|
| Maan standen |
De schijngestalten
van de maan worden achtereenvolgens op onderstaande wijze benoemd. Op het plaatje van
links naar rechts. Een handig ezelsbruggetje om verwarring tussen eerste en laatste
kwartier te voorkomen: Denk aan een uurwerk. Bij het eerste kwartier van een uur staat de
grote wijzer op drie (naar rechts) en bij het laatste kwartier op negen (naar links). Dat
zijn de verlichte gedeelten van de maan. De animatie ter rechterzijde laat
achtereenvolgens de vetgenummerde standen "1=nieuwe maan",
"3=eerste kwartier", "5=volle maan" en "7=laatste kwartier"
zien. Verwant: getijwater.
|
| Machinekamer ventilatie | Om één liter brandstof te verbranden is 10,5 m³ lucht nodig. Dat komt neer op 4,5 m³ per pk (6,1 m³ per kW) per uur. Ongeveer eenzelfde hoeveelheid is nodig om de stralingswarmte van de motor af te voeren. Bij een motor van 60 pk is dat dus 60 x 4,5 x 2 = 540 m³/uur. Verder geldt de vuistregel dat een ventilatieopening c.q. luchtpoort 224 m³/uur per dm² vrije doorlaat kan verwerken zonder dat de aangezogen lucht een te hoge snelheid krijgt. In het voorbeeld van 60 pk betekent dat een luchtinlaat met een minimum doorlaat van 540 / 224 = 2,41 dm². Verwant: dorade. |
| Magerman | Een boelijn is een
touw om een razeil aan de loefzijde (windzijde) met een spruit
bij aan-de-windse koersen in de windrichting te houden. De boelijn van het voormarszeil,
dat is het onderste zeil aan de voorsteng, heet (vraag me
niet waarom) magerman.
|
| Makreel | Makreel is een vette
vis (gezond vet) met een uitgesproken smaak. De vis ziet er tonijnachtig uit en bederft na
vangst zeer snel. Dat is de reden dat we het visje hoofdzakelijk kennen als gerookt,
gestoomd of ingeblikt. Een vers gerookte makreel is verrukkelijk. Een vers gebakken of
gestoofd makreeltje is echter ook niet te versmaden. Het lekkerste deel is dan het
staartstuk. Het is een kunst om een gestoomd of gerookt visje graatvrij schoon te maken.
Supermarkten helpen ons en verkopen naast vacuüm verpakte hele makrelen ook gestoomde
(bijna graatvrije) filets, waarvan de vleeskant een droog korstje krijgt. Hoewel je mag
aannemen dat het visje vers is verwerkt, wordt veel te vaak een geel/groene verkleuring
aangetroffen die een ranzige smaak geeft. Koop je makreeltje dus niet bij een supermarkt. Het gemak dient de mens, maar besef wel dat je de fijne smaak van verse of vers gerookte vis mist. In mijn beleving geldt dat ook voor vlees en fruit. Het "watervlees" van de supermarkt is alle malsheid kwijt. Het bakken of braden van dit natte vlees ontaardt na aanbraden in koken door het vrijkomend en meebetaald vocht en het meeste fruit is zo onrijp geoogst dat het thuis niet meer zal rijpen, maar slechts melig wordt om vervolgens weg te rotten. Verwant: paling, kibbeling, haring, garnaal.
|
| Man over boord |
Als eerste moet een
reddingboei of fender richting drenkeling
worden gegooid. Het dient als drijfvermogen voor de drenkeling en als merkpunt voor de
schipper. Op groot ruw water is het tevens uitwerpen van een joon
aan te bevelen. De motorboot heeft het een stuk gemakkelijker dan een zeilboot, want er
kan onmiddellijk worden omgedraaid en teruggevaren. De moeilijkheid zit 'm in het weer aan
boord krijgen van de drenkeling. Het is bijna onmogelijk iemand met doornatte kleding uit
het water te tillen, zelfs als de drenkeling bij bewustzijn is en kan meewerken. Een lijn
onder de oksels is een mogelijkheid, maar beter is (als de drenkeling kan meewerken) een
lijn in een lus overboord hangend vast te maken waarbij de drenkeling zijn voet in de lus
kan zetten. Om een bewusteloze drenkeling aan boord te krijgen kun je een zeil over de muur (reling) hangen welke een beetje verzwaard is zodat het onder water blijft hangen. Het andere eind bevestig je aan de reling. Door de drenkeling nu naast het zeil te manoeuvreren kun je d.m.v. twee lijnen die bevestigd zijn aan het onder water hangende deel van het zeil, de lijnen naar de buitenzijde van de drenkeling manoeuvreren en dan omhoog trekken. De drenkeling hangt dan als in een mitella naast het schip, gewoon doortrekken tot hij als het ware aan boord rolt.....ook erg geschikt voor zware mensen. Kortom, een prima reddingmiddel om aan boord te hebben. De beste methode is natuurlijk met afgezette motor bij het zwemplateau. Bedenk een goede mogelijkheid voor je schip, trapje of touwladder aan reling b.v. en maak noodzakelijke aanpassingen. Test de werkbaarheid eens bij mooi zwemweer met een vrijwilliger, ook als het oefenmodel niet meewerkt. Je zult versteld staan hoe moeilijk dat is. Verwant: onderkoeling, reddingvest. |
| Manifold | Een meervoudig spruitstuk met afsluiters, dan wel een samenstel van meervoudige van afsluiters voorziene aftakkingen of leidingen. [Me] |
| Marifoon | Voor het bedienen
van een marifoon is een bedieningscertificaat en een registratiebewijs vereist. Het
certificaat kan alleen behaald worden door het marifoonexamen met goed gevolg af te
leggen. De minimum leeftijd voor het bedieningscertificaat is 16 jaar. Het examen mag al
vanaf 11 jaar worden afgelegd. Tot 1999 werd een zendvergunning verleend aan de combinatie
vergunninghouder, schip en apparatuur. Met ingang van 15 december 1998 is de nieuwe
Telecommunicatiewet in werking getreden waarbij als basis voor een vergunning de
combinatie vergunninghouder en gebruik frequentieruimte geldt. Tevens werd aan alle
vergunningen een einddatum verbonden. Inmiddels is de vergunning gewijzigd in een
registratiebewijs. De zendgemachtigde is verplicht het Handboek Marifonie aan boord te
hebben, waarin de kanalen van sluizen vermeld staan en de blokkanalen waarop verplicht
uitgeluisterd dient te worden. Vanaf 2007 is het toegestaan gebruik te maken van een
portable marifoon (handheld) zonder dat daarnaast een vaste marifoon geinstalleerd is.
Bedenk wel dat het ontvangst- en zendbereik beduidend minder is, maar voor schepen,
sluizen en walstations in 't zicht werkt het prima. Meer informatie over voorschriften en
beperkingen is te vinden bij het Agentschap Telecom dat sinds 22 juli 2002 onderdeel vormt van het
Ministerie van Economische Zaken. Op de pagina veiligheid per radio of marifoon een overzicht van tijden waarop radiostations en kustwacht weerberichten uitzenden. Verder een spiekbriefje voor noodcommunicatie, het internationaal fonetisch alfabet en een overzicht van marifoonkanalen. |
| Marina | Uit Amerika afkomstige benaming voor een jachthaven met veel faciliteiten (alles d'rop en d'ran). Het woord was vroeger ook in het Nederlands bekend als aanduiding voor "dingen die uit zee komen" zoals ambergrys, paerlmoer, paerlen en barnsteen, ook wel "zeegewassen" genoemd. [NvW] |
| Mariniseren | Het ombouwen van een auto- of andere motor tot scheepsmotor. Bij een gemariniseerde motor is het koelsysteem ingrijpend gewijzigd. Vanwege het ontbreken van rijwind is een radiator nutteloos en wordt de olie niet meer gekoeld door de wind langs het carter, waardoor (meestal) ook een aparte oliekoeler noodzakelijk is. Verder wordt een schip in tegenstelling tot een auto niet in beweging gezet door een koppeling(pedaal). De kracht van de stationair lopende motor wordt door het inschakelmechanisme in één klap via de keerkoppeling overgebracht op de schroef. Om te voorkomen dat de motor door deze plotselinge weerstand af zou slaan, wordt gebruik gemaakt van een verzwaard vliegwiel met daaraan een demperplaat. Het uitlaatsysteem wordt ook aangepast. Er kan gekozen worden voor een droge- of natte uitlaat. Een star gemonteerd droog systeem moet vanwege de grote hitte omwikkeld worden met speciaal isolatiedoek en met een flexibel harmonicastuk aan het uitlaatspruitstuk bevestigd worden. Een nat systeem kan door het gebruik van uitlaatslang meetrillen en wordt hooguit handwarm. |
| Maritiem | Modewoord in watersportland. Het wordt met verve gebruikt voor varen op binnenwater. De letterlijk betekenis is echter: "Betrekking hebbende op de zee". "De zee of het zeewezen betreffende". "De zeevaart beoefenend". Heeft dus NIETS te maken met watersport op binnenwater. Nautisch daarentegen wel. De betekenis daarvan is veel algemener: "De scheepvaart of watersport betreffende" [Van Dale]. De Maritieme Encyclopedie omschrijft nautisch als: "De scheepvaart in het bijzonder de navigatie betreffende". |
| Marllijn |
|
| Marker rondbouw |
| Marrekrite | Het recreatieschap Marrekrite, een club van overheden (provincie en 21 gemeenten) beheert een groot aantal gratis aanlegplaatsen voor de watersport in Friesland. Op de site is een digitale kaart te bekijken. |
| Mars |
Het platform rond de top
van de ondermast. Het dient om aan het stengewant de nodige
spreiding of spatting en steun te geven. De mars werd ook gebruikt als uitkijk en als
werkplatform voor de marsgasten die in de tuigage werkten.
Een deel van het lopend want werd vanaf de mars bediend. Oude marsen waren niets anders
dan een korf (mars, marskramer, mastkorf) of ton (kraaienest)
die op de top van de mast werd geplaatst als observatie- en gevechtspost. In de 16e eeuw
was de benaming voor een schip met meerdere marsen (en dus stengen) meersschip
[meers = mars]. Zie ook: Windjammer. |
| Mast oude binnenvaart |
Een veel gebruikte houtsoort voor masten van Hollandse binnenschepen was Riga-grenen vanwege haar veerkracht. In ieder geval naaldhout, recht, lang- en fijndradig en harsrijk. Deze masten konden onder vol tuig mooi doorbuigen, zonder te breken. De mast gaf men een lichte kromming naar achter, de zgn stagbocht, maar werd het fokkestag behoorlijk aangezet, dan was hij recht. De ronde of ellipsvormige opening in het dek, waar de mast doorheen gaat heette in de 17e eeuw - ook bij zeegaande schepen - vissing. De vissing was van binnen met eikenhout bekleed. Ook de klampen, die de masten etc. in alle richtingen steunen, heetten vissings, vischiens of visschers, maar ook wel wangen, balksplanken of balksbalken. Verder de benaming vissingstuk voor de middendrager in het langsverband van het dek. De blokken om een vierkante mastvoet door te voeren en op de kiel te verankeren heetten sporen of prikkels [NvW]. Het gebruik was de masttoppen zwart te schilderen, het ijzerwerk wit. In het noorden en oosten van het land was een categorie schippers van een bepaalde belijdenis, die hun top wit verfden (wittoppers) en zo voor hun godsdienstige gezindheid (bevindelijk gereformeerd) uitkwamen. Het overige rondhout werd op dezelfde wijze bewerkt. Het verhaal gaat dat een wittopper nooit een meeuw op de kloot had zitten. Verwant: paalmast, kloot en rondhout schaven. |
| Mastnamen oude zeevaart |
Bij meermastschepen werden de masten
(naarmate er meer waren) niet bepaald eenduidig benoemd. Op schepen die een boegspriet
voerden, eventueel met kluifhout en jaaghout, werd deze bij de masten gerekend. Tot
omstreeks 1850 waren masten van hout. Scheepsbouwer Fop Smit uit Kinderdijk zou de eerste
zijn die in ons land ijzeren masten toepaste. Ze waren samengesteld uit ijzeren platen die
aan elkaar geklonken werden, maar nog lange tijd werd de bezaansmast van hout gemaakt om
afwijkingen van het daar geplaatste kompas te voorkomen. - Tweemastschip: de voorste staande mast fokkemast, de achterste grote mast (behalve bij het anderhalfmasttuig). - Driemastschip met barkstuig: de derde mast bezaansmast en op een driemastschip met een fregatstuig kruismast. - Viermaster 16e en 17e eeuw: de vierde mast bonaventuramast. - Viermastbark 19e eeuw: de derde mast kruismast, de vierde jagermast. - Viermastvolschip: de derde mast ook wel hoofdmast en de vierde kruismast, jager- of jiggermast of achtermast. - Vijfmastvolschip: de derde mast middelmast, de vierde hoofdmast of achtermast, de vijfde jagermast, achtermast of kruismast. - Zesmastschip (zesmastgaffelschoener): de derde mast kruismast, de vierde jiggermast, de vijfde drivermast en de zesde bezaansmast. - Zevenmastschip: op de enige zevenmaster die bestaan heeft, de zevenmastgaffelschoener "Thomas W. Lawson" werden een aantal masten ten einde raad met een rangnummer aangeduid: fokkemast, grote mast, bezaansmast, nummer 4, nummer 5, nummer 6 en spanker [Me5, blz 54]. Verwant windjammers. |
| Mastwortel |
Een argeloze lezer zal hierbij denken aan de voet van de mast. Niets in minder waar, de mastwortel bevindt zich bovenop de mast en dient als versiering. Zie hemelboender. De voet van de mast heet hiel. |
| Maten en gewichten | Zie voor oude maten en gewichten de schippersmaatlat en inhoudsmaten bij victualiën in vroeger eeuwen. |
| Matroos | Het woord zou een verbastering zijn van mattenoot, hetgeen mat- of kooigenoot betekende. |
| Mayday | De radionoodoproep
"mayday" (3x) mocht tot een paar jaar geleden alleen gebruikt worden op zee en
ruim water. Inmiddels ook op binnenwater. Het internationale noodsignaal is waarschijnlijk
een verbastering van het Franse "m'aider" (mij helpen, help me). De noodoproep
zou voor het eerst gebruikt zijn in 1923 op voorstel van F.S. Mockford, verkeersleider van
Croydon Airport in London. Hem was gevraagd eens na te denken over een woord dat door
piloten en grondpersoneel van verschillende nationaliteit onmiddellijk begrepen zou worden
als noodsignaal. Omdat het meeste verkeer in die tijd tussen Croydon en Le Bourget in
Parijs was, stelde hij mayday voor, dat zowel voor Fransen als Engelsen goed uit
te spreken was. Denk eraan dat "mayday" alleen gebruikt mag worden in een
noodsituatie waarbij schip en bemanning in direct gevaar verkeren. Voor alle andere
hulproepen dient 3x panpan, uitgesproken als "pannepanne" (pech), gebruikt te
worden. Zie noodcommunicatie. |
| Meander | Meanders zijn de bochten in een kronkelende rivier. De aanduiding wordt echter ook gebruikt voor zijtakken van rivieren. |
| Meerpaal |
Gebruik bij het vastmaken aan een meerpaal een landvast met aangesplitst oog (paaloog) en leg de lus om de paal en beleg de lijn op de bootbolder. Een lange lijn kan met een extra slag of mastworp om de paal heen-en-weer gehaald worden. Als je gebruik moet maken van de meerpaal van je buurman haal je de lus of mastworp van je landvast onder de zijne door, zodat hij bij vertrek geen moeilijke toeren uit hoeft te halen om los te gooien. Verwant: dukdalf. |
Meerpen![]() |
Voor het afmeren aan een walkant zonder meerpalen zijn meerpennen nodig. Gebruik daarvoor ruim bemeten pennen, bij voorkeur van hoekijzer met de open zijde richting schip. Een dwarsijzer voorkomt wegglijden van de landvast. Voor het snel inslaan is een zware moker aan te bevelen. Nog sneller kan voor - voorlopig - afmeren een bij elke watersportwinkel verkrijgbare schroefpen (spiraalpen, draaispit) gebruikt worden. Denk bij definitief vastleggen aan een spring. De grootste boosdoener bij loswerken van meerpennen is niet de golfslag van passerende schepen, maar de zuiging. De heer P Meijers uit Maarssen gaf aan Motorboot de volgende tip voor het vastmaken aan een steiger zonder bolder, kikker of ring. Het hiernaast afgebeelde afmeerhulpje heeft hij zelf gemaakt en wordt tussen de gleuf van de steigerplanken geschoven en een kwartslag gedraaid. Inmiddels is bekend dat toepassing in veel jachthavens verboden is omdat het de steigerplanken kan beschadigen of loswerken. |
| Meetbrief | Een door Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) afgegeven document met het volledige signalement van het vaartuig. Alle beroepsvaartuigen die geregistreerd zijn bij het kadaster moeten in het bezit zijn van een meetbrief. De meetbrief geldt voor schepen met een laadvermogen van meer dan 20 ton die goederen vervoeren en voor schepen die een waterverplaatsing (toelading = verschil tussen geladen en leeg schip) hebben van meer dan 10 m³ die geen goederen vervoeren, bijvoorbeeld passagiersschepen, sleepboten, duwboten, werkboten etc. Bij goederenvervoer kan uit de gegevens van beuntabel (beun is ruim) en ruimmeting de laadcapaciteit worden afgeleid. Vaartuigen die aan het internationale verkeer deelnemen dienen om de tien jaar hermeten te worden. Voor zeevaart moet bij aanvraag van een zeebrief, de meetbrief overlegd worden. Bij wijziging van een in de meetbrief aangegeven maat vervalt het document. |
| Melkmeid |
"De melkmeid optuigen", zie lijzeilen. |
| Melkschuit | De Waterlandse melkschuit. |
| Meren | Zie afmeren. |
| Messing | Messing is een legering van koper en zink en een verbastering van "met zink". De toevoeging van zink maakt het koper sterker en goedkoper. De rode koperkleur verandert in goudkleurig geel. Prompt werd messing dus ook gebruikt om klatergoud (namaak bladgoud of latoen) te maken. De kopergieter die met messing werkte heette geelgieter. Messing bouten, schroeven en afsluiters kunnen evenwel niet onderwater op zee worden toegepast. Het zink zal langzamerhand uit het koper verdwijnen en een broze substantie achterlaten. Een legering van 62% koper en 37% zink met een toevoeging van 1% tin is echter wel zeewaterbestendig. Deze legering wordt muntzmetaal of "naval brass" genoemd. |
| Messroom | Zie longroom. |
| Metrische schroefdraad | Voor het tappen van schroefdraad of maken van gaten voor vrije doorlaat van bouten is het handig te weten met welke diameter geboord moet worden. (maten in mm). De boormaten zijn voor handdraadtappen Dit zijn setjes van 3 tappen. Er wordt tegenwoordig ook door de doe-het-zelver steeds meer draad getapt met de hand met een machinetap, hiervoor heb je maar één draadtap nodig. De boormaat is dan ook wat makkelijker te onthouden n.l. het te tappen gat maal 0,8. Voor 6 mm is dat dus 6 x 0,8 = boordiameter 4,8 mm , voor 8mm dus 6,4 enz.
|
| Middeleeuwen | Bij de beschrijving van oude schepen wordt veelvuldig de aanduiding Middeleeuwen gebruikt. Gebruikelijk is dat hiermee het tijdperk (ca. 500 - 1500) tussen de oudheid en de nieuwe tijd bedoeld wordt. Toch is de aanduiding heden ten dage aan discussie onderhevig. Volgens sommige opvattingen betreft het een veel ruimer begrip voor een periode waarvan het begin - vroege Middeleeuwen - tussen de 5e en 8e eeuw en het einde - late Middeleeuwen - tussen de 14e (soms zelfs 13e) en 18e eeuw ligt. In het laatste geval dus inclusief Gouden Eeuw [1550 - 1650] en het begin van de Nabloei [1650 - 1800]. |
| Midzwaard | Zie zwaard, verwant: zijzwaard. |
| Mist | Meteorologen onderscheiden vier soorten mist. Zeemist of
advectiemist, meestal in het late voorjaar of vroege zomer, frontale
mist als gevolg van een occlusiefront of
voorafgaand aan een warmtefront, arctische zeerook, alleen op hoge
breedtegraad en radiatiemist boven laagliggend land bij heldere nachten. De beste tip bij mist: Vaar niet uit. Maar je kan natuurlijk overvallen worden. Ontsteek de navigatieverlichting en een mistlicht. Zorg dat iedereen aan boord een reddingvest aantrekt en hijs, als hij er al niet hing, de radarreflector. Posteer een bemanningslid als uitkijk voorop, zover mogelijk verwijderd van motor- en schroefwatergeluid. Volgens art 6.30 BPR hoeft dit bij een klein schip overigens niet. Matig je snelheid dusdanig dat het schip nog net op koers te houden is. Blijf aan stuurboordzijde van het vaarwater en onderdruk de neiging naar het midden te gaan. Daar varen de grote jongens op radar. Als je marifoon hebt; luister uit op kanaal 10 of het blokkanaal van het vaargebied en meldt je bij de verkeerspost als die aanwezig is. Geef, ook al ben je het niet verplicht, af en toe een lange stoot op de hoorn. De toelichting bij art 6.33 BPR zegt echter dat bij een grote concentratie van pleziervaart het geven van geluidsseinen veelal geen bruikbare informatie verschaft. Je kan je de kakofonie voorstellen. In het RPR gebied mag je als klein schip zelfs geen geluidssein geven. Grote schepen zonder radar (zijn die er nog?) moeten voortdurend een mistsein geven. Als je het letterlijk niet meer ziet zitten ga dan zo snel mogelijk naar de wal of voor anker achter een tonnenlijn. Op rivieren kan je het best een plaatsje tussen de kribben zoeken, maar denk aan de neer. Op het IJsselmeer stilliggen heeft weinig zin. Je houdt met kalme vaart je laatste koers, want je had op het grote water natuurlijk minimaal een handpeilkompas aan boord. Dat het in een nog niet zo ver verleden wel eens goed mis ging, kan je lezen in een berichtje uit de bedrijfskrant van rederij Van Ommeren, december 1961.
|
| Moetrand | De vuile waterlijnrand die na een seizoen varen zichtbaar is. Bij ongeladen vrachtschepen is daaraan te zien hoe diep het schip in geladen toestand lag. |
| Monkey | Het voorvoegsel monkey werd bij de koopvaardij gebruikt voor namaak of onvolledig, maar ook voor klein. Zo had je monkey-bak, monkey-bridge en monkey-sleutel (kleine Engelse sleutel) . De monkey-gaffel was een kleine gaffel aan de steng van de bezaansmast boven de grote gaffel van de bezaan. |
| Mooring |
Ook wel moorage. Engelse en inmiddels trendy benaming voor een eenpuntsmeerboei. De zeer stevig verankerde boei, aan de bovenzijde voorzien van een oog of ring, waaraan meertrossen of een ankerketting van een vaartuig kunnen worden bevestigd om af te meren, in vroeger tijden ook wel hofstede genoemd. Er zijn grote ronde boeien met een platte bovenkant, waarop mensen afgezet kunnen worden en cilindrische boeien die op hun kant in het water drijven. |
| Mosselaak | Een Zeeuwse lemsteraak. |
| Mosterdpot |
In de
scheepvaart twee betekenissen: Een houten grondplaat met een uitholling waarin de voet van een laadboom (spier) van een twee- of driepotige bok kon worden gezet. Elke poot stond in zijn eigen mosterpot en was d.m.v. talies aan ogen in het dek verankerd om verschuiven te voorkomen. Zo'n hijswerktuig is reeds lang verleden tijd. In de visserij bestaat de mosterdpot nog steeds, maar heeft een andere betekenis. Het is een aan dek verankerde behuizing met twee naast elkaar liggende schijven die dienen om de vislijnen van het trawlnet te geleiden, ook wel koningsrol. |
| Mot | Fries binnenvaart- /kustvaartschip. Maar ook de benaming voor een touwleuver, zie fok. |
| Motor | Gemeenzaam en ingeburgerde benaming voor een gemotoriseerd binnenschip dat niet anders te typeren is. Luxe motor en Franse motor zijn wel tot type verheven, maar andere gemotoriseerde schepen niet. Men benoemde het schip dan gewoon als motorschip, motorschuit, of nog korter motor, of naar toepassing: zandmotor, beurtmotor, tankmotor, of noem maar op... De aanduiding "motor" is waarschijnlijk terug te voeren naar de overgang van zeil- naar motorvaart. Voor schepen met ingebouwde motor werden in die tijd dubbele doorvaarttarieven berekend omdat waterschappen er terecht vanuit gingen dat hogere vaarsnelheden oevers en kunstwerken zouden beschadigen. Op sommige wateren gold zelfs een vaarverbod voor motorschepen. Het woord "motor" moest op het boeisel staan. Verwant: opduwer. |
| Motorboot | Wat
verstond de Maritieme Encyclopedie in 1972 onder een motorboot en een motorzeiljacht? Het
is aardig om te lezen hoe men daar toen over dacht: Motorboot, algemene benaming voor een open motorvaartuig. In de watersport verzamelnaam voor alle sportvaartuigen die uitsluitend worden voortgestuwd door een motor. Zij kunnen als volgt worden onderscheiden. a. Open boten (zonder kajuitaccommodatie). De autoboot heeft een midscheeps ingebouwde motor. De runaboot heeft een of meer buitenboordmotoren aan de spiegel; de snelle typen noemt men ook wel speedboot. Soms is er over de kuip een afneembaar of wegschuifbaar dakje aangebracht, de hardtop. Daarnaast zijn er andere typen open motorboten voor allerlei andere doeleinden, zoals de bijboot (bij een motor- of zeiljacht), visboot (vaak met ingebouwde bun), pontonachtige typen voor het spelevaren bij mooi weer, enz. b. Dagkruisers, motorboten met een verhoogd voordek, waaronder enige kajuitaccommodatie is aangebracht (meestal twee kooien), en met een grote open kuip. c. Motorkruisers, middelgrote motorboten met een kajuitopbouwen vaak daarachter nog een kuip. d. Motorjachten, motorboten met kajuitopbouw die door hun grootte of door de vorm van romp en opbouw zeewaardig zijn en waarvan het uiterlijk een duidelijke jacht-allure vertoont. Motorzeiljacht, ook "fifty-fifty" genoemd, een sportvaartuig, zodanig ontworpen dat het zowel door een motor als door zeilen goed voortgestuwd kan worden. Om een goed motorzeiljacht te maken, moeten zowel van het motorjacht als van het zeiljacht bepaalde eigenschappen worden opgeofferd. Daarbij kan de nadruk zowel op de motorbooteigenschappen liggen als op de zeileigenschappen. Men gebruikt dan wel eens aanduidingen als 60/40 (meer motorboot ten koste van de zeiljachtkwaliteit) of 40/60 (meer zeilboot ten koste van de vaareigenschappen bij motorgebruik). De aanduiding fifty/fifty of 50/50 is minder juist, omdat een goed ontworpen motorzeiljacht méér dan de helft van de goede eigenschappen zowel van het motorjacht als van het zeiljacht in zich kan verenigen. De aanduiding 70/70 zou vaak een juister beeld geven. |
| Motorfundatie | Een
groot gedeelte van motorlawaai en trillingen kan voorkomen worden door een goede fundatie.
De fundatie (b.v. kokerbalken) moet voldoende zwaar en stijf zijn uitgevoerd en dient
zowel in langs- als dwarsscheepse richting één geheel met het casco te vormen, waarbij
het fundatiegewicht minimaal vijf maal het motorgewicht incl keerkoppeling moet hebben.
Gelukkig kunnen we voor de berekening daarvan het deplacement
per meter, het gewicht van het casco zonder motor, meetellen. Een voorbeeld: Schip is 10 meter lang en weegt 10 ton. De motor incl. keerkoppeling weegt 300kg. Het gewicht van de fundatie moet dus minimaal 5 x 300 kg = 1500 kg worden. Het schip zelf zorgt per meter lengte voor een gewicht van 10.000 kg : 10 = 1000 kg. Rekenkundig zou de fundatie dan een lengte van 1500 : 1000 = 1,5 meter moeten hebben. |
| Motorlawaai | Een moeilijk te beteugelen fenomeen. Het geluid dat ons bereikt bestaat n.l. uit luchtgeluid en trillings- of constructiegeluid. Het trillingsgeluid is over het algemeen de grootste boosdoener. Als de motor flexibel is opgesteld, zie motorsteun, zal het trillingsgeluid beduidend minder zijn dan bij een starre opstelling. Bij een te lichte of starre motorfundatie is de machinekamer (in feite het hele schip) één grote resonantiekast voor het trillingsgeluid. Uiteraard maakt de motor zelf ook geluid, waarvan veel wordt veroorzaakt door het luchtfilter. Een luchtdichte kast zou ideaal zijn, maar de motor heeft nu eenmaal lucht nodig, veel lucht zelfs. Toch kan best een niet te krappe geïsoleerde omkasting gemaakt worden, mits gezorgd wordt voor voldoende luchttoevoer. Natuurlijk zal op die plek geluidslekkage ontstaan, maar dat is niet te vermijden. Bekleed de omkasting (kist) aan de binnenzijde met een goede kwaliteit geluiddempende plaat van een type, dat liefst ook ontdreunende eigenschappen heeft. Vervang het standaard luchtfilter door een z.g.n. cycloonfilter, verkrijgbaar bij bedrijven voor landbouwmechanisatie. Het is een filter dat veel toegepast wordt bij landbouwmachines, daar niet zo zeer vanwege het mindere geluid, maar vooral vanwege de enorme stofverwerkende capaciteit. Daarnaast kunnen schroefas (trilling door verkeerde lagerafstanden) en scheepsschroef ook een bron van herrie zijn. Te overwegen valt ter plekke het vlak te bekleden met speciale ontdreuningsplaten of te behandelen met een ontdreuningscompound. Meer informatie over geluidsisolatie aan boord is te vinden bij de akoestiekwinkel. Verwant: motorfundatie. |
| Motorolie | Kijk voor SAE classificatie bij viscositeit en verder bij aanschaf en winterklaar maken. |
| Motorpakschuit |
| Motorsteun | Bij
een flexibele motoropstelling geven goede motorsteunen (trillingdempers), een bijdrage aan
het terugdringen van motorlawaai. De beste isolatie geven
zachte trillingdempers in combinatie met een stuwdruklager.
Zo'n druklager is noodzakelijk omdat zachte rubbers geen stuwdruk kunnen hebben. Ze worden
scheef gedrukt en verliezen hun verende capaciteit. Het nadeel is dat de opstelling zuiver
in lijn moet staan en dat de dempers door de vakman zeer
zorgvuldig berekend moeten worden. Wordt echter tussen stuwdruklager en keerkoppeling een homokinetische
koppeling toegepast dan is uitlijning niet meer nodig, de motor kan vrij bewegen. Wel moet
worden gelet op flexibele verbindingen aan de motor zoals slangen en uitlaat. Als motor-
en trillingslawaai niet zo van belang zijn kan mede uit financiële overweging gekozen
worden voor hardere trillingdempers van een type dat ook stuwdruk kan verwerken. Verwant: motorfundatie.
|
| Motorstoring | Zie de aparte pagina dieseltechniek als wegwijzer bij het opsporen van motorstoringen. Mogelijke oorzaken zijn in tabelvorm opgenomen. Een omschrijving van de storing met daarnaast de hoofdoorzaak. De hoofdoorzaak weer uitgesplitst naar nadere omschrijvingen. Kijk voor handleidingen/werkplaatsboeken van populaire scheepsmotoren op de motorensite van Piet Bos. |
| Muizing | Een
muizing of muis is een verdikking aan touw, stag of kabelaring. De peervormige
muizing dient als stopper om het verschuiven van stroppen en seizings
te voorkomen. In de visserij de benaming voor de merken op de reep (het dikke
touw dat de netten geleidt), waaraan de seizings, joonen of
breels worden geslagen. De benaming wordt ook gebruikt voor een sjorring om de bek van een
haak sterker te maken en/of te beletten dat het aangepikte voorwerp, b.v. een takel, uit
de haak schiet.
|
| Mutte |
| Heel graag op- of aanmerkingen. |
Op alle materiaal
(layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke
toestemming.
Mocht je ondanks
alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.