kennisbank voor pleziervaart
         en scheepvaarthistorie
 
 

  Andere tips en wetenswaardigheden
  A     B     C     D     E     F     G     H     I     J     K     L     M     N     O     P     Q     R     S     T     U     V     W     X     Y     Z  

Navigatie op binnenwater

Van oudsher gebruikte men "zeetonnen" om ondiepten aan te geven die als baken dienden bij het in en uit zeilen van zeegaten. Nicolaes Witsen beschrijft dat in 1671 als volgt. "Zy zijn aen yzere kettingen vast, die onder aen het anker in de grondt vast zijn: in 't uit-lopen neemt men die waer, welck aen de rechter handt leggen, in 't inkomen, die aen de linker handt leggen. Waer droogten zijn en gevaer is legt men witte tonnen, en daer goet anker gront is, ziet men eenige tekens op de tonnen steken". De loop van het vaarwater werd dus aangeven door een enkele rij tonnen die men bij thuiskomst aan de linkerhand moest houden en bij uitvaren aan de rechterhand. De witte tonnen die Nicolaes Witsen beschreef zou men nu laterale markering noemen, maar werden dus ook gebruikt als cardinale markering voor gevaar en met speciaal topteken zelfs voor goede ankergrond. Pas later begon men lateraal op binnenwater te betonnen waarbij "vanuit zee" links wit en rechts zwart werd. Inmiddels zijn de begrippen links en rechts op binnenwater veranderd en de kleuren ook. Hieronder meer.

Om rivieren, kanalen en meren veilig te kunnen bevaren wordt tegenwoordig gebruik gemaakt van signalering volgens het SIGNI systeem. Dit staat voor "Signalisation de voies de Navigation Interieur" en is van toepassing op zoet binnenwater, dus niet op Westerschelde, Waddenzee en Eems-Dollard. De toegepaste betonning of bebakening is onderverdeeld in laterale- en cardinale markering.
- Laterale markering dient om de zijdelingse begrenzing van vaarwater aan te geven.
- Cardinale markering wordt op groter water gebruikt om gevaarlijke punten aan te geven.


Laterale markering (zijdelingse begrenzing van een vaarwater)

Om de loop van een vaarwater (rivier, kanaal of vaargeul) zichtbaar te maken worden langs de rand (lateraal = zijkant/zijdelings) op regelmatige afstand merktekens geplaatst. Bij markering van het bevaarbaar gedeelte worden de begrippen linker- en rechteroever gebruikt. De bepaling daarvan doe je met je rug naar de hoge kant  (waar het water vandaan komt) kijkend naar de lage kant (stroomafwaarts, waar het water naar toe gaat). Ook voor kanalen geldt van hoog naar laag, dus in de richting van een lager pand. De nummering is echter naar de bron toe.

Soms spreekt men over "bakboords- en stuurboordsbetonning". Dat is onjuist. De begrippen bakboord en stuurboord gelden alleen voor de linker- en rechterzijde van een boot.

Vanuit de boot gezien kan de linkeroever dus afhankelijk van de vaarrichting bakboordszijde of stuurboordszijde zijn. Voor wateren waar hoog of laag niet direct duidelijk is, zijn voor linker- en rechteroever de volgende regels afgesproken:

- Getijdengebied: kijkend in de richting van de ebstroom.
- Zijvaarten en geulen: in de richting van de hoofdvaarweg.
- Meren: in de richting van de uitgang naar open water.
- Randmeren: kijkend vanaf Amsterdam.

De gebruikte betonning is herkenbaar aan vorm en kleur en (meestal) gemerkt met initialen van het vaarwater en een volgnummer.
De linkerzijde is spits of heeft een spits topteken met als hoofdkleur
groen en is oneven genummerd.
De rechterzijde is stomp of heeft een stomp topteken met als hoofdkleur
rood en is even genummerd.
Splitsingen worden aangegeven door bolvormige tonnen met een combinatie van beide kleuren.

De afspraak voor de begrippen linker- en rechteroever is heus wel gemakkelijk te onthouden. Maar waarom is ooit gekozen voor een betonning in tegengestelde kleur? Links en rechts kennen we aan boord toch als rood en groen? De verklaring is simpel. In de 19e eeuw werd lateraal nog bebakend vanuit het standpunt van een uit zee komend schip, waarbij de betonning wel links = rood (toen nog spits) en rechts = zwart (later groen) was. Helaas leidde het begrip "komend vanuit zee" internationaal tot verwarring. Voor Europa moest het SIGNI uitkomst bieden waarbij de begrippen links en rechts gerelateerd werden aan het kijken vanuit de bron (hoog naar laag). Vanaf 1956 waren de kleuren daardoor "omgekeerd". Links groen en spits; rechts rood en stomp.

Vanwege dit afgesproken "links" en "rechts" is het binnenvaren van een haven, eertijds ook wel havenen genoemd eenvoudig. Je houdt (althans in Europa, Australie, Nieuw Zeeland, Afrika en het grootse deel van Azie) het havenlicht rood aan bakboord en het havenlicht groen aan stuurboord. Dus gelijk aan je boordlichten. Vandaar het internationale ezelsbruggetje: "green on green, red on red, all is safe, go ahead".


                               foto: waterkampioen

Hoog water op de IJssel. Kijk naar de stroom bij de bleesbakens.
Het zicht is stroomafwaarts, we zien dus de rechteroever.

Belangrijkste betonningen en tekens.

Linkerzijde
(spits)
Rechterzijde
(stomp)
Stroomafwaarts varend (van hoger naar lager pand).
De kleuren zijn dan tegengesteld aan je boordlichten.
Markering vaarwater hoofdbetonning
Recreatiebetonning, bruikbaar vaarwater buiten de hoofdbetonning.
Boompjes; ook wel prikken, staken, struik- of steekbakens genoemd.
Bijeengebonden: betekenis als groene ton.
Uitstaande takken: betekenis als rode ton.
Afbakening bijzonder gebied, markering voor doorgaande vaart
Tekens op de oever van een rivier waarlangs het diepste gedeelte loopt. Kijk voor deze stroomdraadmarkering ook bij riviervaren.
Blees-, raam- of kribbaken, gevaarlijk punt of opstakel, krib, te water geraakt object o.i.d.
Er werden ook wel steekbakens gebruikt. Linkeroever: rechte paal; rechteroever: paal met horizontale dwarslat.
Scheidingston hoofdvaarwater links. Deze ton ligt in de rode (stompe) tonnenlijn en dient stroomafwaarts varend aan stuurboordkant (rechts) gehouden te worden.
Scheidingston hoofdvaarwater rechts. Deze ton ligt in de groene (spitse) tonnenlijn en dient stroomafwaarts varend aan bakboord (links) gehouden te worden.
Scheidingston vaarwater van gelijk belang (bol als topteken).
Veilig vaarwater/verkenningston. Ook wel genoemd midvaarwaterton, uiterton, verkenner of aanloopton.
Zij wordt gebruikt om het midden of het diepste gedeelte van een vaarwater, of een aanloop of verkenningspositie aan te geven. Deze betonning wordt in het BPR-gebied zonder topteken toegepast, ter onderscheiding van de scheidingsmarkering.


Cardinale markering (markering van obstakels)

Wanneer zich in het vaarwater een obstakel bevindt zoals een wrak of (tijdelijke) ondiepte wordt dit gemarkeerd door cardinale betonning. Vanuit het obstakel wordt het gebied verdeeld in vier kompaskwadranten. Noord, Oost, Zuid en West. De aanwijzende betonning heeft een kleurcombinatie geel/zwart en een topteken dat bestaat uit twee zwarte kegels, die loodrecht boven elkaar zijn geplaatst. Ieder kwadrant heeft zijn eigen herkenbare zwart/geel verdeling, topteken en lichtpatroon. Voor het bepalen aan welke kant gepasseerd moet worden heb je dus een kompas nodig. Hoewel... Met alleen een uurwerk kan je ook de windstreken bepalen. Kijk op Joe's Navigatie Cursus.

Noord.
De kegels wijzen omhoog (noord). De boei is zwart aan de bovenkant (noord) en ligt aan de noordzijde van een obstakel en dient aan de noordzijde gepasseerd te worden.
Licht: ononderbroken flikkering.
Oost.
De kegels wijzen uit elkaar. De boei is boven en onder (uit elkaar) zwart en ligt aan de oostzijde van een obstakel en dient aan de oostzijde gepasseerd te worden.
Licht: drie flikkeringen gevolgd door duisternis.

Ezelsbrug: de kegels passen met wat fantasie in de O van oost.
Zuid.
De kegels wijzen omlaag (zuid). De boei is  zwart aan de onderkant (zuid) en ligt aan de zuidzijde van een obstakel en dient aan de zuidzijde gepasseerd te worden.
Licht: zes flikkeringen gevolgd door een lange schittering.
West.
De kegels wijzen naar elkaar. De boei is zwart in het midden en ligt aan de westzijde van een obstakel en dient aan de westzijde gepasseerd te worden.
Licht: negen flikkeringen gevolgd door duisternis

Ezelsbrug: de kegels vormen met wat fantasie de W van een wijnglas.

 

Voor het onthouden van de lichtkarakters kan je aan een klok denken, waarbij noord overeenkomt met 12 uur. Om twaalf uur slaat de klok de meeste slagen. De noordboei geeft veel geknipper (ononderbroken flikkering). Op drie uur ligt de oostboei met drie flikkeringen. Op zes uur ligt de zuidboei met zes flikkeringen. De lange schittering erna dient alleen om een duidelijk verschil te krijgen met de negen flikkeringen van de westboei die op negen uur ligt.
Het kenmerk van een schitterlicht is dat het schijnsel korter is dan de verduistering.
In bijlage 8 van het BPR (markering van het vaarwater), 1.3.3 (lichten) worden de volgende karakters beschreven.
- flikkerlicht = ononderbroken flikkering.
- schitterlicht = schijnsel is korter dan de verduistering.
- isofaselicht = schijnsel even lang als de verduistering.
- onderbroken licht = schijnsel is langer dan de verduistering.
- vast licht = ononderbroken schijnsel.

Afzonderlijk gevaar, markeerboei.
Deze markering geeft een gevaar van beperkte afmeting aan.
Ook een dubbel topteken, maar in de vorm van bollen.
Op voldoende afstand kan rondom gepasseerd worden.
Licht: schittering van een paar seconden

Rikbaken.
Bij plassen en meren gebruikt baken om een doorvaart aan te geven. De kop bestaat uit twee loodrecht op elkaar staande driehoeken van latwerk. Ze staan op hoeken van uit-, in- en doorgangen; ook op eilandjes, waar de vaargeul langs loopt en op kruisingen van vaarwegen.


VHF en DSC cursus met online simulatie.

Op de website EGMDSS maritime education is een gratis VHF en DSC cursus met online simulatie te vinden.
Deze cursus wordt in de toekomst in het kader van een EU project nog uitgebreid met SART, Epirb etc. en vertaald naar het Nederlands en andere talen. De zeevaartschool: Maritiem Instituut Willem Barentsz is deelnemer aan dit project.


Het schatten van hoeken en afstanden op ruim water.
(alleen als nauwkeurige positiemeting niet nodig is)

Kijk met gestrekte arm over je hand. Je kan dan ongeveer de volgende hoeken schatten:
Wijd uitgespreide hand van duimtop tot pinktop
Breedte van een vuist met gestrekte duim
Breedte van een gesloten vuist
Breedte van een duim
Breedte van een pink
20
15
10
3
2

Bij goed zicht zijn laterale en cardinale boeien zichtbaar op 3km. De vorm is te onderscheiden op 2km; de kleur en het topteken op 1,5 km. Bij goed zicht is de afstand tot de horizon op manshoogte boven de waterspiegel 4,7 km en bij een ooghoogte van 3 meter boven de waterspiegel is dat 6,2 km.
Bron: handboek voor de jachtschipper.

Koershouden zonder kompas of GPS.

Als de zon zichtbaar aan de hemel staat, kan de richting van het noorden gevonden worden door de kleine wijzer van een horloge op de zon te richten. De denkbeeldige lijn die de hoek tussen de kleine wijzer en de 12 uur-stand middendoor deelt, geeft tot op enkele graden nauwkeurig de noord-zuid lijn aan. Op het noordelijk halfrond wijst het verlengde van deze denkbeeldige deellijn naar het zuiden, terwijl het noorden zich 180 graden verder, achter de rug van de waarnemer bevindt. Vergeet niet om rekening te houden met het extra uur op plaatsen waar zomertijd geldt. Dit moet men eerst aftrekken.
Kanttekening: Bovendien geldt voor Nederland dat de zon pas rond 12:40u en bij zomertijd een uur later het hoogste punt heeft bereikt.
(Met dank aan Bob Westerbrink).

Als het bewolkt is, is het soms toch mogelijk om hetzelfde systeem toe te passen door een mes met de punt van het lemmet op de nagel van je duim te plaatsen. Het lemmet zal dan een vage schaduw veroorzaken die in breedte varieert naar gelang je het mes draait. Als de dikte van de schaduw minimaal is of zelfs geheel verdwijnt, staat het plat van het lemmet in lijn met de zon. De kleine wijzer van het horloge wordt dan hiermee parallel gehouden en vervolgens kan de noord-zuid lijn worden vastgesteld zoals hierboven werd beschreven. Deze methode moet met enige omzichtigheid worden gebruikt; als de zon verduisterd wordt door een dikke wolk en de hemel in het oosten of westen helder is, kan dit vergissingen in de hand werken.

Geen van deze methoden werkt in dichte mist, maar het is niettemin heel wel mogelijk om een redelijk rechte koers te sturen zonder kompas als men vanuit de top van een hengel een vislijn uitviert over de spiegel. De lijn zal recht naar achteren wijzen zolang men koers houdt, maar zodra men van zijn koers afwijkt, zal de lijn naar deze of gene kant afbuigen.
Bron: handboek voor de jachtschipper.

Visstokken op het IJsselmeer.

De vangstgebieden langs de kust en dijken van het IJsselmeer zijn gemarkeerd met visstokken, eenvoudige staken of takken in een schijnbaar willekeurige volgorde. Je kan deze plekken het best mijden door zo'n 500 tot 1000 meter uit de wal te blijven. Midden op het IJsselmeer worden echter ook visnetten gebruikt. Deze zijn gelukkig wat herkenbaarder aangegeven. Het betreft hier een staand net. Dat zijn war- of gillnetten waarmee snoekbaars (vroeger haring en ansjovis), die zich in de netten verwart, wordt gevangen. Een nogal lullige manier. De vis denkt door de mazen te kunnen zwemmen, merkt dat het niet lukt, raakt in paniek waardoor de kieuwen open gaan staan, wil terug, maar raakt juist door de openstaande kieuwen verward, paniekeriger, nog meer verward enz... Helaas voor de visserman is de bijvangst aan hoegenaamd waardeloze brasem meestal groter. De netten zijn aan de onderzijde verzwaard en aan de bovenzijde voorzien van drijvers. Het is de bedoeling dat de onderkant op de bodem komt te liggen en dat het net verticaal in het water staat. Het want staat altijd in diepere gedeelten en is ongeveer 1 1,50 meter hoog. Voor de doorvaart geen enkel probleem. Een "normaal" pleziervaartuig kan er gewoon over heen varen. Diepstekende zeilboten kunnen echter beter "op zeker" varen en een ommetje maken. De rij kan wel 500m lang zijn met tussen elk net een drijver met vlag. De uiteinden zijn te herkennen aan drijvers met twee vlaggetjes onder elkaar. Meestal worden zwarte vlaggen gebruikt