Touwwerk

In 1905 schreef C.Maas, gep. Gezaghebber der Gouvernements-Marine in zijn "Practische Zeevaartkunde", over touwwerk het volgende:

(De uitleg in de taal van 1905 doet je soms duizelen. C.Maas zegt daarover zelf: "Moge men bij de beoordeling van taal en stijl in gedachte houden dat het door en voor een zeeman geschreven is").

In den handel vindt men de volgende soorten:

   Kabeltouwen; driestrengskabelslag van 32, 29, 26, 24, 22, 20, 18, 16 en 14 cM., tot een lengte van 200 M. Zij dienen als sleeptrossen, landvasten en boeireepen.
   Want; driestrengswantslag van 26, 24, 22, 20, 18, 16, 14, 13, 12, 11, 10, 9, 8, 7 en 6 cM., tot een lengte van 200 M., dienende voor staand want, pardoens enz.


 Links: wantslag. rechts: kabelslag.


Paardelijnen; drie- en vierstrengs, kabelslag of wantslag, van 12, 10, 8 en 6 cM.ter lengte van 200 M. Zij worden gebruikt, om het schip te verhalen, tot het opbrengen van rondhouten enz.
   Gijns; driestrengswantslag (garenslag) van 26, 24, 22, 20, 18, 16, 14, 12 en 11 cM.tot een lengte van 225 M. en bestemd tot loopend touwwerk van zware afmetingen, zooals schooten en halzen. Dit soort touwwerk is minder hard geslagen, dan het want, is daardoor leniger en loopt dus beter over schijven.
   Trossen; driestrengswantslag van 10, 91/,, 9, 81/,,, 8, 71/s, 7, 6l/v 6, 51/, 5, 41/,, en 4 cM. tot een lengte van 200 M., bestemd tot loopend touwwerk.
   Lijken ; driestrengswantslag van 16, 14, 12, 10, 9, 8, 7, 61/,, 6, 51/2, 5, 41/, 4. 3V2' 3 en 2'/j cM., tot een lengte van 150 M., en bestemd tot het lijken van zeilen. Het wordt niet hard geslagen, en moet langgeslagen zijn, om niet te veel te rekken.
   Lijnen; driestrengswantslag van 15 draden of 35 mM., van 12 draden 31 mM., van 9 draden 28 mM. en van 6 draden 24 mM., tot een lengte van 100 M. Zij worden zoowel geteerd als ongeteerd gemaakt; de geteerde dienen voor bindsels, talreepen, enz. en de ongeteerde voor vlaggelijnen, rijglijnen voor gaffelzeilen, rifseizings, sloep- tuigen enz.
   Dunne lijnen van 4 draden 22 mM., tot een lengte van 100 M., dienende voor
bindsels enz.
   Stiklijnen van 6 draden 20 mM., tot een lengte van 100 M., ook voor bindsels enz.
   Huizing van 3 draden tot een lengte van 50 M., gebruikt tot het marlen van verschillende zaken aan de lijken.
   Marlijn (huizing van 2 draden) tot een lengte van 50 M.
   Schiemansgaren van 3 en 2 garens tot een lengte van 100 M., bestemd tot naaiings, bekleeding enz.
   Loodlijnen; driestrengskabelslag, van 27 en 18 draden, tot een lengte van 225 en 150 M.; zij blijven ongeteerd en zijn bestemd: de eerste voor het zware of dieplood en de tweede voor het middel- en handlood.
   Loglijnen; wantslag, sterk ineengesponnen, van 6 fijne draden of 9 mM., tot een lengte van 225 M., blijft wit en is bestemd, om de vaart van het schip te meten.
   Vischlijnen; driestrengswantslag, sterk ineengeslagen, van 12 fijne draden 12 tnM., tot een lengte van 100 M.
   Makreellijnen; driestrengswantslag, van 9 fijne draden 6 mM., tot ccti lengte van 100 M., blijft wit.
   Takelgaren; 2 of 3 draads Noordsch of Friesch vlas, tot 150 M., in kluwen van 0,2 K.G., tot het leggen van takelingen enz.
   Zeilgaren van 3 en 2 draden, van Noordsch of Friesch vlas, tot een lengte van 82 tot I25 M., wegende elke streng 0,1 K.G.; het is bestemd voor zeilmakersgebruik en wordt zoowel geteerd als ongeteerd.
   Lijkgaren; 3 draads Noordsch of Friesch vlas, tot strengen van 0,2 K.G. (lang 131 M.), bestemd tot het aannaaien van de lijken.
   Donderketting; vierstrengskabelslag, zonder hart. Elke streng bestaat uit drie strengen van drie draden, dus 36 draden in het geheel. Het komt voor in drie soorten: N. 1 van 19 a 20 mM., N. 2 van 16 a 17 mM. en N 3 van 13 a 15 mM. De draden zijn van gegloeid rood koper N. 18 en de lengte van den tros bedraagt 100 M. Ook heeft men 5"strengs donderketting met een draad in het midden, gemaakt van koperdraad N. 13, 14 of 15.
   IJzerdraadtouwwerk ; gewoonlijk zesstrengs en ook met zon geslagen, met een touwen hart van dezelfde dikte als de strengen; iedere streng bestaat uit een aantal gegalvaniseerde ijzerdraden met een hart ter dikte van zoo'n ijzerdraad ; het wordt in verschillende lengtes en diktes geslagen. Men vindt ook wel vierstrengs en tegen zon geslagen ijzerdraadtouwwerk, dat wordt gebezigd voor staand tuig, hangers, landvasten, sleeptrossen, laadreepen enz.
   Staaldraadtouwwerk is op dezelfde manier vervaardigd en wordt, behalve voor sleep- en verhaaltrossen, voor loopend touwwerk gebruikt; voor
staand tuig rekt het te veel.

Gijns en trossen worden in kleine schijven geschoten en voorts met vier schiemansgarens tot n pak gebonden, terwijl aan het hondeneind te zien is, dat de tros onaangestoken is (fig. 44). Hij het aansteken van een tros moet men, om kinken te voorkomen, het binneneinde van onderenop nemen en daarvan de benoodigde hoeveelheid afmeten. Alle soorten van lijnen worden gehaspeld en met een paar rondslagen vastgemaakt. Huizing en marlijn eveneens, doch worden later tot zoogenaamde bossen ineengedraaid en tot pakken van 10 stuks gebonden (fig. 45-46). Het schiemansgaren wordt ook gehaspeld en bij vijf stuks bijeengepakt.


Zeilgaren en bindgaren worden bij 10 strengen tot een pak gebonden, wegende 1 Kg, terwijl lijk- en takelgaren 10 strengen bijeen gebonden 2 Kg zwaar zijn. Touwwerk wordt gewoonlijk bij meters gekocht doch bij het gewicht betaald.