| Zeemanskost |
Er zijn typische
benamingen voor typische zeemansgerechten en -dranken. Maar er is ook marine- en
koopvaardijtaal voor gewoon eten en drinken en zaken die daarmee te maken hebben. Een paar
komen uit het Sparks' en van Dalen woordenboek voor scheepsgebruik van Johan Karels met de
waarschuwing: "Niet geschikt voor mensen die snel rooie oortjes krijgen". Afbijt. Eertijds bij
de marine een vieux van mindere kwaliteit, Het was "Hollandse cognac", ook
bekend als "peut".
Apenmelk.
Jenevergrog. Oorspronkelijk een avonddrank aan
boord bestaande uit jenever en heet water. In luxe vorm met
honing, kaneel en citroensap. In de loop van de vorige eeuw plaats gemaakt
voor
een longdrink van sodawater met afbijt (zie hierboven) of in luxe vorm met cognac of whisky.
Arme jongen. Gerecht van scheepsbeschuit gemengd met vlees en vetresten,
vaak geserveerd aan het eind van de reis, wanneer de voorraden geslonken waren. Zie ook Kaaps duifje.
Bacalao.
Stokvis, of zeehaas. Deze van oorsprong Spaanse benaming werd bij
de Hollandse zeelui gemeengoed voor gedroogde zoute vis. Zie ook labberdaan
en bakkeljauw.
Bakkie zweet. Hete koffie, thee of chocolademelk (poeroet).
Beflap.
Draadjesvlees, langdurig gestoofd rundvlees, ook als "osselor".
Bezaansschoot aan, "schoot aan" of "schootan". Extra rantsoen sterke
drank als beloning voor zwaar werk. De borrel werd verstrekt op het achterdek bij de
achtermast, die bezaansmast heet en waar het volk alleen maar kwam om de bezaanschoot aan
te halen.
Blauwe hap. Indische maaltijd. De oorsprong van de aanduiding "blauwe" is
niet helemaal duidelijk. Volgens Ido Eduard Saueressig werd dit woord in Indische kringen
als geuzennaam beschouwd. Hollandse matrozen kregen in de tropen bij de geringste
inspanning een rooie kop. Inheemse collega's spraken dan over "roodhuiden" of
"rode jongens". Als reactie daarop kregen de Indische matrozen de spotnaam
"blauwe jongens" In de jaren 50 bracht de marine deze spotnaam naar Nederland.
In mijn diensttijd [1964] werden militairen van Indonesische afkomst nog steeds blauwen
genoemd. Ook is er de verklaring dat veel Indo's als baby een blauwige pigmentvlek rond
hun stuitje hebben die geleidelijk verdwijnt. Het werd de Mongolenvlek genoemd. Iemand een
betere verklaring?
Blinde flens.
Pannenkoek.
Bramstaglopers. Kapucijners, eigenlijk grauwe erwten. De naam komt van de
houten kralen (ballen) aan een bramstag voor het aanbrengen van een tussenzeil. De
bramstag is de langsscheepse ondersteuning aan de voorzijde van de bramsteng. Zie ook raasdonders.
Broek van Bertha. De bijnaam voor een luchtkoker aan boord van marineschepen, maar ook de
naam van een mixdrankje dat bestaat uit een borrelglas jenever of gin, citroensap, groene
grenadine en ijsblokjes.
Buizen.
Bier drinken, stevig doordrinken.
Bullenbeef. Cornedbeef.
Cement.
Snert, erwtensoep.
Chow.
Maaltijd, ook als "chop chop" of "makan".
Clear water. Heldere soep met weinig "vulling".
Commissarisje. Borrel van half om half jenever en berenburg. Ook bekend als
koetsiertje.
Dieptebom. Coctail van veel verschillende soorten drank (uit elke fles een scheut).
Ook de benaming voor een vleeskroket [TvhW].
Draadversperring. Maaltijd (oorspronkelijk ontbijt) van rijst met hachee van draadjesvlees
met veel sambal (minder vet dan rotmok).
Drijfijs. Zie
snert met drijfijs.
Duitse aardappelen. Gebakken aardappelen met corned beef.
Eelt schroeien. Vlees braden.
Gasballen. Spruiten, ook als "sopdotten".
Gattepetiel. Groot vergiet.
Gebakken marinier. Gebakken blikvlees (cornedbeef, boterhamworst, ham uit blik, smac,
luncheon meat e.d.) met ui, sambal, knoflook en ketjap. Bij voorkeur op brood. Behoorlijk
vette, doch smakelijke hap. Vele variaties zijn mogelijk.
Gewapend beton. Zie zeven gerechten.
Gortschaften. Ontbijten.
Gouri-schotel. Geen gerecht, maar wel een wetenswaardigheid. In de VOC-tijd een uit
China naar Voor-Indië gevoerde groene porceleinen schotel, ook wel vergifschotel genoemd,
omdat men geloofde dat hij zou barsten als er vergiftigde spijzen in werden opgediend [Glos].
Grind met specie. Aardappelpuree met erwten.
Groningse rijsttafel. Zie Zeeuwse rijsttafel.
Haentjesbier. Uit de VOC-tijd. Hollands bier uit de brouwerij "Het Haentje"
te Amsterdam.
Haas met popi. Gerecht van stokvis (zeehaas) met een
saus van gewone zoete stroop.
Handvat. Ribkarbonade.
Hap in elkaar trappen. Maaltijd bereiden.
Hap snert. Een hap snert verwerken is geen lepel erwtensoep, maar een borrel
drinken.
Happen.
Een glas bier drinken.
Hollandse rijsttafel. Zie Zeeuwse rijsttafel.
Horecapukkel. Dikke pens, bierbuik. (is dit wel marine- of koopvaardijtaal?)
Hors de manoeuvre. Salade van restjes aardappelen en vlees, met appel, bietjes en augurk.
Huppelwater. Jenever.
Ikan kaju splitpen. Rolmops (ikan = vis ; kaju=hout ; splitpen=prikker).
Jachtschotel. Een typisch koopvaardijgerecht
om restjes rund- of varkensvlees weg te werken. De kok mengde het vlees met uien, zure
appels en aardappelen en voegde naast de kruiderij laurierblad en kruidnagel toe. Het
geheel werd bestrooid met paneermeel en in de oven voorzien van een bruin korstje. De
bemanning zei dan: "Hij heeft de vleeskamer aangeveegd".
Jopenbier. Dik moutrijk donker bier, dat als
middel tegen zwakte en bloedarmoede gold. Genoemd naar een straat in Dantzig [Glos].
Julianakneiter. Krentenbrood.
Kaaps duifje.
Scheepsbeschuit, geweekt in zout water en belegd met een stuk spek. Genoemd naar de
stormvogel (kleine meeuw) van de Zuidelijke Oceaan ter grootte van een houtduif. Zie ook Arme jongen.
Kampersteur. Aardappelpuree met saus en ei.
Kanen. Eten. "Valt er nog iets te
kanen"?
Kanepieper. Scheldnaam voor de scheepskok.
Ook wel "kanenbraaier".
Kansfles. Literfles.
Kapiteinskost. Kapucijners met speklapjes en
mosterdsaus.
Kerrieduiker. Een kok die nogal kwistig met
kruiden werkt.
Ketelkoek. Nagerecht van meel, melk en stroop, dat in een zak wordt
gekookt en aldus een stevige pudding oplevert [TvhW].
Kip met een gouden speldje. Taaie kip. Ook
als "kip met dienstjaren".
Kippenkakken. Kippenpoten.
Kippenkogels. Eieren.
Klamme vaas. Biertje, ook als "kouwe
klets", "kouwe toeter", "pot", "pot scheerwater",
"slokje eten", "slurfie" en meer.
Knuf. Drankje zonder alcohol, ook als
"soffie".
Koes-koes. Onsmakelijk uitziend mengsel van
doorgeslagen gort en suiker, dat de volgende dag, als het stijf is, wordt vermengd met
limoensap (lem-lem). Goed tegen scheurbuik (blauwschuit). Een goede koes-koes was gistend,
maar nog net niet bedorven.
Koetsiertje. Borrel van half om half jenever
en berenburg. Ook bekend als commissarisje.
Kommies. Marinenaam voor brood.
Konkelpotje. Koffiepot.
Kopstootje. Combinatie van een glas jonge
jenever met bier. Volgens zeggen ontstaan bij de marine. Zie: recht-op-en-neer.
Krotenkoker. Kok ("kroten" is Rotterdams/Dordts voor bieten).
Kruitvatsoep. Soep met tomaten, ui, rijst,
peterselie, Spaanse pepers en sambal, veel sambal.
Kwakkie van de chef. Mayonaise, ook als
"sap kau yau" (Chinees voor sperma) en "hartkleppenvet".
Laagwater. Einde van de maaltijd. Ook als
ander woord voor afwassen (schoonmaken kommaliewant).
Labskous of lobskous. Oud beroemd en berucht
zeemansgerecht dat bestaat uit resten van gezouten vlees, zoute haring, aardappelen en/of
fijngestampt scheepsbeschuit en uien. Als het "zoutvlees" te droog was werd spek
toegevoegd. Oorspronkelijk dus een ratjetoe van restjes. "Lobskous" was de
benaming voor alle overgebleven rommel aan boord. In de 20e eeuw verving men het gezouten
vlees door cornedbeef en serveerde men de labskous met spiegeleieren, rode bieten en zoute
augurk. Wybe van der Wal bestelde in het voorjaar van 2005 deze moderne versie van
"labskaus" in de Ratskeller van Bremen. Hij gaf als commentaar: "Volgende
keer neem ik toch iets anders. Het is een zeer onbestemd eten". Een hedendaags recept
is te vinden op Hollandse
pot.
Lamieren van het gortwater. Niet zo zeer een
gerecht, doch een wetenswaardigheid. Vroeger bestond aan boord het ontbijt voornamelijk
uit gort. Wee de kok die bij het aanbreken van de dag (licht worden, lumieren) het
gortwater niet aan de kook had. Lamieren is het tegen de kook houden.
Lem.
Ook als lemlem. Citroenlimonade met veel vitamine C. Werd tot het midden van de vorige
eeuw verstrekt.
Leuning. Marinenaam voor rookworst.
Loerd. Meelgerecht,
"Jan-in-de-zak". Zacht gegaarde meelkoek.
Luchtpostpapier. Dun gesneden (Leidse) kaas.
Lurkemmer. Drinkglas of mok.
Maandsaus. Tomatenketchup.
Mannenpudding. Stevige kost of sambal.
Matrozenkost. Gerecht van bruine bonen,
(dop)erwten, prei, ui, spek, leverworst en yoghurt of karnemelk.
Matrozenmutsje. Koffie met ferme scheut
voorhanden zijnde sterke drank.
Mee of Mede. Niet specifiek een zeemansdrank,
maar eertijds toch "voor de cajuyt" wel meegenomen. "Een aangename drank
die van honing en water gemaakt wordt. Neem agt stoop water en zoveel honing dat er een ei
op dryven kan; doet daar by drie citroenschillen; kookt dit, en schuimt het wel als de
schuim op komt. Neem het als dan van het vuur en doet er de drie citroenen in stukken
gesneden by; giet het in een tobbe of open vat dat schoon is en laat het drie dagen
werken. Schuim het vervolgens wel en giet het klare gedeelte in een vaatje en laat het
open staan tot het ophoudt met gisten. Stop het vervolgens dicht toe en in drie maanden
tyds zal ze zeer goed en bekwaam zyn om afgetapt te worden".
Middel tegen zeeziekte.
Geen speciale benaming. Volgens Arthur van Schendel [1874-1946] was dit in de VOC tijd een
feilloos recept: "Roer twee delen olie met een deel honing tot het zalvig wordt. Voeg
daar een derde fijn mosterdpoeder aan toe. Nuttig dat met scheepsbeschuit"
(dubbelgebakken brood). Je had natuurlijk ook nog poleponze: "Een zeker
preservatief, dat uit brandewyn, suiker, nootemuskaat en citroensap bereid werd, waarmede
ze die geenen, die op zee ziek worden, verkwikken". Nieuwe maats werd wel aanbevolen
een stuk spek aan een touwtje weg te slikken en het daarna terug te halen. Zie ook zoetwatermatroos.

Zeezieke passagiers aan boord van een emigrantenschip
[1820] |
Mogen wij zwijgen? Ondefinieerbare massa van blikvoer (gehakt, aardappelen, slappe
groente?). Van oorsprong de titel van een nogal "heftige" film uit het stomme
tijdperk. De film propageerde het onderzoek naar het vaderschap. Menig marineman wilde het
"vaderschap" van zijn opgeschepte prut ook wel onderzoeken...
Mom.
Dik krachtig hopvrij bier uit Brunswijk, genoemd naar de eerste brouwer, Christiaan Mumme.
Het werd veelal vanuit Europa op de schepen naar Azië meegevoerd [Glos].
MSF korrels. Gekleurde muisjes,
traditioneel ontbijtbeleg, ook bekend als
"technicolor". MSF = Marine Sanatorium Fonds.
Namokken.
Toetje eten.
Nassi Purmerend. Rijst met boter en suiker.
Nooitgedacht. Gerecht van kapucijners met boterhamworst, nasikruiden en -groenten. De
"uitvinder" van dit gerecht, die zomaar wat doorelkaar husselde zou geroepen
hebben: "Nooit gedacht dat het zo lekker zou smaken".
Oorlam. Borrel jenever; tot 1895 door de Nederlandsche Marine 's
morgens en 's middags aan elke matroos uitgereikt. Na 1846 beperkt tot meerderjarige
manschappen. De oorsprong van het woord ligt in het Maleis. Op Kaap de Goede Hoop was het
sinds de VOC tijd gebruikelijk dat de kolonisten Indische bannelingen als bedienden
hadden. Door hen werden de Hollanders die op thuisreis de Kaap aandeden "orang lama
datang" genoemd. Vrij vertaald: "oudgediende". Het werd verkort tot orang
lama en vervolgens verbasterd tot oorlam. In Indië zelf werden Europeanen trouwens hoedendragers
genoemd. De tijd die de thuisvaarders aan de Kaap doorbrachten werd oorlammentijd genoemd.
De "oorlammen", de hoedendragers dus, stonden bekend om hun drankzucht en zo zou
de naam bij de borrel terecht zijn gekomen. Oorspronkelijk ging het om Kaapse wijn:
"In een eenvoudig dranklokaal kostte de wijn drie stuivers per fles. Voor het genot
van muziek en dans steeg de prijs tot zes stuivers, voor het comfort van fatsoenlijk
meubilair en gratis pijp en tabak naar acht stuivers en zij die de biljartkamer gebruikten
betaalden zelfs tien stuivers per fles" [AS].
Met de oorlam werd later vooral jenever, rum (kelduivel) en brandewijn (brandemoris)
bedoeld.
Zie ook pimpelen.
Op je merk liggen. Genoeg
gegeten hebben, voldaan. Verwijzing naar het
Plimsollmerk.
Opbakken.
Opdienen van het eten.
Opsnit.
Broodbeleg (vleeswaren).
Oranjerats. Gerecht bestaande uit wortelen, witte bonen, uien en pastinaken, of
simpelweg hutspot (aardappelen met peen en uien).
Peut. Hollandse
cognac, eertijds bij de marine een vieux van mindere kwaliteit, ook bekend als
"afbijt".
Pikheet.
Theepauze. De uitdrukking stamt uit de zeiltijd. Omdat het ingieten van hete pek (pik) in
de breeuwnaden niet onderbroken mocht worden, werd vooraf pauze gehouden om koffie of thee
te drinken.
Poerlepap. Eigenlijk "poerlepap van baadje". Alleen vermeld als
wetenswaardigheid, want de samenstelling is onbekend. De poerlepap was een lekkernij in
Indië, speciaal te Makassar omstreeks 1890-1910. Wat poerlepap precies was zal wel altijd
een geheim blijven, doch het was smakelijk en zag er uit als chocoladevla. Baadje was een
te Makassar geboren kadraaier, die de poerlepap maakte en aan boord onder de maats
verkocht in zulke hoeveelheden, dat een afzonderlijke prauw nodig was voor het vervoer
naar de schepen. Als Baadje van wal stak - zo tegen half twaalf, na vastwerken
(alklaar) - dan
schreeuwden de seiners van de duiventil: "Sein op, Baadje poft", en kwamen de
maats met schaftblikjes aan dek gehold om de poerlepap in ontvangst te nemen.
Poeroet.
Hete chocolademelk.
Poespas.
Weke stamppot waarvan de samenstelling niet altijd duidelijk is. Oorspronkelijk de hutspot
van de Groenlandvaarders. Later een gerecht van vlees, gort of droge rijst en groenten.
Popi. Gewone zoete stroop, onmisbaar onderdeel van het gortschaften.
Popi werd ook wel aangeduid als "heldenmoed" en de pot met popi als
"lefpul", want zoetigheid bij het eten (haas met popi) gold
eigenlijk als afschrikwekkend verval.
Potage periodique. Tomatensoep.
Punten en strepen. Erwten met worteltjes.
Pijpetijd. Bartijd (5 uur 's middags).
Raasdonders. Ook als "roldonders" (Vlaardingen) of
"Hellevoetse raasdonders". Kapucijners met vet, doorbakken spek of gerookt spek,
geserveerd met (gebakken) aardappelen of rijst en garnituur; een luxe versie van bramstaglopers. De Hellevoetse variant bestaat uit gekruide
kapucijners met gehaktballetjes, gegarneerd met hamrolletjes en mayonaise. [TvhW]
Recht-op-en-neer.
Oorspronkelijk een andere naam voor een oorlam. Het zou ontleend
zijn aan de grote zeilvaart, waar het scheepsvolk bij het ophieuwen van het anker landurig
moest rondlopen aan de gangspil
. Zwaar werk. Als de ankerkabel "recht op en neer stond" en het anker op punt
stond los te komen werd wel een oorlam verstrekt. Tegenwoordig ook de bijnaam voor een
kopstootje. Dat is een combinatie van een glas bier en
een glas jonge jenever. Bedoeld als een slok jenever gevolgd door een slok bier, ooit
ontstaan door een weddenschap wie de meeste drank kon verdragen zonder om te
vallen. Huidige stappers gebruiken het bij indrinken juist wel om snel de hoogte te
krijgen. Een andere methode is om het glaasje jenever in een gevuld bierglas te laten
zakken en het dan zo snel mogelijk achterover te slaan.
Restaurant "Zeezicht".
Messroom, vreetschuur, cafetaria, cafetaris of CAF.
Roerganger. Het is de vraag of dit mixdrankje een zeemansoorsprong heeft. Het
bestaat uit een borrelglas whisky, een half borrelglas apricotlikeur en een borrelglas
hete sterke koffie.
Rotmok. Ook wel "Rijsttafel-belazer", Rijst met hachee, of
een stoofpot van restjes vlees. De naam zou ontstaan zijn doordat een schepeling op het
idee kwam vlees- en vetresten met een gesnipperd uitje in een mok op het vuur te zetten en
te laten "snurken", hetgeen de kok te bar werd en die "rot mok" de
kombuis uitsmeet, waarop een stevig robbertje gevochten werd.
Rumstel.
Rum cola.
Rijsttafel belazer. Zie Zeeuwse rijsttafel.
Salmagundi. Volgens "The Pirates" van Douglas Botting zou dit een
stevige pot van/voor piraten zijn als zij een koopvaarder met welvoorzien victualieruim te
pakken kregen. Maar ook aan wal. Het bestond uit geroosterd vlees in brokken (van welke
oorsprong dan ook) gemarineerd in gekruide wijn, gemengd met kool, ansjovis, pekelharing,
hardgekookte eieren, uien, olijven en wat maar meer voor handen was. Het geheel werd sterk
gekruid met knoflook, zout, pepers en mosterdzaad, overgoten met olie en azijn en
verslonden met bier en rum. Latere recepten spreken over een gemengde salade van kip,
kalkoen, vlees, vis en groente of een ragout van allerhande opgewarmd vlees,
"meerendeels van klein gesneden gebraad, met eene saus".
Verwant: boekanier.
Schoot aan! of "schootan!". Uitroep/uitnodiging om een borrel te drinken.
Waarschijnlijk ontstaan als beloning voor het harde werken dat nodig was bij het aanhalen
van de schoten om zo scherp mogelijk aan de wind te kunnen zeilen.
Schurfie. Warm prutje van restjes
vlees, (zoete) aardappelen, uien, knoflook, ketchup en sambal, of in het algemeen de
benaming voor een opgewarmd prakkie.
Snelvuur.
Een kop of mok hete chocolademelk (poeroet). De naam heeft niets te maken met een bepaalde
methode van vuren, maar met de maatregelen ter beperking van het drankmisbruik. Toen op 7
Juli 1902 voor de "Algemeene bond voor Nederlandsche marinematrozen" een
eigen bondsgebouw werd opgericht plaatste men op het buffet naast de biertap een grote
ketel, die de vorm had van een granaat, en bestemd was om er hete chocolademelk uit te
tappen. Al snel was het in zwang om "een kop snelvuur" te bestellen.
Snert met drijfijs. Erwtensoep met dobbelsteentjes spek. Drijfijs slaat ook op
de dobbelsteentjes knolselderij.
Spekplank. Houten vleessnijplank met handvat en opvanggootje.
Staalmannetje. Klein tarwebrood, het rantsoen voor één man. De verstrekking werd
ingevoerd op aandringen van het Tweede Kamerlid A.P. Staalman in de dagen dat
scheepsbeschuit nog in zeer grote hoeveelheden uitgereikt werd en vers brood aan boord een
zeldzaamheid was. De "Staalmannetjes" werden in Den Helder in de marine-bakkerij
gebakken.
Sterven-op-straat-worst. Cervelaatworst.
Strontzwiepersoep. Ossenstaartsoep.
Stijverijstkoker. Scheldnaam voor
scheepskok.
Technicolor. Gekleurde muisjes, traditioneel ontbijtbeleg, ook bekend als MSF korrels
(MSF = Marine Sanatorium Fonds).
Theewater. Avondmaaltijd, niet de warme, maar de broodmaaltijd.
Oorspronkelijk werd 's avonds theewater (of iets wat er op leek) verstrekt dat
waarschijnlijk alleen maar diende om het hard brood of scheepsbeschuit in te weken.
Tom Okker Speciaal. Marinenaam voor een veerkrachtige gehaktbal uit blik. Ambachtelijke
ballen van de kok zijn "officiersballen".
Torpedistenbloed. Koffie voor het wachtsvolk, uiteraard zonder melk. Eigenlijk wordt een
"torpedistenbakkie" bedoeld, een bak sterke koffie waar je
"torpedistenbloed" van krijgt.
Troet.
In water, melk of karnemelk gekookte meelspijs.
Vetpieper, vetsmelter. Scheldnaam voor scheepskok.
Vetslof .
Botervlootje.
Vette hap .
Marineuitdrukking voor gewoon warm eten. Soep, aardappelen, groente en vlees.
Victualiën. De aan boord meegevoerde mondvoorraad; eten en drinken.
Vijfschaft. Lamsvleesgerecht waaraan vijf ingredienten worden toegevoegd.
Aardappelen, uien, wortelen, bruine bonen en zure appelen. In plaats van lamsvlees ook wel
gerookt spek en rookworst.
Vlampijpen. Macaroni.
Vliegende schijven. Dikke plakken gebakken boterhamworst.
Vreetijzers. Bestek.
Vreugdewipper. Flesopener, ook als "bierspanner" of "bierbaco".
Wortelwater. Sinas.
Zeehaas. Stokvis, vroeger een vrijdaggerecht bij de marine. Stokvis is
gefileerde gezouten kabeljauw welke op stokken uitgehangen werd tot het door zon en wind
plankhard droog geworden was. In droge omstandigheden zeer lang houdbaar en alleen te eten
na een nacht weken in water of melk.
Zeemansverdriet. Zeemansverdriet is kort verdriet. Het is de vraag of dit mixdrankje een
zeemansoorsprong heeft. Het bestaat uit een half borrelglas cointreau, een half borrelglas
drambuie en een paar ijsblokjes in een bekerglas, aangevuld met spuitwater. Weg verdriet!
Zeeuwse rijsttafel. Gerecht van droge rijst met kapucijners of bruine bonen, met
kaantjes en garnituur (gehakte uitjes, gesmoorde uitjes, uienringetjes, gesneden augurk en
piccalilly). Wanneer het pittig gemaakt wordt met pepers en sambal is het een
"rijsttafel belazer" en wanneer de rijst vervangen wordt door gekookte
aardappelen is het een "Groningse rijsttafel" of een "Hollandse
rijsttafel".
Zeeuwse wasdag. Stamppot rauwe andijvie.
Zeikfilters. Niertjes.
Zeven gerechten. Aardappelen, rijst, stokvis (zeehaas), boter, meel, geb. uien
en augurken. De zeven gerechten stonden afzonderlijk op tafel en konden naar eigen inzicht
met mosterd, peper en zout gemengd worden tot "gewapend beton".
Zoetwatermatroos. Het zou een beproefd middel tegen zeeziekte zijn. Doe drie
borrelglaasjes oude of jonge jenever in een beker. Knijp de neus dicht en drink de beker
in één teug leeg. Zo nodig herhalen. Zie ook middel tegen zeeziekte.
Zwampudding. Nagerecht met sabayou (schuimende saus).
Zweetsokkie. Supervette tostie met twee plakken kaas en veel sambal, aan alle kanten
beboterd en in de koekepan gebakken. |