Hé, dat wist ik niet...

Tips en wetenswaardigheden
Gebruik het vaartips-zoekveld wanneer je iets niet kunt vinden.
Geen zoekveld? Klik dan op het huisje (home) rechtsboven.

N

Nagel
(spijker)

Oude timmerlieden en huidige restaurateurs van houtbouw kennen ze wel, de gesmede nagels of spijkers. Ze duiden hetzelfde aan. Ze zijn van ijzer, roodkoper, of zink. Er zijn ook houten nagels, maar die worden geen spijker genoemd. Een houten nagel is een licht taps toelopende pen van meestal taai grenenhout - liefst het hout van oude teervaten -, die gebruikt werd om de stroken van het vlak en de gangen van het boord op de spanten te bevestigen. Als de nagel (trunnel) ingedreven was, werd in een van tevoren gezaagde spleet een grenen of eikenhouten spie, ark of deutel geslagen om de pen in het gat op te sluiten. Een methode om overnaadse gangen aan elkaar te zetten was het gebruik van naainagels (zie afbeelding). Deze gesmede nagels hadden een platte punt, die aan de binnenzijde werd teruggeslagen in het hout.
Timmerspijkers:
Timmerspijkers werden vroeger benoemd naar het gewicht van 1000 stuks in ponden (500 gram). Zo waren tienponders, 1000 in tien pond en halfponders, 1000 in een half pond. Ze hadden over het algemeen een kleine kop in de vorm van een afgeknotte vierhoekige pyramide en een vierkant lichaam waarvan de punt op 1/3 van de lengte plat en aan de punt enigszins driehoekig geslagen was.
Dekspijkers werden gebruikt om dekken te spijkeren. Ze hadden een kleine, ronde licht gebogen bolle kop en een vierkant lichaam met platte punt. Zoldernagels of dertigponders hadden een kleine pyramidevormige kop en een vierkant lichaam dat in boorpunt spits toeliep. Varianten van dit soort waren drielingen of heknagels, ook vijftienponders genoemd, bandnagels of twintigponders, lasijzers of tienponders, hele schotspijkers of vijfponders, halve schotspijkers of drieponders en duikers.
Om ijzeren banden of platen te bevestigen of in het algemeen iets vast te hechten werden platkoppen (mamieringsspijkers)en klamp- of knaapspijkers gebruikt. Deze laatsten hadden een grotere pyramidevormige kop, een vierkant lichaam en een korte platte beitelvormige punt. Ze werden dwars op de houtdraad ingedreven, waarbij de beitelvorm zorgde dat de nerf werd doorgesneden, i.p.v. gespleten of gescheurd. Verder nog papierspijkers waarmede mos- of huidpapier bevestigd werd, pompspijkers om leder aan pompzuigers vast te spijkeren en wissernagels waarmee de windsels van de wisser voor kanonloopreiniging aan de steel werden gespijkerd. Het ging dan om schapenhuid of varkenshaar op een essenhouten steel.
De meest gangbare soorten zijn hiermee genoemd.
Verwant: afteutelen, korvijnagel.
Nagelbank
Een plank met gaten waar korvijnagels inpassen. Nagelbanken bevinden zich aan de verschansing van een groot zeilschip en dienen om het lopend want vast te maken en het restant van de lijn keurig op te schieten. Rond de mast bevindt zich ook een nagelbank, maar heet dan mastbank of mastbeting.
NAP Normaal Amsterdams Peil. Een niveau- of referentievlak ten opzichte waarvan waterhoogten worden uitgedrukt. In opdracht van de Staten van Holland werd in 1624 "een zekere peyl" aan de Spaarndammer dijk en in Amsterdam aan de Nieuwe brugge gesteld. Later werd hieraan de naam "Stadspeil" gegeven en toen dit peil ook buiten Amsterdam meer en meer in gebruik kwam, ontstond geleidelijk de benaming AP. Uit dagelijkse metingen bleek dit peil 1,8 mm boven de gemiddelde zomervloedstand van het IJ te Amsterdam te liggen (in feite de toenmalige zeespiegel) en in 1684 werd dit stadspeil vastgelegd met behulp van ingemetselde peilstenen in Amsterdamse sluizen en voorzien van een groef aangevende Zeedijks Hooghte zijnde negen voet 5 duym boven Stadspeil. Twee eeuwen later in 1875 waren bij een nauwkeurigheidswaterpassing (mooi scrabbelwoord) in Amsterdam nog vijf dijkpeilstenen over, die vrijwel dezelfde hoogte aangaven en werd het AP vastgelegd op 2,67689 m (dat is die 9 voet en 5 duim) beneden het gemiddelde daarvan. Deze hoogte werd overgebracht naar merktekens over het gehele land en wordt sindsdien Normaal Amsterdams Peil genoemd. Later werden nogmaals controlepeilingen uitgevoerd. Alle peilmerken van het NAP zijn te vinden in een register, dat wordt uitgegeven door die dienst. In de Getijtafels voor Nederland worden de waterstanden en de ligging van het reductievlak van de kaart voor verschillende plaatsen gegeven t.o.v. NAP. Ten onrechte wordt soms gesproken van Nieuw Amsterdams Peil. Dit is niet juist; aan het Amsterdams Peil is sinds 1684 geen steek veranderd! De laatste en "Vijfde Nauwkeurigheidswaterpassing" van de Meetkundige Dienst van Rijkswaterstaat werd naar mijn weten in 1996 - 1997 in samenwerking met de faculteit Geodesie van de TU Delft uitgevoerd. Mogelijk komt er toch een Nieuw Amsterdams Peil, want het Noorden en Westen van Nederland is sinds 1926 1,7 cm gezakt. Het Oosten, Gaasterland en Limburg zo'n 1,2 cm gestegen. Nederland kantelt dus. De Friezen zouden overigens geen Friezen zijn als ze niet een eigen peil hadden. Het is het FZP (Fries Zomer Peil), een KP (kanaalpeil) dat op NAP-66cm ligt. In Belgie wordt als referentievlak de Tweede Algemene Waterpassing (TAW) gebruikt, hetwelk gelijk is aan het gemiddeld zeeniveau bij eb te Oostende. De TAW ligt op NAP-230cm en is in 1947 door het Militair Geografisch Instituut (MCI) vastgesteld.
Zie ook Het NAP-niveau, Drie eeuwen Normaal Amsterdams Peil, LLWS (Laagst Laagwater Spring) en LAT (Lowest Astronomical Tide).
Natievlag De vlag die de nationaliteit van een schip of land van registratie aanduidt. Het volkomen woordenboek uit 1775 geeft een vergeten naam. Pavillon wordt die vlag genoemd die boven op de mast staat en waaraan men erkennen kan van welke natie het schip zy. De grootte wordt van oudsher aangegeven in kleden. Van onze driekleur staat het ontstaan niet vast. Aangenomen wordt dat ze in het begin van de Tachtigjarige Oorlog voor het eerst voorkomt in rood/wit/blauw of oranje/wit/blauw. In 1795 werd de Princevlag met oranje/wit/blauw de nationale vlag. In de Franse tijd was het oranje niet meer toegestaan en werd verdrongen door rood. Het blauw varieerde van lichtblauw tot marineblauw. De huidige kleuren zijn vastgesteld bij K.B. nr. 93 van 19.2.1907 en door koningin Wilhelmina in 1937 bevestigd als helder vermiljoen, wit en kobaltblauw. Hieronder de officiële vlagdata zoals ze heden [2007] gelden:
31 januari, verjaardag koningin Beatrix.
10 april, verjaardag prinses Ariane.
27 april, verjaardag kroonprins Willem-Alexander.
30 april, Koninginnedag
4 mei, dodenherdenking, vlag halfstok, vanaf 18.00u tot zonsondergang.
5 mei, bevrijdingsdag.
17 mei, verjaardag prinses Máxima.
26 juni, verjaardag prinses Alexia.
15 augustus, bevrijding toenmalig Nederlands-Indië.
derde dinsdag in september, Prinsjesdag, alleen vlaggen in Den Haag.
7 december, verjaardag prinses Amalia.
15 december, Koninkrijksdag.
Zie ook vlagvoering aan boord.
Natte uitlaat Zie droge of natte uitlaat.
Nautisch Nautisch betekent: "De scheepvaart of watersport betreffende" [Van Dale]. Dus alles dat met zee- en binnenvaart te maken heeft. De Maritieme Encyclopedie omschrijft nautisch als: "De scheepvaart in het bijzonder de navigatie betreffende". In watersportland wordt heel vaak het modewoord maritiem gebruikt. De letterlijk betekenis daarvan is echter: "Betrekking hebbende op de zee". "De zee of het zeewezen betreffende". "De zeevaart beoefenend". Heeft dus NIETS te maken met watersport op binnenwater.
Naviduct Een door Rijkswaterstaat verzonnen naam voor een aquaduct met sluisdeuren. Men heeft naviduct samengesteld uit navis en ducere en kwam zo tot "schepengeleider". We kennen dus vanaf de opening in 2003 een nieuw woord. Het enige naviduct ter wereld bevindt zich naast de Krabbersgatsluizen bij Enkhuizen als verbinding tussen IJsselmeer en Markermeer. Hoewel het streefpeil van beide meren gelijk is, kan met harde wind een peilverschil van 1.80m optreden, waardoor een gewoon aquaduct onmogelijk is.
Navigatie verlichting Een alleen varend klein motorschip (langer dan 7m en korter dan 20m) moet 's nachts de volgende verlichting voeren:
- Boordlichten, groen aan stuurboordzijde, rood aan bakboordzijde.  De beide boordlichten moeten op gelijke hoogte en op één lijn, loodrecht op de lengteas van het vaartuig geplaatst zijn. Volgens het BPR [Art 3.13] zichtbaar over een boog van de horizon van 112½° van recht vooruit tot 22½° achterlijker dan dwars. Vroeger moesten de boordlichten in lichtbakken geplaatst worden.
- Een top- of stoomlicht (Het BPR kent het woord stoomlicht niet meer) dat tenminste 1 meter hoger gevoerd wordt dan de boordlichten. In dat geval mogen de boordlichten naast elkaar of in één lantaarn in de lengteas van het schip aan of nabij de boeg zijn geplaatst. Of een toplicht op gelijke hoogte in welk geval de boordlichten NIET naast elkaar of in één lantaarn in de lengteas van het schip aan of nabij de boeg mogen zijn geplaatst. Volgens het BPR een wit licht dat schijnt over een boog van de horizon van 225° en wel 112½° aan elke zijde van het vaartuig, van recht vooruit tot 22½° achterlijker dan dwars. Verwant: ankerlicht.
- Een heklicht op het achterschip, op zodanige hoogte dat het voor een oploper goed zichtbaar is. Volgens het BPR een wit licht zichtbaar over de boog van de horizon van 135°, van recht achteruit tot 67½° aan elke zijde.

Je zult je wellicht afvragen waarom de zichtbaarheidbogen zo nauwkeurig tot op halve graden beschreven zijn. Dit heeft te maken met de streken of windrichtingen op de kompasroos. De roos van 360º is onderverdeeld in 32 streken van 11¼º. De zichtbaarheidbogen zijn dus eenvoudig terug te brengen tot streken op het kompas.

Met heklicht (toplicht naar voren schijnend in een zichtbaarheidsboog van 225º):

toplicht hoog, boordlichten samen.

toplicht op gelijke hoogte.

zichtbaarheidbogen.

Als variant kan het heklicht ook worden weggelaten:
In plaats van heklicht en toplicht mag naast de boordlichten een wit rondom schijnend licht worden gevoerd. Dit licht moet dan wel ten minste één meter hoger dan de boordlichten worden gevoerd (Art 3.13: b3). Het voordeel van deze lichtvoering is dat op de ankerplaats het rondom schijnend licht (mits afzonderlijk te schakelen) als ankerlicht (Art 3.20: 4a) gebruikt kan worden.

Zonder heklicht (toplicht rondom schijnend):

rondom schijnend licht met boordlichten.

rondom schijnend licht, boordlichten samen.

Een klein motorschip korter dan 7m, met een hoogst bereikbare snelheid van 13 km per uur kan volstaan met alleen een vast rondom schijnend wit licht zoals hieronder. Wanneer het scheepje harder kan varen geldt bovenstaande verlichting.


rondom schijnend wit licht.

Een klein zeilschip moet des nachts voeren:
- Boordlichten en een heklicht, zodanig dat de boordlichten naast elkaar of in één lantaarn verenigd in de lengte-as van het schip aan of nabij de boeg en het heklicht op het achterschip zijn aangebracht.
Maar er kan ook gekozen worden voor:
- Boordlichten en een heklicht, verenigd in één lantaarn, ook wel carnavalslicht, aan of nabij de top van de mast waar deze het best kan worden gezien. Het oorspronkelijke carnavalslicht komt uit de trawlvisserij en was andersom. Het wit licht scheen recht vooruit en was veel smaller. Niet meer dan twee streken aan beide zijden van het vaartuig.


boordlichten samen + heklicht.

alles bij elkaar in de top van de mast.

Een klein zeilschip korter dan 7 m kan volstaan met een een vast rondom schijnend wit licht op een zodanige hoogte, dat het van alle zijden zichtbaar is. Het schip moet dan bovendien bij het naderen van een ander schip, bij gevaar voor aanvaring, een tweede wit licht tonen om de aandacht te trekken. BPR [Art 3.13.5]


rondom schijnend wit licht +  facultatief tweede licht...

Het BPR zegt niets over het voeren van verlichting bij mist. In de praktijk wordt hiervoor het gebruik van een zoeklicht toegestaan. Artikel 3 spreekt slechts over "des nachts", hetgeen in art. 1.01c  omschreven wordt als "tussen zonsondergang en zonsopgang". Hieruit volgt dat het hebben van navigatieverlichting niet verplicht is wanneer nooit na zonsondergang wordt gevaren. Maarr... in artikel 3.01.4 staat wel: "Wanneer het zicht dit vereist, moeten de voor des nachts voorgeschreven lichten ook des daags worden gevoerd". Het is dus, hoewel niet verplicht, verstandig om wel navigatieverlichting te hebben.

Tip: Stel je hebt door de mast slechts twee draden lopen voor het toplicht of een gecombineerde boordlichtenlantaarn (zeilboot), maar je wilt op de ankerplaats eigenlijk ook een rondom schijnend ankerlicht afzonderlijk kunnen aansturen. Hier bieden diodes uitkomst. We kunnen gelijkstroom namelijk "links"- of "rechtsom" laten vloeien (vergelijk het met een waterstroom) en daarmee het ene, of het andere lichtpunt aansturen. Zie een animatie van zo'n dubbelpolige wisselschakeling met midden(nul)stand .

Neer Een draaikolk of soms zelfs tegengestelde stroom tussen twee kribben ontstaan door de stroming langs die kribben. De kolkbeweging rond de kop van de krib wordt eer genoemd.
Neerhouder
Of wipschoot. Een takeltje of lijn tussen de onderkant van giek en mastvoet dat dient om de giek omlaag te houden, waardoor het zeil strak blijft staan. Verwant: schoot.
Nef
Nestenschijf Een speciale schijf aan het ankerlier met uithollingen, de nesten, waar de schalmen van een gekalibreerde ankerketting precies invallen. De oude naam was kabbelaris. Het Nederlandse bedrijf dat gespecialiseerd is in kettingschijven (lier en ankerservice voor de binnenvaart) heet dan ook toepasselijk Kabbelaris. De nesten zijn gescheiden door kammen of kiezen, waardoor de ketting zeer trekvast over de schijf loopt. Gekalibreerd wil zeggen dat de ketting aan een nauwkeurige maatvoering voldoet, waarbij o.a. een schalmlengte van 5 x de diameter wordt gehanteerd met over 11 schalmen een max. afwijking van 2%.  Normen vastgelegd in EN 24565, ISO 4565 en DIN 766A. Verwant: ankeren, kaapstander, kettinglengte, damketting.

Neuring Neuring of neuringlijn. Een hulplijn naar de ring op het ankerkruis om het anker rechtstandig, of achterwaarts te kunnen ophalen. "Killen" van het anker. Bij grotere schepen ook om het anker te laten vallen. Het heette dan een portuurlijn. Dat is een zwaar eind tros geschoren door de ring van het anker en daarna binnen boord belegd om het anker gevangen te houden tot het commando "vallen".
De ring is ook te gebruiken voor een ankerboei. Om de boei (waker) recht boven het anker te laten komen; moeilijk als je de waterdiepte niet kent, is een eenvoudig trucje toe te passen. Je neemt i.p.v. de neuring een langere lijn (boeireep) en haalt die ook door het oog van je ankerketting en vandaar terug naar het schip. Nu kan je naar believen vieren of halen om de boei in positie te brengen en vast te zetten.

gebruik van een boeireep om de ankerboei in positie te brengen.
Nicolaes Witsen Bij de beschrijving van oude scheepstypen en termen heb ik o.a. dankbaar gebruik gemaakt van tekstgedeelten uit een facsimile [1979] van het standaardwerk Aeloude en hedendaegsche scheeps-bouw en bestier [1671] van Nicolaes Witsen [1641 - 1717]. Witsen was burgemeester van Amsterdam, lid van de Amsterdamse kamer der VOC en buitengewoon gezant voor Engeland, maar legde zich bovendien toe op geografie, cartografie en waterbouwkunde, was een bekwaam etser en werd een specialist in de scheepsbouw, waarover hij reeds op 21 jarige leeftijd zijn beroemde standaardwerk uitgaf. Ruim 25 jaar later [1697 - 1698] was hij mentor van Tsaar Peter de Grote tijdens diens verblijf in de Nederlanden.
NNWB De Noord Nederlandse Watersport Bond (NNWB) was de vertegenwoordiger van de watersporters in het noorden van Nederland, t.w. de provincies Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel en de Noordoostpolder. Er waren ± 100 verenigingen aangesloten bij de NNWB, met samen ongeveer 18.000 leden. In 2004 is de NNWB opgegaan in het Watersportverbond.
Noags Arke
Noodantenne Een nood-marifoonantenne maak je als volgt:
Van een stuk coaxkabel van 50 ohm haal je over precies 45 cm de buitenmantel af. Trek de koperen afscherming over de buitenkabel naar beneden. De binnenkabel steekt nu dus 45 cm uit en de koperen afscherming is over eenzelfde lengte om de rest van de kabel teruggeschoven. Totaal dus 90 cm. Verwacht geen wonderen! Bron: Jugo Baya.
Noodroer Volgens het Schepenbesluit uit 1965 moet elk (groot) schip zijn voorzien van een hoofdstuurinrichting en een hulpstuurinrichting. "De hulpstuurinrichting moet onafhankelijk van de hoofdstuurinrichting zijn en het schip kunnen sturen met een snelheid waarbij het nog manoeuvreerbaar is. Een hulpstuurinrichting is niet vereist indien twee werktuiglijk bewogen stuurinrichtingen aanwezig zijn, die onafhankelijk van elkaar kunnen werken". In de Maritieme Encyclopedie staat bij "noodroer": "Het hangt af van de vindingrijkheid en beschikbaar materiaal, of een enigszins bruikbaar hulpmiddel kan worden geconstrueerd". M.a.w. geen kant-en-klaar recept, maar meer iets voor de Willy Wortels onder ons.
Noordzee "Maar een land aan zee heeft de zee tot land en de zee wil met schepen geploegd zijn".
Waarom het water van de Noordzee zout is
. Uit Legenden langs de Noordzee, S. Franke [W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1934]
Omdat alle zeewater zout is zult u zeggen.
Maar dat is geen verklaring. Geleerde menschen zeggen dat ze het precies kunnen vertellen.
Met allemenschelijk lange onbegrijpelijke formules zeggen ze dat ze het kunnen bewijzen.
't Is mogelijk maar er zijn er die meenen dat de zaak veel eenvoudiger is.
Er was dan n.l. eens een geweldig groot schip en dat heette Sinternuiten.
Een schip, zoo groot, dat wanneer het voor anker lag, de voorsteven bij Texel was en het roer in het Damrak te Amsterdam in de knel zat.
Zoo'n monsterachtig groot schip moet het geweest zijn.
Vanwaar het kwam heeft nooit iemand kunnen uitvinden, maar het was er.
Van Texel tot Amsterdam mat het dus zegt men, maar misschien was het nog wel langer want een man te paard had zes weken noodig om het in zijn geheele lengte af te rijden.
Dat was een geschiedenis wanneer de kapitein zijn bevelen gaf.
Een telefoon was er in die dagen natuurlijk nog niet, en vlaggeseinen dachten de lui bepaald nog niet aan.
Och, als je zoo'n groot schip bestuurt heb je wel wat anders te doen dan aan vlaggetjes te denken.
Maar om nu op die bevelen terug te komen.
De kapitein bulderde ze uit, dat spreekt vanzelf, en de bootsman floot, zooals dat behoort, maar ja, eer ieder aan boord wist wat er op een bepaald oogenblik gebeuren moest waren er zes weken verloopen.
Zoodat je dus deze toestand ongeveer had.
- Op 1 Januari bevel tot uitvaren.
- Half Februari stak de schuit van wal.
- En zoo met alles navenant hè.
- Het was een gesukkel.
Het schip is dan ook tenslotte vergaan hoor; wat niet anders kon bij zoo'n toestand.
Midden in de Noordzee verging het, met man en muis en de lading, die uit zout bestond, verzonk in de golven.
Begrijpt ge nu hoe het komt dat de Noordzee, die vroeger vol zoet water was en waar het krioelde van baars en karper, tegenwoordig zoo zout is? Laat de geleerden maar praten.
Noordzeegarnaal

De Noordzeegarnaal is de kleine grijze Hollandse garnaal, die liefhebbers verreweg het lekkerst vinden. De beestjes worden aan boord gekookt waarbij de kleur verandert in roze. Vroeger werd zo snel mogelijk na aanvoer gepeld door thuispellers. Uit gezondheidsoverweging is dit al jaren verboden (warme pelruimtes, vieze handen etc). Tegenwoordig wordt ons garnaaltje in Marokko gepeld, waar de omstandigheden hygiënischer en bovendien goedkoper zijn. Een probleem is wel het dure gekoelde transport en de toevoeging van de conserveringsmiddelen benzoëzuur (E210) en citroenzuur (E330) die het garnaaltje verbazend lang houdbaar maken, maar de oorspronkelijke volle smaak en vooral de nasmaak behoorlijk verzieken. Er gloort hoop. Het is na veel mislukte pogingen gelukt [2008] een pelmachine te ontwikkelen die efficient genoeg werkt om op grote schaal te worden ingezet. Het zal nog wel enkele jaren duren, maar dan is ons lekkere vers gepelde garnaaltje terug. We hoeven volgens visbioloog Niels Daan niet bang te zijn voor roofbouw, want al zou elke Nederlander dagelijks garnaal eten, dan zou dat nog geen merkbare verandering in de garnaalstand opleveren.
Inmiddels [2009] zijn deze verse garnalen beperkt op de markt. Helaas doet zich nu een nieuw probleem voor. Garnalen en eigenlijk alle onbewerkte visserijproducten moeten bewaard worden tussen de 0 en 2ºC, zeg maar de temperatuur van smeltend ijs. Supermarkten en hun distributiekanalen doen dit echter bij een normale koelkasttemperatuur van 7 tot 8ºC en in wat guntiger gevallen bij 4ºC. Oeps, dat betekent al snel bederf. Noodgedwongen worden nu weer dezelfde conserveermiddelen toegevoegd. Voorlopig dus even terug bij af. Of.... mijn stokpaardje: koop vis, vlees en fruit niet bij de supermarkt. Verse of gerookte vis is nooit lekker (behalve wanneer je het geluk hebt dat de bevoorradingswagen zojuist geweest is) , "vers" vlees ontploft van het vocht en het meeste fruit is zo onrijp geoogst dat het thuis niet meer zal rijpen, maar slechts melig wordt om vervolgens weg te rotten.
Verwant: haring, paling, kibbeling, makreel.

 

Heel graag op- of aanmerkingen.

Op alle materiaal (layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke toestemming.

Mocht je ondanks alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.

verantwoording