kennisbank voor pleziervaart
         en scheepvaarthistorie
 
 

Belevenissen van andere schippers

  stuur zelf een verhaal

De Sambre en het zwarte land.

Herinneringen van schipperszoon Jack Sanders aan het zwarte land, "le pays noir" in het zuiden van Belgie.
Het verhaal is niet voltooid, Jack overleed op 22 november 2003.

-.-.-.-

De Sambre begint in Noord-Frankrijk en mondt uit in de Maas te Namur. Deze rivier werd gekanaliseerd tussen 1825 en 1830, voordien stond hij het grootste gedeelte van het jaar droog. De eerste 12 jaar dat wij daar kwamen, was alles grotendeels nog zoals in 1830. De sluizen waren zo klein, dat er maar een schip tegelijk geschut kon worden. Hierdoor lagen we soms wel twee dagen te wachten voor we aan de beurt waren, Dit was overigens best gezellig. Op bijna elke sluis was wel een winkeltje annex cafeetje, waar de vaders gingen telefoneren of er al een nieuwe reis was...  Terwijl wij jongelui ons bezighielden met onderhoudswerk aan het schip. Na werktijd verzamelde de jeugd zich ergens op de oever en meestal gingen we de bergen in ( de ouders hoefden ook niet alles te zien... )


De Sambre dicht bij de monding in 1892. De schepen liggen te wachten voor de sluis,
de voorste twee rijen zijn bakeetjes, daarachter twee balanten... De muren rechts behoren bij de citadelle...


En van de Sambresluisjes, er paste precies een 47 meterspits in.
Die z.g.n. "Sambrespits" was speciaal voor deze sluisjes gebouwd.

Op de foto hiernaast zie je een vriendelijk ogend riviertje, met stilstaand water waarin een spits zich spiegelt... Maar als het een paar dagen geregend had, veranderde dit beeld in een woest kolkende stroomversnelling. Daar kwam geen schip meer tegenin, al had deze nog zo`n sterke motor. Dus werd er afgemeerd en een paar dagen gewacht tot het beter weer werd.

Het schip is een 38 meterspits. Het heeft de afmeting van 38 x 5.05 meter. Dat was in die tijd de maximum afmeting, voor de sluizen op de Franse kanalen.

Was het al een lastige rivier als je tegen de stroom in moest, met de stroom van achter was het helemaal een dolle boel ! Je moest dan een met zo`n vierhonderd ton geladen schip, van 47 meter door de talloze smalle bochten zien te "wringen". Anders rammelde de kont over de stenen in de bocht, iets wat menig schip zijn roer of schroef heeft gekost. Ook moest er altijd iemand voorop staan, om het hoornsignaal van eventuele tegenliggers te horen. Het opvarige schip moest dan voor de bocht wachten, tot het afvarige schip gepasseerd was...  Wij hadden voor aan het schip, juist waar de kimmen begonnen, 2cm. dikke staalplaten aan laten brengen, evenals net voor het achterschip. Deze platen vingen dan de stoten op, als we "uit de bocht vlogen" ...  Sturen deden we in zo`n situatie met twee man.  Ik moest op kommando van mijn vader zo snel als ik kon, de roeren dwars draaien naar stuur-of bakboord, ( terwijl de schroef afstond, anders kon dat niet door de druk van het schroefwater ) dan zette mijn vader de schroef er weer op en de motor volaan open, zo hielden we ( meestal ) de kont uit de wal. Kwam je dan bij een sluis, dan kreeg je het schip niet gestopt met de motor op volaan achteruit. Je moest dan ook nog de zaak afstoppen met een staaldraad. Een kunst op zich, je legde razendsnel zo'n vier slagen om de achterste bolder en door de wrijving van de draad, die je dan tegenhield, remde het schip af. De gietijzeren bolders waren uiteraard goed ingevet. Ook werd er vaak nog een puts water over de bolder gekiept, anders verbrandde de staaldraad. En hield je deze te strak dan sprong hij kapot... Normaal mocht je op de Sambre met de vrouw alleen varen. Maar als op de sluizen de waarschuwing "vloedregime" werd gegeven, was het in de afvaart verplicht een extra man mee te nemen. Dit regelden de schippers onder elkaar. Wie bijv. nog geen reis had, ging met een ander schip mee van Charleroi tot Namur, en dan met de trein weer terug. Voor ons jongelui als we 18 waren, vaak een leuke bijverdienste... Dat dit alles toch wel een hachelijke onderneming was, verklaart het feit dat mijn moeder de tas met waardepapieren tijdens zo`n reis altijd in de stuurhut had staan...

Hoe dichter je de industriezone van Charleroi naderde, hoe vuiler en warmer het water werd en hoe smeriger de lucht. Men noemde die streek niet voor niets " Le pays noir " Het zwarte land. Hoewel het onderstaand schilderij van Pierre Paulus uit 1911 is, geeft het toch de sfeer weer van de jaren 50 begin 60, zoveel was er niet veranderd!

Zo ben ik in mijn jeugd ook regelmatig van Charleroi naar Couillet, langs de Sambre gelopen... De twee schepen die je in de bocht ziet liggen zijn hernas. Een herna had geen stevens maar voor en achter een heve, dat is als men het vlak door- en versmallend omhoog laat lopen.

De Sambre was het domein van de spitsen, maar dat zou niet lang meer duren... Begin jaren 60 van de 20e eeuw, werd het kanaal van Brussel naar Charleroi uitgediept, verbreed en van nieuwe sluizen voorzien. Schepen tot zo`n 1000 ton konden voortaan in Charleroi en omgeving komen. Maar dit werd hen niet in dank afgenomen. De eerste "grote" schepen die verschenen, werden ontvangen met een scheldpartij en een partij stenen door de ruiten! De Belgische schippers van de 38 meterspitsen, zagen zich al in hun broodwinning bedreigd; een schip van 1000 ton nam immers de lading van drie spitsen mee... In dezelfde periode werd ook de Sambre opnieuw gekanaliseerd. Er kwamen nieuwe sluizen, de meeste bochten werden afgesneden, en de oevers van beton gemaakt. De "moderne tijd" had toegeslagen... Verdwenen zijn de winkeltjes en kroegjes bij de sluizen, daar was geen tijd meer voor... Deden wij voorheen er gemiddeld een week over, van Namur naar Charleroi, nu was het meestal in een dag bekeken...

Dit was 12 jaar onze eindbestemming!

De chemische fabriek Solvay te Couillet. Het schip op de foto was ons schip (47 meter). Wij vervoerden industriezout, uit de zoutmijn van Rheinberg (D).

De spits ligt bij Solvay zakken zout te laden met bestemming Antwerpen. Links met die twee bakken, is men bezig met werkzaamheden aan de nieuwe oever. De bergen op de achtergrond zijn zgn. "terrils", afvalbergen van kolenmijnen, grotendeels bestaande uit leisteen. Soms zag je ze roken en smeulen, dan waren ze gaan broeien. Er waren er tientallen in de omgeving van Charleroi.

De spits hierboven heeft een zogenaamde "woonhut". Dat was een kombinatie van woonkamer en stuurhut... Slapen deed men in het achteronder. Je vraagt je misschien af hoe men tijdens de vaart door de vitrage kon kijken, ach, men schoof ze gewoon aan de kant.... Het grootste gedeelte van de " 38 meters " was ooit als sleepschip begonnen. Later bouwde men er een motor in, vaak een 165 pk GM. Deze motoren waren dumpmotoren van het Amerikaanse leger, restanten van WO ll... Ze maakten een hels lawaai, maar waren goedkoop in het onderhoud. Op de achtergrond van de foto zien we een van de vele hoogovens, die het gebied rijk was. Deze is een van de laatste die nog gebouwd is, voordat begin jaren 70 het verval in de staalindustrie begon. (vergelijk Ruhrgebied).

Foto hierboven: even terug in de tijd, eind 19e eeuw... Men kon zich onder genoeglijke kout laten rondvaren in dit stoombootje. Menig aandeelhouder van een der talrijke fabrieken langs de oevers, zal zijn gade er vanuit het scheepje op gewezen hebben, dat kinderarbeid zo erg niet was, het hield ze van de straat!

Begin 20e eeuw, rechts le Quai de Flandre. Het kasteelachtige gebouw was het "Prison" oftewel de bajes, in de jaren 70 van de 20e eeuw gesloopt. Het schip is een houten herna.

Wachthaven van Marcinelle. De twee binnenste 47 meters waren eind jaren 60 niet meer in de vaart, ze fungeerden als woonschip voor de bejaarde eigenaars. Vroeger gebeurde het heel vaak, dat schippers tot hun dood op het schip bleven wonen. Bij de voorste bolder op het binnenste schip, zie je een boom buitenboord steken. Dat is een zgn. "schoorboom". In dit geval wordt hij gebruikt om het schip een stuk uit de wal te houden, zodat de kimmen vrijblijven van de oever. Ook werd de boom gebruikt om het schip uit de wal te "schoren". Men plaatste dan de schoorboom schuin vooruit in de oever, zette deze tijdelijk vast met een kort touw en als het schip dan vooruit in beweging kwam, drukte het zichzelf uit de kant. De foto is iets ten zuiden van Charleroi genomen, aan het begin van het kanaal naar Brussel. Dit was ook een bekende ligplaats, voor schepen die moesten wachten op een reis. Ook werd er vaak gewacht tot de Sambre weer bevaarbaar was, na een periode van "hoogwaterregime" want dan gold er een vaarverbod.


Een paar kilometer stroomopwaarts van Charleroi, Marchienne-au-Pont.

Nogmaals Marchienne-au-Pont, maar nu kijken we de andere kant op... Let eens op het prachtige blauwe water... In werkelijkheid was dat pikzwart! Alle industrie loosde het afvalwater in de Sambre. Het schip links vooraan was een kerkschip, `s zondags werden daar katholieke missen gelezen. Ook werden er wel schippershuwelijken gesloten. Dit alles was een Waalse aangelegenheid, Nederlanders en Vlamingen gingen daar niet naar de kerk. Je had overigens ook een kerkschip in Liege en Antwerpen, en de benaming voor de pastoors was "schippersaalmoezenier". Waar wij wel heengingen in Marchienne, was de dancing! Dit was echt iets aparts! Het publiek bestond namelijk geheel uit schippers en gastarbeiders. Hele families gingen daar naartoe, opa, oma, kind, kleinkind, man, of vrouw, iedereen kwam je daar tegen en iedereen danste daar met iedereen. Je hoorde ook allerlei talen, van Poolse mijnwerkers, Italiaanse fabrieksarbeiders, Vlaamse schippers enz. enz.

De schepenlift van La Louviere. Deze industriestad ligt in de omgeving van Charleroi en de Sambre en behoort dus ook tot "Le Pays Noir". Wij hebben er vroeger regelmatig geladen. Verder konden wij ook niet komen met de 47 meter, want van hier begon de maximum lengte van 38 meter. De eerste indruk die je van deze foto krijgt, is dat er een spits uit de lift komt gevaren. Maar even later zie je duidelijk dat hij stilligt. Hij heeft er zelfs een schoorboom bij staan, waarom weet ik ook niet. De platte heuvel op de achtergrond is een afvalberg van hoogovenslakken. Gemalen noemde men dat "lietjee" Wij vervoerden deze rommel zo nu en dan. Het was vreselijk spul. Het zat vol met heel kleine splinters, die je, als je er bij wijze van spreken alleen maar naar keek, al in je vingers kreeg... Ik meen dat de scheepslift niet meer gebruikt wordt. Maar hij is wel tot industrieel monument verklaard.
Wordt vervolgd.

Jack Sanders †

Voetnoot van oud schipper De Landtsheer bij de schepenlift van La Louviere:
"Het schip dat uit de lift vaart ligt niet stil zoals geschreven. Zolang het schip in de lift was mocht de motor niet draaien. Dit was om te voorkomen dat bij sommige traaglopers (motors met een laag toerental), de ganse constructie van de scheepslift begon te schudden op het ritme van de scheepsmotor. Dat dit zeer schadelijk was voor de constructie en de voegen die het water moesten afsluiten is logisch. Nu de motor van het schip gestopt was, werd dit uit de lift gesleept met een kabel die over de achterbolder gelegd werd, door de winch die op de punt tussen de twee liften stond. Daar dit bij het schip op de foto aan bakboord gebeurt heeft deze de neiging om naar stuurboord te wijken. Omdat het roer weinig effect had zonder schroefwater, diende men bij het verlaten van de lift dan ook te schoren zoals hierboven beschreven".

Hier de Franstalige documentaire La Sambre Transfrontalire van een half uur over de Sambre zoals het was en wat er van over is.