Verschillende typen oorlogsschepen
uit Oorlogsschepen der Belligerenten door A.L.de Wolf, 1941

N.B. "Belligerenten" zijn oorlogvoerende c.q. oorlogzuchtige landen.


HET SLAGSCHIP
Slagschepen zijn de grootste en zwaarste oorlogsschepen van de vloot, bestemd om, zoals de naam al aangeeft, een dominerende
rol te spelen in de zeeslag. Deze varende forten met zwaar kaliber geschut (28 – 40,6cm.) vormen de ruggegraat van de vloot. Hun tonnenmaat ligt tussen de 20.000 en 40.000 ton; zij zijn allen van een zware bepantsering ter bescherming tegen vijandelijk granaatvuur, en hebben een snelheid van 20-30 mijl per uur, al naarmate het oude of moderne slagschepen betreft. De bemanning van een slagschip telt in de regel meer dan 1000 koppen. Slagschepen varen zelden alleen, doch zijn bijna altijd omringd door een scherm van kleinere oorlogsschepen, bestaande uit kruisers en torpedojagers, teneinde de kostbare zeereuzen te beschermen tegen vijandelijke aanvallen o.a. van duikboten. Immers het slagschip moge door zijn zware pantser uitstekend beschermd tegen granaattreffers, zijn meest kwetsbare gedeelte ligt beneden de waterlijn, zodat een of meer gerichte torpedo’s van onzichtbaar naderbijgekomen duikboot, het slagschip zware schade kunnen toebrengen en het zelfs in sommige gevallen tot zinken brengen.
Een recent voorval van dit laatste vinden wij in het torpederen van het Britse slagschip Royal Oak, dat in de eerste maanden van de oorlog in de baai van Scapa Flow door een Duitse duikboot getorpedeerd en tot zinken gebracht werd.

Op 17 nov 1900 werd in Barrow-in-Furness de Japanse "Mikasa" te water gelaten. Het was toen met zijn afmeting van 122 x 23,5 x 8 meter het grootste slagschip ter wereld. Aan een 12-tal bomen/bakspieren ter weerszijde van het schip kon een stalen net worden neergelaten om torpedo's tegen te houden, hetgeen later door de grotere HMS Dreadnought werd nagevolgd. Het anti-torpedonet werd overigens reeds in 1877 toegepast op de HMS Thunderer, het vierde schip met die naam dat diende bij de Royal Navy.


HET VESTZAKSLAGSCHIP
Het vestzakslagschip is een type, dat men alleen bij de Duitse marine aantreft. Toen de tonnage van Duitse oorlogsschepen na het verdrag van Versailles beperkt werd tot 10.000 ton, is hieruit het vestzakschip geboren, d.w.z. men hield zich aan de voorgeschreven
limiet van 10.000 ton, maar gaf het schip een in verhouding buitengewoon zware bewapening, bestaande uit 6 stukken geschut van 28cm + nog 8 stukken van 15cm. Zodoende verkreeg men een oorlogsbodem, die de tonnenmaat bezat van een zware kruiser, maar deze in bewapening verre overtrof en die van het slagschip benaderde. In de jaren 1931 – 1934 bracht Duitsland drie schepen van dit type uit, die een ware sensatie veroorzaakte in buitenlandse marinekringen. Tegenover de zware bewapening staan als bezwaren: de
snelheid en de pantsering. Men stond voor de moeilijkheid om binnen de limiet van 10.000 ton te comprimeren: een zware bewapening, een zo hoog mogelijke snelheid en sterke bepantsering. Het is te begrijpen dat binnen deze geringe tonnage niet aan al deze drie vereisten kon worden voldaan. Men heeft toen aan een zware bewapening de voorkeur gegeven en zodoende moest men iets opofferen aan snelheid en pantser. Het grote nut van deze schepen is, dat zij voortreffelijk te gebruiken zijn als raiders in de handelsoorlog, wier taak het is de zeeverbindingen van de vijand te bestoken. Zij moeten daarbij in staat zijn met eventuele
vijandelijke zware en lichte kruisers, waarmee zij afzonderlijk in gevecht geraken, met succes af te rekenen.

De Admiral Scheer was een zware kruiser van de Deutschlandklasse, in dienst van de Kriegsmarine. Het schip werd in 1933 te water gelaten en geclassificeerd als een pantserschip (Panzerschiff), maar door de Britten aangeduid als pocket battleship (vestzakslagschip). Het schip deed dienst voor Duitsland tijdens de Spaanse Burgeroorlog en de Tweede Wereldoorlog.


DE KRUISER
Onder deze benaming valt een groot aantal oorlogsschepen, die onderling op vele punten afwijkingen vertonen. Hun tonnenmaat varieert van 4000 tot 10.000 ton. Zij hebben een veel minder zware bewapening en bepantsering dan het slagschip. Ook wat hun taak betreft verschillen zij daarvan. De voornaamste taak van de kruiser ligt dan ook niet in de zeeslag, maar in het beschermen van eigen zeeverbindingen en handelsroutes tegen vijandelijke aanvallen, terwijl hij zelf op zijn beurt als raider gebruikt kan worden. Daarvoor beschikt de kruiser over een aantal eigenschappen, die hem buitengewoon geschikt maken voor dergelijke opdrachten, n.l. : een hoge snelheid en een grote actieradius, die hem in staat stelt een groot aantal zeemijlen af te leggen, zonder de noodzakelijkheid van brandstofaanvulling. Hoewel het dus niet tot zijn voornaamste taak behoort, speelt de kruiser ook in de zeeslag een rol van betekenis.
Tezamen met andere lichte eenheden, zoals torpedojagers, vormen zij het scherm van de slagschepen (waarover in 1 gesproken werd), en komen zodoende het eerst in aanraking met de vijand, waarmee zij het gevecht openen. Men verdeelt kruisers in twee klassen :
De A klasse of zware kruisers.
De B klasse of lichte kruisers.
Tot de eerstgenoemde klasse behoren die kruisers, die een tonnenmaat hebben van ± 10.000 ton en een hoofdbewapening bestaande uit *kanons ) van 20.3 cm. Een bekend type zware kruiser is de zogenaamde Tennessee kruiser. Lichte kruisers hebben een tonnenmaat van 4000-10.000 ton en voeren in de regel kanons van 15 cm. Deze worden opgesteld in geschuttorens van een, twee, drie en soms zelfs vier kanons, naar aanleiding waarvan men deze geschuttorens een-, twee-, drie- of vierlingtorens noemt.

De USS Washington was een pantserkruiser van de A klasse. Ze werd in 1905 te water gelaten en was aanvankelijk "unclassified", maar behoorde later met drie andere Amerikaanse kruiser tot de z.g.n. Tennessee klasse. De "Tennessee 's" waren de grootste en laatste Amerikaanse pantserkruisers die werden gebouwd


DE SLAGKRUISER
In dit type oorlogsschip zijn de voornaamste eigenschappen van het slagschip met die van de kruiser verenigd, d.w.z. in bewapening en bepantsering benadert de slagkruiser het slagschip, terwijl zijn snelheid en actieradius die van de gewone kruiser evenaren. Oorspronkelijk werd bij deze schepen de bepantsering grotendeels opgeofferd aan snelheid, terwijl het toch de bedoeling was, dat zij in de zeeslag hun plaats naast de slagschepen zouden innemen. De onjuistheid van deze gedachte werd bewezen in de slag bij Jutland (1916), waar Engeland o.a. drie slagkruisers verloor. Vandaar, dat na de wereldoorlog de slagkruisers van de Britse vloot een algehele reconstructie ondergingen, waarbij vooral de bepantsering verzwaard werd, en zodoende zijn de tegenwoordige Britse slagkruisers vrijwel gelijk geworden aan de slagschepen, behalve dan dat hun snelheid en actieradius veel groter is. Ook in andere landen vinden wij dezelfde gedachte, zo bijvoorbeeld in Duitsland met zijn twee zwaar gepantserde slagkruisers Scharnhorst en Gneisenau en ook in Frankrijk : de Dunkerque en Strassbourg. Deze beide laatste schepen hebben bovendien nog de merkwaardigheid, dat hun hoofdbewapening is opgesteld in twee vierlingtorens (kaliber 33)

De Franse slagkruiser Dunkerque te water gelaten in 1935. Het schip was uitgerust met een hoofdbewapening van twee vierlingtorens en kon vier watervliegtuigen aan boord nemen. De Dunkerque werd in november 1942 tot zinken gebracht om te voorkomen dat ze in handen van de Duitsers zou vallen.

 
HET VLIEGTUIGMOEDERSCHIP
De eerste vliegtuigmoederschepen waren van oorsprong handelsschepen of oorlogsschepen van ander type die omgebouwd werden tot vliegtuigmoederschepen. Zo waren bijvoorbeeld de „Courageous” en de „Glorious” oorspronkelijk op stapel gezet als slagkruisers.
De grootste vliegtuigmoederschepen, zoals die in dienst zijn bij de Britse en Amerikaanse marines, hebben tegenwoordig een tonnenmaat van ± 22.000 ton, hoewel ook kleinere typen in gebruik zijn. De grootste vliegtuigmoederschepen hebben ongeveer 70 vliegtuigen aan boord. Door de toevoeging van dergelijke schepen aan de vloot, wordt natuurlijk de taak van de laatste aanmerkelijk verlicht. De aan boord zijnde bommenwerpers kunnen gebruikt worden om vijandelijke vlootstrijdkrachten, steunpunten, bases en andere militaire doelen aan te vallen, waardoor het gebied dat binnen het bereik van de vloot komt, belangrijk wordt uitgebreid. De jachtvliegtuigen van het vliegtuigmoederschip beveiligen het eskader tegen vijandelijke bommenwerpers, terwijl de vliegtuigen bovendien- verkenningsopdrachten kunnen uitvoeren. Het bezwaar van deze schepen is echter, dat zij een prachtig object vormen voor vijandelijke luchtaanvallen. Vandaar dat men om aan dit bezwaar tegemoet te komen, het vliegtuig- moederschip meestal van een grote hoeveelheid luchtafweergeschut pleegt te voorzien.

Een Short watervliegtuig wordt op 16 jan 1916 tijdens WO I in de Golf van Mudros aan boord gehesen bij het vliegtuig moederschip HMS Ark Royal (onderschrift IWM). De Britse interventie zou het einde betekenen van het Ottomaanse rijk.

DE TORPEDOJAGER
Tegen het einde van de vorige eeuw deed een klein type oorlogsschip zijn intrede bij de marines der verschillende landen. Het was een klein, ongepantserd vaartuig, dat een buitengewoon grote snelheid kon ontwikkelen. De bedoeling van het schip was, om onder dekking van mist of duisternis de vijandelijke vloot te naderen, een of meer torpedo’s af te vuren (lanceren) en vervolgens met grote snelheid weer te verdwijnen. Zoals elk nieuw aanvalsmiddel een nieuw afweermiddel uitlokt, begon men oorlogschepen te bouwen ter bestrijding van deze torpedoboten, en noemde deze torpedojagers. Het eigenaardige was nu echter, dat naarmate de torpedojager meer tot ontwikkeling kwam, hij langzamerhand de taak van de torpedoboot begon over te nemen, en zelf ingezet werd voor
torpedoaanvallen op vijandelijke vlooteenheden. Torpedojagers zijn zeer bruikbare en nuttige schepen, en komen bij de grote vlootmogendheden in grote getale voor. Hun voornaamste taak is tegenwoordig, behalve de bovengenoemde : het bestrijden van onderzeeboten met dieptebommen, en het convoiëren van handelschepen. Een flottiljeleider, die aan het hoofd van een torpedojagerflottilje (± 8 schepen) staat, is meestal niet meer dan een ietwat vergrote uitvoering van een gewone torpedojager.

Foto van de Britse torpedobootjager HMS Hasty die sedert 1936 in de vaart was. Datum onbekend.

DE ONDERZEEBOOT
In 1902 deed de eerste onderzeeboot zijn intrede in de Britse vloot, een schip van slechts 50 ton met een bemanning van 6 koppen. Andere landen volgden, maar eerst door de wereldoorlog kreeg de onderzeeboot een snelle ontwikkeling. Vooral Duitsland bouwde gedurende deze periode een groot aantal onderzeeboten, waarbij een nieuw groot type ontwikkeld werd, bestemd om de operaties uit te breiden tot ver over de Atlantische Oceaan. Toen deze oceaanonderzeeboten bleken te voldoen, volgden al spoedig andere landen als Engeland, de Verenigde Staten, Japan e. a. Wij kunnen dan ook nu nog twee soorten onderzeeërs onderscheiden, een onderscheiding die afhankelijk is van de grootte van het schip. De kleinere klasse heeft een tonnenmaat beneden de 700 ton en is voornamelijk bestemd om te opereren in gebieden die niet ver van hun basis verwijderd zijn. De grote klasse, of de reeds genoemde oceaan-onderzeeboten, opereren op zeer grote afstanden van hun bases en hun voornaamste taak bestaat in het vernielen van vijandelijke handelsschepen. Het voornaamste wapen van de onderzeeboot is de torpedo, die door middel van torpedolanceerbuizen op het doel worden afgeschoten. Verder zijn zij uitgerust met een of meer kanons van klein kaliber, en enkele mitrailleurs tegen luchtdoelen. Boven water bereiken moderne onderzeeboten reeds een snelheid die boven de 20 mijl ligt, maar onder water is deze veel geringer en bedraagt zelden meer dan 9 mijl. Een zeer belangrijke stap voorwaarts in de ontwikkeling van het duikbootwapen kwam enige jaren geleden van Duitse zijde. Terwijl vroeger de onderzeeboot, die wilde aanvallen, gedwongen was zoveel te stijgen, dat door middel van de periscoop het zeeoppervlak verkend kon worden en het doel uitgekozen, is tegenwoordig dit bezwaar grotendeels opgeheven door het aanwenden van de hydrophoon. De hydrophoon is een instrument om geluidstrillingen op te vangen en diende oorspronkelijk als wapen tegen de onderzeeboot. Thans echter maakt de onderzeeboot zelf gebruik van dit instrument, waardoor het in staat is geluidstrillingen afkomstig van andere schepen reeds op grote afstand op te vangen, zodat men hiervoor niet meer zoals vroeger steeds behoeft te stijgen en de periscoop uit te brengen, hetgeen in vele gevallen tot vroegtijdige ontdekking van de onderzeeboot leidde. Zoals reeds gezegd zijn het vooral de Duitsers geweest, die met de hydrophoon geëxperimenteerd hebben en deze verbeterd hebben.

De eerste "moderne" marine-onderzeeboot kwam in 1900 in dienst als opleidingsboot bij de US Naval Academy onder de naam Submarine torpedo-boat USS Holland (SS-01). De Britten mochten onder licentie van de American Electric Boat Company die het patent bezat twee jaar later een vijftal zelfde onderzeeërs bouwen en brachten de eerste in de vaart onder de naam HMS Holland 1.

MIJNENLEGGERS EN MIJNENVEGERS
Mijnenleggers zijn kleine schepen, die tot taak hebben het leggen van mijnenvelden, en voor dit doel voorzien zijn van      eigenschappen, om dit werk te vergemakkelijken. Zij voeren meestal enkele stukken licht geschut, om zich tegen vijandelijke lichte eenheden te kunnen verweren en beschikken ook over enkele stukken luchtafweergeschut van klein kaliber. Mijnenvegers zijn schepen van dezelfde grootte als mijnenleggers en zijn bestemd om mijnenvelden op te ruimen. Zij kunnen de mijnen vegen, waartoe zij met speciale veeginstrumenten zijn voorzien, of zij kunnen de mijnen onschadelijk maken door ze tot ontploffing te brengen. Dit laatste geschiedt meestal door middel van mitrailleurvuur.

De eerste Nederlandse mijnenveger was de Hr.Ms. M1 (oorspronkelijk Mijnenveger 1) Het was de in 1918 door de marine omgebouwde sleepboot Marie 1. In dat jaar werden totaal 4 sleepboten van verschillende werven omgebouwd en in dienst gesteld als mijnenvegers M1 t/m M4, de z.g.n. M-klasse.

DE KANONNEERBOOT
Ook de kanonneerboot behoort tot de kleinere oorlogsschepen. De bewapening bestaat uit enkele stukken licht geschut. Zij wordt gebruikt voor het bewaken van mijnenvelden en riviermonden en verricht patrouillediensten.

De kanonneerboot Zr.Ms Ever in 1899