kennisbank voor pleziervaart
         en scheepvaarthistorie
 
 

  A     B     C     D     E     F     G     H     I     J     K     L     M     N     O     P     Q     R     S     T     U     V     W     X     Y     Z  

H, dat wist ik niet...
Hedendaagse en oude zeilvaart
.


Uitwijkregels voor zeilschepen onderling.
(klein t.o.v. klein en groot t.o.v. groot).

Loef wijkt voor lij.
Je kan ook zeggen dat degene die het hoogst (of hoger) aan de wind vaart voorrang krijgt. Dit geldt alleen wanneer beide schepen over dezelfde boeg (stuurboord of bakboord) varen.

Zeil over stuurboord wijkt voor zeil over bakboord.
Als je echter over stuurboord ligt (de wind komt bakboord in en het zeil staat over stuurboord), moet je uitwijken voor zeilschepen die het zeil over bakboord hebben staan.

Bij twijfel altijd uitwijken.
Voorbeeld: je vaart zelf hoog aan de wind met het zeil over stuurboord. De ander lijkt het zeil ook over stuurboord te hebben, maar het is niet duidelijk te zien. In dat geval beschouw je hem als zeilend over bakboord en wijkt uit. Het is dus ondenkbaar dat iemand roept: "ik vaar hoger", of "ik zeil over bakboord" met de bedoeling voorrang af te dwingen. Echt waar, dat gebeurt. Hetzelfde geldt voor de uitroep "ruimte" van een surfer. Het BPR kent alleen voorrang verlenen of uitwijken en geen voorrang nemen of afdwingen.

Opkruisen in vaarwater.
Een zeilschip dat in het vaarwater opkruist, moet uitwijken voor elk ander schip, dat stuurboordwal houdt, of in een betonde geul stuurboordzijde houdt.

Kruisen van betonde geul.
Een zeilschip dat betond water kruist, moet uitwijken voor elk ander schip, want in alle omstandigheden geldt dat nevenwater wijkt voor hoofdvaarwater.

Koerskruiser, oploper, tegenligger of voorbijloper?

Men spreekt over een koerskruiser als het andere vaartuig het eigen schip nadert in een van de sectoren tussen ca 5 vooruit en 2230' achterlijker dan dwars. Een verder achterlijk naderend vaartuig is een oploper en een tegemoetkomend vaartuig in de smalle sector tussen ca 5 bakboord en 5 stuurboord, is een tegenligger. Een oploper gevorderd tot in de sector 2230' achterlijker dan dwars tot dwars (stippellijn) heet een voorbijloper en is in het BPR art. 6.01 lid 1c als volgt gedefinieerd: een manoeuvre die het gevolg is van oplopen totdat de schepen geheel vrij van elkaar zijn. Een voorbijloper (het zeil zal over dezelfde boeg staan) moet ruimte geven.

 

Zeilboot of motorboot?

Als een zeilboot met gehesen zeilen ook op de motor vaart is het geen zeilboot meer en gelden de regels voor een motorboot. De schipper dient dit kenbaar te maken door het hijsen van een zwarte kegel met de punt naar beneden. De zeilboot vaart dan vissermannend.

Zeilstanden.

Hedendaagse benaming Vroegere benaming
zeilstand 1
zeilstand 2
zeilstand 3
tussen 3 en 4
voor de wind
ruime wind (bakstag)
halve wind

ruimschoots
idem
van den wind
idem
idem
zeilstand 4
zeilstand 5
overstag
aan de wind
hoog aan de wind
in de wind
bij den wind
in de wind
op den wind
De zeilstanden 1 t/m 3 met de wind dwars of achterlijker dan dwars hebben de vaarweg bezeild. Ze varen een ruime koers, waarbij niet gekruist hoeft te worden. Oorspronkelijk betekent bezeild niets anders dan "tot zeilen geschikt". Men sprak dan van "een goed bezeild schip".
Zeilstand 1 wordt ook wel "plat voor het lapje/laken" of "met de vlag vooruit" genoemd. Op die koers kan het zeil voor de wind om gebracht worden. Bij een vierkant getuigd schip worden de ra's gedraaid (ombrassen) en bij een langsscheeps getuigd schip de zeilen naar het andere boord gebracht (gijpen).
Zie ook klapgijp, versmalling, bruggen en zeilvoering en benamingen van klassieke tuigage.

Scheepskoersen en schijnbare windrichting
uit de tijd van vierkant getuigde zeilschepen.

Koers van het schip Schijnbare windrichting
Op de wind. De wind komt recht van voren in.
In de wind. De wind komt zo voorlijk in, dat de zeilen niet meer vol staan.
Bij de wind; aan de wind; met stuurboord- of bakboordhalzen toe. De zeilen zo scherp mogelijk aangebrast, maar staan toch nog goed vol. De wind komt voorlijker dan dwars in. De hoek die de wind met de kiellijn maakt is 60.
Vol en bij (bij matige winden). De wind komt voorlijker dan dwars in. De hoek die de wind met de kiellijn maakt is 6 streken ofwel 68.
Ruimschoots (bij zwakke winden). Met ruime schoten. De wind komt voorlijker dan dwars in. De hoek die de wind met de kiellijn maakt ligt tussen de 6 en 8 streken (80).
Halve of halver wind. De wind komt dwars in op 8 streken (90)
Van de wind; ruime wind. De wind komt achterlijker dan dwars in, maar niet recht van achteren.
Voor de wind; met open halzen. De wind komt recht van achteren in.

Zeilvoering in de 17e en 18e eeuw versus de Beaufortschaal.

De zeilvoering van 17e en 18e eeuwse schepen versus de Internationale Beaufort windkracht schaal. Hoewel de oude windkracht omschrijvingen niet zonder meer in Beaufort sterkten om te zetten zijn, kan men vanuit een beschrijving van de bijstaande zeilen van het schip toch een redelijke schatting van de heersende windkracht verkrijgen. De zeelui hanteerden op de dwarsscheeps getuigde zeilschepen namelijk uniforme werkwijzen bij het zeilen van het schip. Ongeacht of men met n groot marszeil (17e eeuw) of met bramzeilen en marszeilen (18e eeuw) voer begon men bij windkracht 4 tot 5 met het reven van de zeilen. Bij een lagere windkracht had men zoveel mogelijk zeil bijstaan. Waren de bramzeilen geborgen en voer men met twee reven in de marszeilen dan stond er al veel wind, kracht 6 tot 9. Tegen de tijd dat het ging stormen, windkracht 10, had men bijna geen zeilen meer bijstaan en voer men alleen nog met stormstagzeilen (de Booij, 1888).

Vuistregels voor zeilvoering van dwarsscheeps getuigde schepen Windkracht in Beaufort Omschrijving
Alle zeilen bij; zeilen vol en bij. 1 - 4 Zwakke tot matige wind.
Enkel gereefde zeilen; Bram- en marszeilen n rif. 5 - 6 Krachtige wind.
Dubbel tot drie maal gereefde zeilen. 6 - 9 Harde tot stormachtige wind.
Dicht gereefd. Onderzeilen n rif. 10 Storm.
Lenzen, top en takel. 11 - 12 Orkaan.
Bron van beide tabellen: Historiche Maritieme Windschalen, H.Walbrink en F.Koek

Mogelijkheid van verschillende scheepstypen
om "aan-de-wind" te zeilen.


Overstag (wenden) met een zeegaand volschip

Zeilen met een groot vierkant getuigd schip is niet te vergelijken met het zeilen van een "gewoon" jacht. Bij bestendig weer op een voor de windse koers, een dienstige wind, is het allemaal nog bevattelijk. Het zeiloppervlak zo groot mogelijk vierkant en vooruit met de geit. Overstag gaan op een niet bezeilde koers duurt voor een jacht een paar seconden, voor een windjammer inclusief voorbereiding een dik halfuur. Hieronder een zo eenvoudig mogelijke beschrijving:

Probleem 1: Een volschip kan zowiezo niet scherp aan de wind zeilen. De kleinste hoek is zo'n vijf streken in de wind, hetgeen betekent dat bij overstag gaan de kop eerst die vijf of meer streken tegen de wind moet overbruggen voordat de wind vanaf de andere kant komt.
Probleem 2: De ra's kunnen niet simpelweg gedraaid (gebrast) worden om het schip door de wind te krijgen want tijdens het brassen komt het schip praktisch stil te liggen, luistert dus niet meer naar het roer en zal gaan afvallen (verwijderen, verliezen = afdrijven). Toch is het mogelijk bij niet te veel zeegang overstag te gaan. Dit wordt bereikt door de druk op het voorschip (fokkemast en grotemast) te verminderen en op het achterschip (kruismast en bezaansmast) te vermeerderen. Het schip blijf vaart lopen en kan dan op het roer naar de wind toe.

Voorbereiding: Na het commando: klaar om te wenden worden op het commando: gei de halzen en de schoten  en voor de roerganger het commando: aan lij je roer (dit lijkt raar, maar hiermee wordt de helmstokstand bedoeld, zie de toelichting), de onderzeilen gegeid (opgetrokken), de voorzeilschoten gelost, de fokkera's alvast vierkant gebrast (dwars) en de bezaanschoot zo strak mogelijk aangehaald. Afhankelijk van de volgorde en de eigenschappen van het schip zal het geholpen door het aan lij staande roer gestadig naar de wind draaien. Wanneer de druk op het voorschip echter niet voldoende is verminderd lukt het wenden niet. Het schip gaat dan tijdens opdraaien al deinzen en afvallen (halzen).

Overstag: Wanneer de kop in de wind ligt wordt het roer midscheeps gezet, waarbij het schip stil komt te liggen of gaat deinzen. De ra's aan de grote mast worden nu bliksemsnel geheel rondgezwaaid waarna fokkemast en kruismast volgen. De schoten moeten over de verstaging gehaald worden, de onderzeilen uit de gei gelaten en tot besluit wordt alle zeil in de nieuwe stand weer vastgezet. Dit brassen was geen kattenpis. Het overkomende zeewater en de vele regenbuien lieten de brassen opzwellen, de stevigste maats moesten dan met z'n zessen of achten nog alle krachten inspannen om de ra m te krijgen. Het trekken moest tegelijk gebeuren en zo ontstonden er op den duur speciale liedjes, bras-liedjes, waarvan de Britten er nu nog een beduidend aantal bezitten. Voortdurend brassend en opnieuw brassend was het schip dus bezig om zich tegen de wind in vooruit te werken. Uit oude journalen blijkt dat dit moeizame gedoe soms dagen, ja weken achtereen moest worden volgehouden, waarna soms een noordoosterstorm alles weer ongedaan maakte door het schip als een pluim voor zich uit te blazen! Overstag heette bij vierkant getuigde schepen overigens wenden of opwerken. In het Engels tacking (zie de manoeuvre in het filmpje van het Noorse volschip Srlandet)

 

Halzen: Het spreekt vanzelf dat bovenstaande manoeuvre met flinke zeegang onmogelijk is. De kop is niet door de wind te krijgen. Men gaat dan over tot een nog bewerkelijker en koortsachtige methode, het voor de wind wenden, het halzen. De druk op het voorschip wordt nu juist opgevoerd en bij het achterschip verminderd. Erg simpel gezegd, zonder alle handelingen opnieuw te beschrijven: bovenstaande methode andersom, met voor de roerganger het commando: op je roer. Het schip zal nu afvallen en met erg veel werk aan braslijnen, geitalies, toppenanten, halslijnen en schoten helemaal rond gaan. De slechte weersomstandigheden vragen hierbij om secondenwerk in een razendsnel tempo. De orders moeten feilloos op het juiste moment gegeven en uitgevoerd worden. En om een goede koers te houden, ettelijke keren het etmaal rond. Dat is hard werken, dat is zeemanschap... Halzen heet in het Engels wearing ship (zie de manoeuvre in het filmpje van het Noorse volschip Srlandet).

 

Toelichting bij de commando's "aan lij je roer" en "op je roer".
Bij ministerile beschikking werd voor de marine bepaald dat vanaf 1 april 1905 de roercommando's gegeven moesten worden naar de richting waarin het roerblad wordt gedraaid. Vr die tijd werd een roercommando naar de richting van de roerpen (helmstok) benoemd, dus tegengesteld. Ik neem aan dat de beschikking voor oudgedienden tot verwarring en mogelijk gevaarlijke situaties heeft geleid...

Wenden (links) en halzen (rechts) met een vierkantgetuigd schip.
Achtereenvolgende posities/commando's bij wenden. Achtereenvolgende posities/commando's bij halzen.
1. vol en bij.
2. haal op bezaan, "aan lij je roer".
3. vierop vr.
4. halzen.
5. gaan achter.
6. kluiverschoten over.
7. rond vr.
8. voorra's levendig houden.
9. kort aan vr.
1. vol en bij.
2. bezaan en grootzeil gegeid, "op je roer".
3. achterrazeilen levendig.
4. achterrazeilen geleidelijk scherp gebrast.
5. voorra's vierkant (bree voor).
6. kluiverschoten over, bezaan uit, grootzeil bij.
7. rond vr.
8. kort aan vr.

 

Halzen met een langsscheeps getuigd schip (in de 4e positie gaat het zeil over).

Quote uit "De Passat gaat naar huis"

"Beide wachten zijn nu tegelijk aan dek en de kapitein oordeelt het beter om deze keer te halzen (voor de wind doen wenden) inplaats van door de wind te gaan. Ieder heeft zijn plaats ingenomen, twee man aan het roer, de rest aan de brassen en de lieren. Voor alle zekerheid worden ook begijn en grootzeil nog opgegeid. De kapitein heeft zelf de leiding van de manoeuvre genomen. Een onvergetelijk moment is het, als hij het signaal geeft. Wanneer het geen bittere ernst was, zou men kunnen spreken van een openluchtspel met een prachtig staaltje van massaregie. In voortreffelijke harmonie doet ieder der groepen zijn plicht. Brassen worden gevierd. Een paar honderd blokken (katrollen) komen in actie; sommige doen hun werk kwaadaardig en piepen, wanneer de dikke, nog niet helemaal droge touwen erdoor moeten, andere doen zonder morren hun eenvoudig, maar verantwoordelijk werk. Langzaam richt de bark zich op. Zo snel ze kunnen, brengen de roergangers het roer naar de andere kant. Even ligt het schip voor de wind, maar de roergangers weten van geen ophouden en de "Passat" reageert gewillig op hun handelingen. De raas worden nu geheel rondgebrast. De wind krijgt de zeilen weer opzij te pakken. Een ogenblik gaat er een lichte siddering door het schip en dan legt het zich rustig op zijn andere kant. Het is gelukt, de manoeuvre is volbracht. Het was vlug gegaan. Het had ons nog geen half uur gekost. Overigens wel een verschil met een jacht op de Kaag, dat in een paar seconden door de wind wordt gebracht. Wie dergelijke grote ogenblikken meegemaakt heeft, beseft iets van de diepe zin, welke besloten ligt in de uitdrukking "schipper naast God", zoals onze oude Hollandse zeevaarders zichzelf noemden. Fier en zelfbewust, onbeperkt heerser op hun schip, maar tegelijk hun onmacht erkennend tegenover de oerkrachten, die hen steeds omringen. Zo gaat het nog vele malen, dan weer een paar uur over bakboord en dan weer eens een volle wacht over stuurboord".
Uit "De Passat gaat naar huis" (verhalen en liederen).
H.L. Zeelenberg

verantwoording