steven ontstaat. O.a bij de Zeeuwse schouw en hevelaken als hagenaar, hasselteraak en keen. Op het plaatje boven een keen en onder een Harense punt met rechte platte heve, waarbij het jaagpaard gemakkelijk aan wal of aan boord gebracht kon worden.
Heijnst De heijnst, waarvan G. Groenewegen een tekening/ets maakte was een vroeg vissersscheepje voor de Zuid-Hollandse en Zeeuwse wateren. Het had een sierlijk roer en een vaste ingebouwde visbun.
HIN-code
HIN staat voor Hull Identification Number en is inmiddels vervangen door CIN (Craft Identification Number).
Hobbelschuit De hobbelschuit werd in Amsterdamse grachten en rakken gebruikt. Het was een open onbewegerd houten schuitje, dat geroeid, gewrikt of geboomd werd. De visboer gebruikte het bootje tot in de 20e eeuw om vanuit een grote open bun levende vis uit te venten, maar op het IJ werd ook vis van de Volendammers overgenomen voor de viskuipen aan de Gelderse kade. Hij was meestal vergezeld van een hobbeljongen, wiens taak het was om het bootje regelmatig in een schommelende beweging te brengen voor zuurstoftoevoer in het brakke grachtenwater.
Hoeker Oud type zeevaarder, maar ook een vissersschip.
Hoge(r)wal De kant van het vaarwater waar de wind vandaan komt. Ook wel als: opperwal.
Hollandse boot De Hollandse boot is een platboomd schippersbootje (lengte tot 6m) van het type aak, als bijboot van binnenschepen maar ook als werkboot, veerboot en vissersvaartuig voor de rivieren. Het bootje kon meestal ook gezeild worden en werd dan getuigd met een spriettuig en voorzien van zwaarden en een roer.
Hollandse Nieuwe Hollandse Nieuwe, een kwaliteitsharinkje dat in de periode juni - augustus is gevangen. Kwaliteit is helaas niet altijd van toepassing. Zie haring.
Homokineet
Een homokinetische koppeling is bedoeld om de hoek tussen schroefas en flexibel opgestelde voortstuwing (motor en keerkoppeling) te overbruggen. Door de uitgekiende constructie zal weinig lawaai en trilling optreden. Als voortstuwing en schroefas echter in lijn staan kan je beter geen homokineet toepassen omdat door het steeds in dezelfde baan draaien snelle slijtage aan de kogels zal ontstaan. Verder kan een homokinetische verbinding geen axiale kracht verwerken, zodat tevens een stuwdruklager moet worden toegepast dat overigens door de meeste fabrikanten al is ingebouwd. Indien bij een rechtlijnige opstelling i.v.m. trillingslawaai toch een homokineet wordt overwogen dient de motoropstelling dus bewust "uit lijn" gehaald te worden. Een ingezonden brief naar "Technisch advies" van het maandblad Motorboot van oktober 2007 vertelt over een nieuw schip dat na 300 vaaruren al aan de 4e homokineet toe was. Het maandblad ging m.i. terecht uit van een montagefout, maar gaf een voor leken moeilijk te begrijpen antwoord: "Zo is er bijvoorbeeld een minimale te overbruggen hoek (het smerend zetten) en ook een maximale, waarbij beide gewrichten een gelijk deel moeten overbruggen. (Als u op de beide flenzen van de homokineet een rij houdt, moet het snijpunt precies halverwege het tussenasje liggen.) Verder moet er een bepaalde horizontale ruimte zijn op het tussenasje, zodat er nooit stuwdruk op de kogelgewrichten van de homokineten kan komen". De technisch adviseur bedoelt dus dat een homokineet geen rechtlijnige opstelling verdraagt en voldoende ruimte tussen keerkoppeling en schroefas moet hebben.
Hondekooi Hondekooi was de aanduiding van de slaapplaats (kooi) aan boord van zeiljachten in het achterste verhoogde deel van de kajuit, dat zelf hondehok heette. De kooi ligt zodanig dat het voeteneind onder het gangboord of de kuipbank doorloopt.
Hondsvot Zie blok.
Hoogaars De hoogaars is een Zeeuwse platbodem met smal vlak en spitse stevens, waarvan de voorsteven lang, recht en zeer schuin naar voren loopt. De naam zou komen van de hoog uit het water liggende boeg.
Hoogteschaal

Geel/zwarte peilschaal bij bruggen, die niet de waterstand maar de doorvaarthoogte t.o.v. het waterpeil aangeeft. De schaal dient aan onderzijde te worden afgelezen en geeft de brughoogte / doorvaarthoogte in meters weer. Elk metervlak (afwisselend geel en zwart) toont ter linkerzijde vier streepjes en op elke halve meter een blokje in contrakleur om de schaal op afstand te kunnen lezen en als groot schip bijtijds te kunnen afstoppen. Voor zover bekend voldoet deze aanduiding uitstekend. Nu ook elektronisch. Zie het bord aan het kanaal door Zuid-Beveland. Het staat nogal ver weg aan de overzijde van het fietspad, maar hopelijk toch duidelijk. Foto uit 2017 van gebruiker Wim van het kustvaartforum.

Blauw/witte peilschalen geven de waterstand t.o.v. NAP aan, het zogenaamde KP (kanaalpeil). Als zo'n peilschaal een afwijking geeft t.o.v. de waterkaart zal je voor de doorvaarthoogte van bruggen een rekensommetje moeten maken. Zie kanaalpeil.

Hout Klik voor wetenswaardigheden van hout als grondstof in de vroegere scheepsbouw.
Hieronder een opsomming van de meest gebruikte houtsoorten in jachtbouw en restauratie:
- Afroteak (afrormosia).
Hard en taai als teak, maar is geen teak. Geschikt voor dekbetimmering en interieurafwerking. Werd vroeger vanwege zijn hardheid ook toegepast voor kieldelen en huidbetimmering.
- Afzelia
Harde houtsoort met zeer fijne nerf. Wordt veel toegepast bij binnenbetimmeringen, omdat het goed te buigen is en niet makkelijk scheurt.
- Azijnhout
Azijnhout komt van de steeneik en heeft niets te maken met azijn, maar is waarschijnlijk een een naamsverbastering van het Portugese azinheira. Soms zelfs azijnzuurhout genoemd. De kleur van het kernhout is lichtbruin tot bruin, overeenkomstig andere eikesoorten, soms ook donkerder tot bruinzwart. Het lichter gekleurde spint is niet duidelijk te onderscheiden van het kernhout. Kwartiers gezaagd vertoont azijnhout net als alle andere eikesoorten lichtgekleurde spiegels door de stralen die bijzonder hoog zijn en daardoor erg opvallen. Groeiringen zijn weinig opvallend. Het hout is dicht, hard, zeer sterk en moeilijk te splijten houtsoort met zeer fijne nerf. Wordt veel toegepast bij binnenbetimmeringen, omdat het goed te buigen is en niet makkelijk scheurt.
- Beuken
Harde, gemakkelijk te splijten houtsoort. Trekt en krimpt zeer, daardoor alleen toepasbaar in kleine stukken. Bleekbruin van kleur. Het langshout vertoont sterk kronkelende mergstralen, waardoor glanzende spiegels of kleine bruine strepen ontstaan, waaraan beukenhout direct te herkennnen is. Het wordt gebruikt voor het vervaardigen van blokken en gereedschappen.
- Eiken
Ideaal voor het aftimmeren van casco's, helaas kostbaar en niet in alle gewenste maten verkrijgbaar. Geschikt voor dekken, huidgangen en interieurbetimmering, zeer goed te verwerken en makkelijk te buigen. Het lichtgetinte eikenhout uit het spintgedeelte van de stam is zeer gevoelig voor rotting en moet niet worden gebruikt. Tot het eikenhout behoort ook azijnhout, een keiharde houtsoort voor b.v. de wangen van blokken. Naar men beweert is de naam een verbastering van bois de chêne.
- Essen
Zeer taai hout, witgeel van kleur, bijzonder geschikt voor het vervaardigen van ronde delen als helmstok, handrelingen, sloepriemen, handspaken e.d.
- Grenen
Afkomstig van de pijnboom of grove spar en zeer geschikt voor de basisbetimmering, ook leent het zich goed voor het maken van masten. Amerikaans grenen werd veel gebruikt voor spanten van houten schepen. Europees grenen, dat iets donkerder van kleur is moet voor het schilderen worden ontvet.
- Hechthout
Een kwaliteitsaanduiding voor watervast en weerbestendig tri-multiplex waarvan alle lagen uit dezelfde houtsoort bestaan. Zeer geschikt voor constructie- en (kajuit)vloerdelen.
- Iepen- of Olmenhout
Taaie tamelijk harde houtsoort met weinig trek en krimp. Enigszins roodachtig bruin van kleur. Evenals beukenhout gebruikt voor blokken.
- Iroko
Zeer harde houtsoort, die wel misleidend als Afrikaans teak of iroko-teak op de markt werd gebracht. Ongeschikt als goedkoper alternatief voor een teakdek. Het hout is droger, warriger en harder en kan blank geschuurd geen grote temperatuurswisselingen en vochtigheidsverschillen verwerken. Het gaat trekken en scheuren. Goed in de verf of vernis daarentegen is het een prima houtsoort en wordt wel voor houten casco's gebruikt.
- Lorkenhout
Afkomstig van de Larix (lorkenboom). Eigenschappen als grenen, doch taaier en harder. Wordt weinig toegepast.
- Mahonie
Wordt in de jachtbouw zeer veel toegepast, het hout heeft een zeer warrige nerf, waardoor het alleen met uiterst scherp gereedschap goed is te verwerken. Het hout gaat makkelijk werken, bij constructie moet hiermee rekening worden gehouden.
- Notenhout
Afkomstig van de walnootboom. Werd gebruikt voor beschieting en fijn meubelwerk in luxe hutten en salons. Dit gold ook voor verder niet genoemde soorten als palmhout, ebbenhout en palissanderhout. Nu nog in restauratiewerk.
- Paardenvlees
Harde, goed splijtvaste houtsoort met fijne structuur die vroeger veel uit Suriname werd ingevoerd onder de meer gebruikelijke naam bolletrie. Wetenschappelijke naam Manilkara bidentata, de boom behoort tot de familie Sapotaceae. Het hout heeft een roodachtig geelbruine kleur, maar vers gekapt vleeskleurig, vandaar de naam. De tegenwoordige handelsnaam is Massaranduba. Werd met name gebruikt voor korvijnagels en blokschijven.
- Parana pine
Redelijk goedkope houtsoort, die aan boord van zelf afgetimmerde jachten vaak als bekleding van plafonds en wandjes wordt toegepast. Het trekt nogal makkelijk krom of scheluw en heeft een zeer grote lengtekrimp.
- Pokhout
Buitengewoon harde, vettige en duurzame houtsoort van de pokhoutboom (Guaiacum officinale). De kleur is groenbruin tot zwart met soms gelige strepen. Werd gebruikt voor blokken en vingerlingen. Ook als zeer slijtvaste lagerblokken van schroefaskokers en als pakking voor de roerkoning. Het hout zinkt in water. De benaming pok heeft te maken met de Spaanse pokken, zoals syfillis in 16e en 17e eeuw werd genoemd. Een tinctuur van dit hout zou de pokken kunnen genezen. In Duitsland werd syfillis Franse ziekte genoemd en de "genezende" houtsoort dus Franzosenholz.
- Redwood
Zeer geschikt voor de jachtbouw. Het heeft maar weinig krimp en heeft geen neiging tot kromtrekken.
- Spruce
Lichte, vaste en taaie houtsoort. Wordt gebruikt voor constructiedelen en voor rondhout.
- Teak
Een van de meest duurzame en daardoor kostbaarste houtsoorten. Nadere beschrijving bij teak.
- Vuren
Afkomsig van de fijne den of fijne spar. Zachte goedkope houtsoort, die makkelijk scheurt en zeer goed gekonserveerd moet worden. Het is eigenlijk ongeschikt aan boord van schepen maar wordt daar gezien de makkelijke verkrijgbaarheid en lage prijs toch voor allerlei niet in zicht komende toepassingen gebruikt. Bezwaar is dan dat rotting niet wordt waargenomen en onderhoud lastig is door de moeilijke bereikbaarheid.
- IJzerhout
Oude benaming voor diverse hardhoutsoorten, in het bijzonder voor pokhout.
Bronnen: "Ik bouw zelf een casco af" en "Scheepsbouw".
Hulk Het woord hulk werd gebruikt voor een log middeleeuws vrachtschip. De stevens zijn gekromd. De kleine kogge en grotere nef werden in de 14e en 15e eeuw geleidelijk aan vervangen door de bredere hulk of holk, nog steeds overnaads gebouwd, maar met meer laadcapaciteit en een wat rondere bodem. Witsen vertelt dat de naam hulk ook werd gebruikt als aanduiding voor de grootste van de schepen (ongeacht type) "welke naar verre landen voeren". In Engeland had hulk dezelfde betekenis, maar dan voor opgelegde schepen. Dat waren grote vrachtschepen die hun tijd hadden uitgediend en in de Thames lagen weg te rotten, maar nog wel dreven. Deze pontons werden gebruikt als gevangenis en dienden vanaf 1787 als verzamelpunt voor deportatie naar Australië.
Hulp bij afmeren
Herkenbaar... Je komt aanvaren bij een druk bezochte ligplaats en ziet dat uit de daar liggende schepen enthousiaste watersporters naar buiten springen om een handje te helpen, of en dat is veel erger, een willekeurige wandelaar schiet te hulp om een lijntje op te vangen. Het lijkt een ideale situatie, maar niets is minder waar. De goedbedoelde hulp loopt meestal uit op een trekwedstrijd waardoor de schipper (van een klein schip) zijn controle volledig verliest. Als je hulp biedt bij afmeren doe het dan op de juiste manier. Vang het (hopelijk goed toegeworpen) lijntje en houdt het alleen maar vast. Dit heet "waarnemen".
Laat de schipper het afmeerwerk doen en vaam de lijn rustig zonder spanning in totdat het schip voor de wal ligt en maak dan provisorisch vast met bijvoorbeeld een halve steek of een slippende halve steek (met één ruk los, zie plaatje). De schipper maakt dit zelf wel af en zal je dankbaar zijn. Slechts als de afmeermanoeuvre fout gaat en het liefst pas nadat de schipper dit aangeeft kan getrokken worden. In Waterkampioen nr 7 van 2000 beklaagde een huurschipper zich erover dat zijn aangeboden hulp door "ervaren" schippers soms werd afgewezen. Hier dus het waarom...
Verwant: afmeren, klens.
Hulploon Watersporters helpen elkaar zonder dat daar een vergoeding tegenover staat. Bij een sleepje naar de dichtstbijzijnde haven zal de onfortuinlijke schipper zijn hulpverlener meestal wel een aardigheidje aanbieden, flesje drank o.i.d., maar dit hoeft niet! Het Wetboek van Koophandel (art. 785) zegt hierover: "Hulpeloosheid van het geassisteerde vaartuig geeft assisterenden geen recht op hulploon". Hulploon is pas verschuldigd wanneer het geholpen schip en opvarenden in gevaar hebben verkeerd: "De schipper is verplicht andere schepen die in gevaar zijn hulp te bieden, behalve als zijn eigen schip daardoor in gevaar komt". Hulploon is uiteraard ook verschuldigd wanneer hulp van een commerciële sleepdienst werd ingeroepen.
Hunten
Hunten is vakjargon voor het "niet lekker" (wijfelend) stationair lopen van een dieselmotor. De motor vertoont een wisselend toerental met af en toe de neiging af te slaan. Lastig bij het "in z'n werk" zetten en bij krappe manoeuvres met voor- en achteruitslaan. Het filmpje (linker kolom) van de huntende werkspoordiesel van ex betonningsvaartuig "Zaandam" laat het probleem zien en horen. Met dank aan zeeman "Edje".
Mogelijke oorzaken bij: motor heeft wisselend toerental en motor slaat af.
Hybride Hybride is de benaming voor een kruisingsproduct. Bij boten gaat het dan om vermenging van gestalte c.q. type (zie b.v. "klipper met paardekont") of in modernere zin het toepassen van samengestelde aandrijving of een keuze daar in. Bijvoorbeeld een electrische motor en een verbrandingsmotor.
Hydraulische besturing Zie dubbele besturing en ontluchten hydraulische besturing.
Hydrofoil De benaming van een draagvelugelboot. De boot verheft zich op ‘foils’ (draagvleugels) uit het water. Maar ook de benaming voor een driehoekige stabilistieplaat die op de cavitatieplaat van een buitenboordmotor of hekdrive wordt gemonteerd. Als de boot snelheid ontwikkeld zal onder de hydrofoil (net als bij een vliegtuigvleugel) druk worden opgebouwd waardoor de achterzijde van de boot omhoog wordt geduwd en de boeg dus naar beneden. Bij lagere snelheden zal de boot vlakker in het water liggen waardoor minder hekgolven ontstaan en in het geval van een speedboot sneller in planee komen, waarbij het niet meer nodig is om gewicht naar voren te verplaatsen.
Verwant: aquaskipper.
Hydrofoor Een systeem waarbij drinkwater aan boord met een min of meer constante druk uit de kraan komt. De waterpomp vult een expansievat met water. De in het vat aanwezige lucht wordt samengeperst tot een bepaalde druk waardoor de pomp afslaat. Bij het openen van de kraan perst de luchtdruk het water naar buiten. Zodra de druk beneden een bepaalde waarde komt slaat de pomp automatisch aan en het vat wordt weer aangevuld, de druk weer opgebouwd enz.

 

  A     B     C     D     E     F     G     H     I     J     K     L     M     N     O     P     Q     R     S     T     U     V     W     X     Y     Z  

Heel graag op- of aanmerkingen
.

Op alle materiaal (layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke toestemming.

Mocht je ondanks alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.

verantwoording