Hé, dat wist ik niet...

Tips en wetenswaardigheden
Gebruik het vaartips-zoekveld wanneer je iets niet kunt vinden.
Geen zoekveld? Klik dan op het huisje (home) rechtsboven.

G

Gaffelaar
Gaffelzeil
(bezaanzeil)
De gaffel of piek is het rechte of gebogen (tjotterzeil) rondhout, min of meer schuin omhoog staand aan de mast om het bovenlijk van een gaffelzeil (vierhoekig langsscheeps zeil) uit te houden. Het zeil is ontwikkeld uit het latijnzeil dat aan een bezaan werd gevoerd, vandaar dat men ook wel spreekt over bezaanzeil. Dat is althans de verklaring voor het door elkaar gebuik van gaffelzeil en bezaanzeil. De gaffel kan kort of lang zijn en wordt met een vork tegen de mast gesteund. Het ophalen gaat met een val. De klauwval voor het hijsen, de piek(e)val om de stand te bepalen. De rijglijn met kralen rond de mast om de gaffel op z'n plaats te houden heet paternoster. Het touwwerk tussen gaffel en masttop, soms met een splitsing in twee of meer poten, hanepoot of spinnekop. Een gaffelgetuigd schip loopt snel bij ruime wind, kan daarentegen niet zo scherp aan de wind. De tuigage hoeft dan ook in tegenstelling tot een torentuig niet steeds op de juiste spanning te staan. Verder kan het zeil bij elke voorliggende koers zonder probleem gestreken worden. Om scherper te kunnen zeilen was er wel een versie met steil omhoog staande gaffel, het houarituig, maar is uiteindelijk met het gebruik van aluminium masten verdrongen door het torentuig.
Galan(d) Verkeerde benaming voor gland.
Galei
Galerij De galerij of galderij was bij westerse schepen vanaf de tweede helft van de 15e eeuw een soort balkon over de volledige breedte van het schip aan de achterzijde van het hakkebord, begrensd door hoekmannen en vanaf de 17e eeuw doorlopend in zijgalerijen. In de hoekmannen en later de zijgalerijen waren veelal de toiletten voor de officieren ondergebracht.
Galjas
Galjoen
Galjoen Naast de naam voor een schip uit de oude zeevaart is galjoen ook de benaming voor een versierde uitbouw aan de boeg, de scheepssnuit, mossel of snebbe, ter ondersteuning van de boegspriet of het roosterwerk onder die uitbouw waar gestraften werden opgesloten (geklinstert) en waar de manschappen hun behoefte (hun heimelyk gevoeg) konden doen. Er kon dus iemand "in het galjoen" of "op het galjoen" zitten. Het galjoen werd begrensd door een regeling of reling, de vloer (of rooster) werd gedragen door tarmen of mannetjes. Klik op Batavia virtuele tour voor een rondgang.
Galjoot
Galvanische
reeks

Bij anodes staat een uitleg over galvanische corrosie. Hier een lijstje met in de scheepsbouw meest gebruikte elementen en hun plaats in de potentiaal rangorde of spanningsreeks in volgorde van edel naar minder edel. Hoe verder uit elkaar op de lijst, hoe sneller onder water (naast elkaar) de invreting van het "lagere" element. Aquamet is een gedeponeerde handelsnaam voor een bijzondere kwaliteit RVS en wordt o.a. gebruikt bij schroefassen en snel draaiende scheepsschroeven. Kijk uit met smeermiddelen op grafietbasis. Het staat in de galvanische reeks geheel bovenaan. Edelmetalen als platina, goud en zilver horen ook in het rijtje thuis, maar zullen eerder aan de schipper zelf gevonden worden dan onder water.

Grafiet
Aquamet 22

Roestvast staal 316
Aquamet 17

Nikkel-aluminium-brons
Roestvast staal 431
Mangaanbrons
Koper
Tin
Messing
Staal
Aluminium legering
Zink
Magnesium
Gangboord Het smalle looppad (nr. 8) aan de binnenzijde van boord of boeisel langs de gehele buitenkant van het schip. De Friezen spreken van een "langswaring". De benamingen voor de huiddelen van het schip van onder tot boven zijn:

Nummers 1 t/m 4 kunnen aangeklikt worden.

1 Vlak: de bodem van het schip.
2 Zaathout: De langsverbandbalk in de bodem [onder of naast de buikdenning] van een houten spantgebouwd schip,
3 Denning: Vlonder op de bodem [buikdenning] van het schip.
4 Kim: Ronding of knik waar de bodem (het vlak) van een schip overgaat in de zijkant.
5 Stroken en gangen: de huidplaten onder het berghout heten stroken, boven het berghout in het boord heten het gangen.
6 Berghout: ook wel stootrand, zie aldaar.
7 Boeisel of bergplaat: huidplaten naast het gangboord; bij houten schepen ook wel waterloopklos.
8 Gangboord: looppad (dek).
- Potdek of potdeksel: oude benaming bosbank, het is de afdekrand aan de binnenzijde van het boeisel op de spantkoppen, maar ook toegepast als houten rand op een (stalen) verschansing, b.v. als afwerking van een kuiprand.
Een andere benaming voor potdek is schanddek of schanddekker en dat is dan weer de naam voor iemand die trouwt met een meisje dat van een ander zwanger is. Het is maar dat je het weet! Schanddek zou volgens sommige publicaties een verbastering zijn van schampdek, de oude benaming voor het dek naast de verschansing. Ook komen schandek en schansdek voor. Scheepsbouwer Cornelis van Yk spreekt echter in 1697 al van "Het Schand-deksel, dat ter wederzijden van het gansche Schip, door de Winkelhaak, om al d' Inhouten werd gevoegd, diend, behalven dat door het zelve veel rouwe oneffenheden der Huid, en Inhouten voor 't Oog, werd bedekt, ook voornaamlijk om de over 't Schip heen buissende Zee, en van den Hemel vallende Regenwater, uit te keeren".
Gangboord is afgeleid van boord. Maar wat is boord eigenlijk? Je kan b.v. "aan boord" gaan of zijn, maar de Van Dale spreekt over de "opstaande scheepswand voor zover die boven water zichtbaar is". Toch is er onderscheid, want [TrN] spreekt over bovenboord en neerboord, waarbij het bovenboord de scheepswand boven water is en neerboord de scheepswand onder water.
Gangen De planken die bij houtbouw van voor- naar achtersteven over de spanten worden getimmerd heten stroken en gangen. Van de kiel af gerekend kent men de zandstrook (oude naam gaarboord) met daarna voor iedere rij planken tot het berghout een eigen strooknaam. Zo heet de rij planken waar de scheepsromp de grootste omvang heeft en welke rij bij de bouw het eerst wordt aangebracht of geschoren (scheren in de betekenis van spannen) scheerstrook en de beplanking tussen de berghouten nadestrook. Behalve door breeuwen werd die strook dikwijls tegen indringen van water beschermd door er een lap zwaar zeildoek (karreldoek) over te spannen, de naadpresenning of trek. Boven het berghout, in het boord, wordt niet meer over stroken, maar over gangen gesproken. Niet altijd consequent, want sommige stroken werden ook wel gangen genoemd. Het aantal samenstellingen met gang is groot. We kennen b.v. breegang, kimmegang, loopgang, roggang, scheergang, watergang, zetgang. Voor de zetgang, de bovenste plank, komen we ook de benaming randgeer of randgaartje tegen.
Op zeeschepen zijn er dan nog loopgangen. Zo heb je de walegang en de westergang. De walengang loopt langsscheeps als verbinding tussen de hutten. De westergang loopt dwarsscheeps langs de spiegel van stuur- naar bakboord en was op oorlogsschepenen het domein van de commandant. De gang tussen de officiershutten werd wel kalverstraat genoemd.
Gantel Ook wel als gein, gene, genne of keene. Een oude aanduiding voor een watergeul in stromend water.
Garnaal Zie Noordzeegarnaal.
Garnaalboot
Garnaat
Gas


Gebruik aan boord bij voorkeur propaan. Het kookpunt (waarbij de vloeistof overgaat in gas) ligt bij 44 graden Celsius onder nul. Bij stevige vorst kan je propaan nog gebruiken in tegenstelling tot butaan waarbij de omgevingstemperatuur minimaal 5 graden Celsius (boven nul) moet zijn. Campinggas is een menggas waarbij bij lage temperaturen ontmenging plaats vindt. Alleen de propaan uit het mengsel verdampt en het butaan met voornoemd nadeel blijft in de fles of condenseert in de leiding. Gebruik ook nooit autogas (LPG). Hierin is een groot percentage (tot 40%) butaan verwerkt. Bij afname kan ook daar het butaan in de leidingen condenseren, waardoor verbruikstoestellen gas in vloeibare vorm krijgen aangeboden!
(Voor de beroepsvaart is alleen de zilvergrijze propaanfles van 10,5kg toegestaan).
Omdat propaan zo'n 1,5 maal zwaarder is dan lucht en bij lekkage dus onderin het schip ophoopt, zijn voor gebruik aan boord voorschriften van kracht.
Denk daarbij aan de  slogan van Shell: "Als het veiliger kan, doe het dan!".
Voor een CE-markering gelden ongeacht de categorie de volgende voorschriften:
- Gasflessen moeten in een gasdichte bun, alleen aan de buitenzijde van het schip te openen.
- Lekgas moet via een opening onderin direct naar buiten boven de waterlijn kunnen afvloeien.
- Het gasleidingnet moet van zacht gegloeid koper zijn, dat aan de rol verkocht wordt. Het moet worden aangelegd met klemkoppelingen (niet gesoldeerd), gebeugeld met rubber inleg, niet kunnen schavielen of lostrillen en voor inspectie goed zichtbaar zijn.
- Gasslangen mogen alleen gebruikt worden voor cardanische toestellen en als aansluiting van het vaste leidingnet op de gasfles. Deze slangen mogen niet aangesloten worden op slangtules, laat staan rechtstreeks op gladde pijpeinden, maar moeten d.m.v. aangeperste roestvaste koppelingen met wartelmoer aan het vaste leidingnet verbonden worden. De beste slangen zijn z.g.n. BOA slangen. Door de gelaagde opbouw, met binnenspiraal, RVS omvlechting en transparante mantel is deze slang gegarandeerd 25 jaar lekvrij en drukbestendig. Goedgekeurd door NKIP en SVTI. Een dure, maar veilige investering!
- De gebruikte slang mag niet ouder dan 3 jaar zijn (oranje propaangasslang met datum), behalve de BOA slang hierboven..
- Lengte slang van gasfles naar leidingnet niet langer dan 60cm.
- Lengte slang van leidingnet naar (alleen cardanisch) gebruikstoestel niet langer dan 100cm.
- Slangen mogen i.v.m. haarscheurtjes niet strak staan, niet kort worden gebogen en niet torderen (verdraaien).
- Gebruikstoestellen moeten in het vaste leidinggedeelte of via een verdeelblok ieder een eigen afsluiter hebben
- Gebruikstoestellen moeten een thermische beveiliging hebben die na max. 30 seconden afsluit.
- Op de gasfles dient een corrosiebestendige drukregelaar te worden aangebracht van maximaal 50 mbar, die voorzien is van een afblaasveiligheid (Norm NEN 10239 en 12864).
Het is raadzaam de drukregelaar/reduceer eens in de tien jaar te vervangen en een gasdetector, hoewel niet verplicht is geen overbodige luxe. Plaats 'm op het diepste punt van je schip. Zie ook de gasfolder van het watersportverbond.
Testen gasdetector?
Een goede detector heeft een testknop of een automatische testfunctie bij aanzetten. Test nooit met het gas van een aansteker! De hoge concentratie gas maakt de sensor stuk. De sensor werkt intern met een gloeidraadje dat een poreus materiaal verwarmt. Dit materiaal gaat dan electrisch geleiden wanneer er gas bij komt. Bij een te hoge concentratie (aansteker) verbrandt dit gas en komt er koolstof in de sensor, waardoor de gevoeligheid zeer sterk afneemt. Hij zal het nog steeds doen met een aansteker er bij, maar niet meer met een nog niet explosief gasmengsel. Met dank aan Meindert Sprang.
Wanneer dreigt explosiegevaar?
Alleen als de hoeveelheid ontsnapt gas binnen de explosiegrens komt. Die waarde wordt echter heel snel bereikt. Voor propaan is 2,2 % gas in de lucht al genoeg. Boven de 9,5 % verzadiging is er geen explosiegevaar meer, maar uiteraard wel enorm brandgevaar.
Hoe lang doe je met een fles propaan?
Je kan dat globaal berekenen met de volgende verbruikscijfers.
- Koken 3 à 4 personen ca. 30 tot 70 gram per uur.
- Koelkast 60 liter ca. 350 gram per etmaal.
- Verwarming 2000Kcal ca. 180 gram per uur.

Wanneer is de gasfles (bijna) leeg?
Wanneer er voldoende ruimte in de gasbun is kan je de bovenkant van de gasfles heen en weer bewegen. Bij een gebruikte fles voel je dan het vloeibare gas "nadeinen". Wanneer dit niet meer merkbaar is, is het eind in zicht.

Geerstuk Bij houtbouw van kleine boten , m.n. de punter, blijft bij de oplopende kop bij de zijden een driehoekige opening over. Dit gat wordt gedicht met een nauwkeurig op maat gemaakt, ietwat gebogen geerstuk, waarbij de planken bij elkaar worden gehouden door een moelband.
Geest Geesten zijn stijlen met daartussen een horizontale rol of spil - de geestrol - aan de verschansing van een vissersschip, waarover de netten over- en binnenboord rollen. Gemeenzaam als aanduiding voor de gehele constructie. Ook als benaming geest/gaast voor een natuurlijke verhoging in het landschap, diluviale zandkop. Zie Westergeest.
Gelcoat op kleur maken De buitenzijde van een polyester schip is afgewerkt met een laag gelcoat. Bij repareren van een beschadiging is het soms moeilijk aan de juiste kleur te komen. Je zal dan noodgedwongen zelf moeten mengen met kleurloze gelcoat en pigmentpasta die bij veel watersportzaken te koop is. Rob Jaspers, voormalig kleurmenger van autolakken, gaf de volgende tip:
Voor het namaken van een kleur maakt het niet uit of de huid wel of niet verkleurd is ten opzichte van de originele de kleur. Voor mijn eigen schip (dehler grijs) en voor wat kennissen in de buurt met ook div. kleuren gebroken wit schepen heb ik met succes de goede kleurtjes in gelcoat kunnen mixen. Voorwaarde is natuurlijk dat je niet kleurenblind bent :-) Pigment pasta kleurt heel erg sterk! Als je gaat experimenteren MINI druppeltjes te gelijk toevoegen. Goed roeren.., beetje van het mengsel met een vingertopje op een schoongepoetst deel van je schip aan tippen en kijken of het er op lijkt. Dat tipje gelcoat (zonder harder uiteraard) veeg je met een doekje zo weg. Net zo lang blijven mixen met bijvoeging van FRACTIES pigment tot dat je de juiste kleur hebt. Je mag aan de kleurloze gelcoat pasta max. ca. 15% pigment pasta toevoegen. Om van de transparante gelcoat een voldoende dekkend materiaal te maken kan je het beste van de basis kleur ca. 10% toevoegen om mee te beginnen. Dus heeft je schip een gebroken wit als kleur, dan begin je met 10% pigment wit toe te voegen. Crèmer maak je het met wat okergeel en iets grauwer (donkerder) met grijze pigment.
Verder is het heel belangrijk dat de directe omgeving van de te repareren plek, HEEL goed gepoets/gepolijst wordt met cleaner of rubbing compound om daarmee zoveel mogelijk de originele kleur van de bestaande gelcoat naar boven te halen voordat men aan het mengen en repareren slaat. Schoon is niet altijd schoon, plak eens een stukje afplakband op de gelcoat en poets er met genoemde middelen goed overheen en vlak naast. Uitwrijven en stukje tape verwijderen. Grote schrik voor de kleur (vies & vaal) die onder het stukje tape vandaan komt. Overigens wil een verfspeciaalzaak tegen betaling meestal wel de kleur maken als je zelf de materialen (kleurloze gelcoat + pigmenten) meebrengt. Bovendien kan een kleurmenger tips geven welke pigmenten (in kleine flaconnetjes) je moet hebben om de kleur van het monster (ankerluikje, of i.d.) na te kunnen maken. Verwant: osmose.
Gele aanslag Gele aanslag wordt veroorzaakt door kalk in het oppervlaktewater. Onder invloed van zonlicht ontstaat de beruchte verkleuring. Voor het schoonmaken is er goede ervaring met WC-eend blauw. Onverdund aanbrengen/opspuiten. Doordat het wat stroperig is zakt het langzaam langs de scheepshuid naar beneden. Gebruik voor de verdeling een zachte borstel of bezem. Na ongeveer een half uur schoonspoelen met zoet water. Daarna in de was zetten. Verder heeft het merk Starbrite een instant romp- en bodemreiniger op basis van oxaalzuur. Het verwijdert gele aanslag, roest en grasachtige bootaangroei. Volgens eigen zeggen is boenen en schrobben niet nodig. (Cleaning Care Products).
Tip van de schipper: gewone schoonmaakazijn doet ook wonderen. Gebruik het puur voor de romp of als toevoeging aan de putsen water waarmee de opbouw wordt schoongemaakt. Zelfs de zwarte regenstrepen verdwijnen! Daarna goed in de was zetten!
Gele ruit
Een gele ruit kennen we als aanduiding voor de aanbevolen doorvaartopening bij bruggen. Het vernieuwde BPR uit 2004 kent in art 3.15 een andere toepassing: Een varend passagiersschip waarvan de maximale lengte van de romp minder is dan 20 meter moet overdag een gele ruit voeren om kenbaar te maken dat het "kleine" schip als groot moet worden beschouwd. Aan het ontstaan van dit artikel zit een aardig verhaal vast:
In het concept van het nieuwe BPR werd een passagiersschip kleiner dan 20 meter als klein schip beschouwd. Er werd geen uitzondering gemaakt zoals voor sleepboot, veerpont, vissersschip of duwbak. Jos Koenen heeft zo'n "klein" passagiersschip en schreef een verontruste brief naar de Minister van Verkeer en Waterstaat. Hij vertelt: "Ik heb toen het volgende voorbeeld gegeven: Mijn schip, de VD10 meet over de stevens 17 meter (LOA 24 meter), voert max. 7 zeilen met een totale oppervlakte van 220m en heeft een waterverplaatsing van 50 ton. Het schip heeft een capaciteit van 30 passagiers. Met dit schip dat in het voorgestelde BPR 'klein schip' is zal ik in het vervolg onder bepaalde omstandigheden uit moeten wijken voor een Piraatje". Jos stelde voor dat bewuste schepen (meer dan 12 passagiers en kleiner dan 20 meter) als dagmerk een gele ruit zouden kunnen voeren om de status "groot schip" te behouden. Weliswaar onpraktisch, maar dat geldt ook voor het dagmerk van een vissersschip. Het gevolg was dat zijn voorstel een agendapunt werd op de vergadering van de Overleggroep Nautische Zaken Binnenvaart (ONZB) en uiteindelijk art 1.01 werd aangepast en art. 3.15 werd toegevoegd.
Geluid onder water Een wetenswaardigheid. In lucht plant het geluid zich voort met een snelheid van 330 m/sec. Als een heiblok in de verte valt en je hoort het geluid een seconde later, dan staat de stelling dus 330 meter bij je vandaan. Onder water plant het geluid zich veel sneller voort. In zoet water met zo'n 1200 m/sec, maar in zout water met een grote dichtheid, de diepzee, wel tot 1600 m/sec.
Geluids
seinen
Het geluidssein (er wordt nogal gegoogled op toeteren) bestaat uit reeksen lange en korte stoten. Niet alle seinen mogen door kleine schepen gegeven worden, het attentiesein, het noodsein en het sein ik kan niet manoeuvreren zijn - indien nodig - verplicht, maar een klein schip mag niet de manoeuvreerseinen, (Art 4.02 lid 3 BPR) geven. Wel mogen de algemene seinen van afdeling A uit bijlage 6 gegeven worden. Het maandblad Motorboot (mei 2008) noemt het uitwijkseinen, maar dat begrip kent het BPR niet.
Een lange stoot ongeveer 4 seconden.
Een korte stoot ongeveer 1 seconde.
Een pauze tussen stoten ongeveer 1 seconde.
De belangrijkste seinen zijn:
lang Attentie (ook bij mist). In nood herhaalde lange stoten,
kort Ik ga stuurboord uit (afdeling A van bijlage 6).
2x kort Ik ga bakboord uit (afdeling A van bijlage 6).
3x kort Ik sla achteruit (afdeling A van bijlage 6).
herhaald kort Ik kan niet manoeuvreren.
lang kort lang Verzoek tot het bedienen van brug of sluis.
De schippersalmanak uit het geboortejaar van de schipper gaf het volgende rijmpje:
Eén korte stoot verkondigt mij,
Het seinend schip wijkt stuurboordszij,
Want wil het naar den bakboordskant,
Het seint tweemaal, naar d'ouden trant.
Na driemaal trekken aan de fluit
Slaat het direct snel achteruit.
Komt er een vierde stootje bij,
Men seint: "Ik kan niet; wijk voor mij."
Volgt nog een aangehouden stoot,
Dan zegt ons een gestrande boot:
" 'k Zit aan den grond, maar ik beproef
Mij los te werken met de schroef."
Het aandachtsein alleen zegt: "Hoor,
Ik loop u op; 'k wil binnendoor."
Twee korte seinen dra: " 'k Wijk al!"
Doch 1 roept duid'lijk: " 'k Houd mijn wal."
Wil buitenom men zelf passeren,
Twee aangehoud'ne stoten moeten 't leren.
Doch kan 't voorbij gaan niet geschiên,
Kort, zevenmaal, komt: "Wacht!" gebiên.
Met het huidige drukke wegverkeer verdient het overigens aanbeveling een elektrische luchthoorn aan te schaffen. Een simpele elektrische hoorn zonder luchtpompje wordt soms door brug- of sluiswachter niet gehoord!
Genua
De genua is een grote fok. Het is het driehoekig zeil voor de mast dat met een grote bolling is gesneden en het grootzeil voor een deel overlapt. Bij het voor-de-wind varen zorgt dit zeil voor grote stuwdruk, het "Trekken". Het zeil werd voor het eerst in Scandinavie gebruikt, maar rond de Middellandse Zee nam men het weldra over. Vandaar de naam Genua. Toch werden brede, het grootzeil overlappende voorzeilen al eeuwenlang op de Zuiderzeebotters gevoerd.
Gestrekte koers In tegenstelling tot een zeilboot zal een motorboot over het algemeen een "gestrekte koers" varen. Hiermee wordt n.l. de koers evenwijdig aan de as van het vaarwater bedoeld. Een zeilboot kan dat alleen maar als de vaarweg is bezeild.
Getij stoppen Het getij stoppen of tij stoppen is een methode om te voorkomen dat een zeilboot zonder hulpmotor bij weinig of geen wind door de stroom achteruit gezet wordt. Men kan dan het anker laten druipen. Dat wil zeggen het anker rechtstandig laten zakken tot het de bodem raakt, maar niet of nauwelijks ingraaft. In ondiep water kan de schipper van een zwaardboot het afdrijven ook voorkomen door de zwaarden over het zand te laten lopen. Ze zijn daartoe voorzien van een ijzeren beschermrand, sleepijzer of zandloper genaamd. Wanneer er nog een zuchtje dienstige wind staat zal men de zeilen bij laten staan.
Getijdesluis Ook wel getijsluis of tijsluis genoemd. Wanneer de waterstand aan beide zijden van de sluis door het getijverloop even hoog is, kan de sluis aan beide zijden geopend worden. De Waaiersluis in de Hollandse IJssel bij Gouda is zo'n sluis. Omdat het schutsluisje met 24,5 meter te klein is voor een spits (38 of 47 meter), zal de schipper voor doorvaart moeten wachten tot het tij dat toelaat. In het geval van de Waaiersluis eens per 24 uur. De sluis kan maar een korte periode opengezet worden en dankt zijn naam aan de waaierdeuren. Deze bestaan uit twee aan elkaar verbonden delen, die rond kunnen draaien in een komvormige inkassing. Het ene blad heeft een breedte van 5/6 van het andere blad. De delen vormen samen een soort waaier. De waaierdeuren kunnen naar beide zijden het water keren. Door de waaierkas via buizen met water te vullen kan de druk op de deuren zodanig gewijzigd worden, dat zowel tegenstrooms als meestrooms geschut kan worden.
Kijk voor een principetekening op de site van de stichting Menno van Coehoorn.
Getijwater Hoewel je als motorbootvaarder op binnenwater weinig te maken krijgt met getijden is het best leuk te weten waar b.v. een waddenschipper over praat. Hieronder een korte uitleg en wat begrippen.
Getijdenbeweging wordt veroorzaakt door de aantrekkingskracht van zon en maan op de aardse watermassa. Het water wordt aan de kant van de maan als het ware opgetild en als tegenwicht ontstaat aan de andere kant van de aarde ook een waterverhoging. Op dezelfde plek dus twee keer per etmaal hoogwater. Eén keer naar de maan toegekeerd en één keer van de maan afgewend. Omdat de maan elk etmaal ten opzichte van de aarde verschuift is de cyclus iets langer, ongeveer 24 uur en 50 minuten. In die periode twee keer laagwater (eb) en twee keer hoogwater (vloed). Als zon en maan ten opzichte van de aarde in één lijn staan krijgen we extra hoog water (springvloed) en als de aantrekkingskracht van zon en maan elkaar tegenwerken, ze staan dan ten opzichte van elkaar onder een hoek van 90º, is het getijverschil het geringst. De vloed is minder hoog en de eb minder laag (doodtij). De snelheid waarmee het water rijst of daalt (het verval) is niet constant. In de eerste uren voor of na hoogwater en laagwater zal de af- of toename minder zijn.
Vuistregel voor verandering in verval bij wassend of dalend water:
1e uur = 1/12 x verval.
2e uur = 2/12 x verval.
3e uur = 3/12 x verval.
4e uur = 3/12 x verval.
5e uur = 2/12 x verval.
6e uur = 1/12 x verval.
Dit is een globale uitleg. Zomer en winter invloeden, wind en twee getijgolven zoals bij onze kust zijn buiten beschouwing gelaten. Verwant: maanstanden.
Een uitgebreide uitleg vind je op de site van het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ) onder de knop uitleg over het getij.
Hoogwater het tijdstip waarop het water zijn hoogste stand heeft bereikt.
Laagwater het tijdstip waarop het water zijn laagste stand heeft bereikt.
Vloed de tijd tussen laag water en hoog water, opkomend water of rijzing.
Eb de tijd tussen hoog water en laag water, afgaand of vallend water, daling.
Agger korte rijzing gedurende eb, waardoor twee op elkaar volgende laagwaterstanden ontstaan.
Kentering tijdstip waarop eb overgaat in vloed of omgekeerd, stil water. (zie ook uitdrukkingen)
Halftij stand tussen hoogwater en laagwater en omgekeerd.
Vloedstroom trekt bij de Waddenkust van west naar oost bij de zeegaten naar binnen.
Ebstroom trekt bij de Waddenkust van oost naar west bij de zeegaten naar buiten.
Getijverschil verschil tussen eb en vloed, neemt in oostelijke richting toe.
Springvloed een verhoging van de vloed en verlaging van de eb. Bij de Wadden 2¼ dag na nieuwe- en volle maan.
Doodtij een verlaging van de vloed en verhoging van de eb. Bij de Wadden 2¼ dag na eerste- en laatste kwartier.
Strijkend tij wind en getijstroom hebben dezelfde richting.
Oplammen opkomende vloed met daardoor afnemende stroom in de rivier (het tij lamt op).
Geubel
Geveegd Of "geveegde kont". Deze term duidt de kromming van het vlak  (de bodem) in langsscheepse richting aan. Bij een geveegd onderwaterschip loopt het vlak aan de achterzijde met een gestrekt verloop omhoog teneinde het water gemakkelijk los te laten. Dit in tegenstelling tot een "volle kont", waarvan de lijnen sterk gekromd zijn. Sterk geveegd betekent een lang gestrekt verloop onder kleine hoek. Bij de aanpassingen die schipper Evert P. van het Schip aan zijn Doerak maakte om het stuurgedrag te verbeteren wordt hier o.a. aan gerefereerd. Ook niet-Doerakvaarders kunnen profijt van zijn verbetering hebben.
Giek Bij een zeilschip het rondhout aan de achterzijde van de mast, waaraan het (groot)zeil aan de onderzijde (onderlijk) is vastgemaakt. Oorspronkelijk gijk. De benaming werd ook wel gebruikt voor een kleine kapiteinsboot, die door meerdere mannen werd geroeid.
Gieren Je schip kan door sterke wind achter het anker gaan gieren. Het gaat dan op de wind als een slinger heen en weer, waardoor het anker uiteindelijk kan uitbreken. "Oplossing" uit het boekje: tweede anker uitbrengen. Zie ankeren, of ankeren met spring. Ook kan het schip tijdens varen van voren gaan gieren (rotatiebeweging) door deining en golven als je onder welke hoek dan ook tegen de golven invaart.
Gilling Een gilling geeft een schuine of vloeiende lijn op je schip aan en niet een schreeuw over het water. Bij een motorjacht wordt het b.v. gebruikt om de schuinte van de reling aan te geven op het punt waar het gangboord overgaat naar het verhoogde voor- of achterdek. Als dat in een vloeiende lijn verloopt, spreekt men van een mooie gilling. Natuurlijk komt ook deze term uit de zeilvaartperiode en dan werd/wordt de schuinte of ronding van de verstevigde rand (het lijk) van het zeil bedoeld, maar ook een schuin afgezaagde plank.
Gladboordig De huidplanken van een houten schip worden met afgeschuinde kanten tegen elkaar gebouwd, waardoor een gladde romp ontstaat. Men noemt dit karveelbouw en de naden moeten regelmatig gebreeuwd worden. Verwant (en tegengesteld): overnaadse bouw.
Gland
Meestal uitgesproken als "glan" of "galan". Waterdicht lager (binnengland) aan de motorzijde van de schroefas. Bij oudere schepen over het algemeen vet gesmeerd met als afdichting één of meerdere vetkoorden. Bij het smeren van de gland d.m.v. een vetspuit of aandraaien van de vetpot zal het vet in de schroefaskoker tot in het achterlager (buitengland of asbroek) geperst worden, welke overigens niet waterdicht is. Een veel gebruikte vetsoort is lithiumvet. Het behoort tot de industriële vetten, geeft een zeer goede afdichting en is (zee)waterbestendig. Voor de beste smering moet een dun vet met dikte "00" worden toegepast, dit in tegenstelling tot de hennegatskoker, waar juist een dik vet moet worden gebruikt. Tegenwoordig worden meer en meer watergesmeerde systemen toegepast.
Glazen slaan
Oude scheepstijdaanduiding afgeleid van de tijd die het zand nodig heeft om bij een scheepszandloper - wacht- of (half)uurglas - van het ene in het andere glas te lopen. Die tijd was 1/48e dag (30 minuten). Het bijhouden daarvan ging vaak fout waarop besloten werd per draai van de zandloper een slag op de bel te geven. Bij elke nieuwe wacht begon men opnieuw te tellen. Een wacht bestond (en bestaat gewoonlijk nog) uit 4 uur, dus acht glazen. De werkelijke tijd binnen een wacht kan per half of heel uur afgeleid worden uit een bepaalde combinatie van enkele en dubbele slagen. Zie tijdmeting op de VOC-site. Tussen elke twee slagen wordt een rust gegeven met de lengte van één slag. Er bestond ook een nachtglas, dat was een zandloper, die acht glazen of vier volle uren liep voordat hij leeg was. Wanneer het uurglas voor of achter was vanwege onregelmatig lopen van het zand bij ruw weer, of als een scheepsjongen het glas niet op tijd had gekeerd kon het op een zonnige dag gecorrigeerd worden. Daartoe zette men rond de middag een pen in het centrum van de kompasroos. Wanneer de schaduw van de pen precies op de noordelijke streek viel (12 uur), werd het glas opnieuw gekeerd. Als traditie wordt op de wachtschepen van de marine nog glazen geslagen. Verwant: wachtnamen, noorderzon.
Gloeikaars Als de dieselmotor een slechte koude start heeft wordt het tijd de gloeikaarsen - ook wel gloeibougies of gloeispiralen - te controleren. Een defecte gloeikaars is over het algemeen snel te ontdekken door voorgloeien (niet starten) bij een koud motorblok en met de hand te voelen welke kaars koud blijft. E.v.t. een paar keer met een minuut tussenruimte herhalen, waardoor ze voelbaar warm worden. Een slecht werkende kaars is wat lastiger te vinden. Gloeikaars uitdraaien, stroom op zetten en huis tegen het motorblok houden. De spiraal moet in rap tempo verkleuren van roze naar rood naar witgloeiend, waarna onmiddellijk gestopt moet worden. Controleer ook draaddikte (al gauw is 6mm noodzakelijk) en e.v.t. beschadiging van de stroomdraad. Elke spiraal verbruikt zo'n 100 watt. Bij gloeikaarsen die in serie geschakeld staan met een gloeicontrole-oog en/of geschakeld zijn via een voorgloeiautomaat gaat deze methode niet op. Wanneer dan een gloeikaars of verbindende weerstands-draadbrug defect is zal het hele systeem niet meer werken. Gloeikaarsen en draadweerstanden zullen afzonderlijk doorgemeten moeten worden.
Goden

Neptunus
Poseidon
Triton
Nereus
Aegir

Pleziervaarders op binnenwater hebben hun eigen watergod. Het is de Romeins mythologische god Neptunus van het zoete water, doch al eeuwen v. C. door zeevarenden geclaimd en vereenzelvigd met de Griekse zeegod Poseidon. Neptunus wordt dan ook meestal als zeegod afgebeeld op een dolfijn, met een drietand in de hand. Het Neptunusfeest werd volgens oude kalenders gevierd op 23 juli, wanneer de zomer op zijn heetst was en iedereen smachtte naar verfrissend zoet water. Vanaf de 16e eeuw was het tijdstip niet meer bepalend maar de positie op zee. Schepelingen die voor het eerst de Berlenga Eilanden op weg naar de Middellandse Zee of de Sont naar de Oostzee passeerden werden gedoopt. Nicolaes Witsen beschreef het als volgt: "Iemant van de nock van de Ree laten loopen, voor dusdanige plaetzen, alwaer de doopeling nooit te vooren heeft geweest, welcke plaetzen van outs her, onder de zeeluiden, daer toe verkooren zijn; zelfs schepen, die nooit dusdanige doopplaetzen voorby zijn gezeilt, zijn het recht van dopen onderworpen: en de Schipper is gehouden by dezen voorval de maets met een drinck-penning te vereeren, zoo hy niet wil lijden, dat de snuyt stilzwijgens van het schip afgezaeght werdt, of eenigh scheeps-deel verduistert. Met gelt koopen het die gene insgelijx af, die het niet en lust in zee te vallen. De jongens worden in stee van doopen, onder een mande gezet, wien men dan tobbens vol water over 't lichaem giet". In de loop van de 17e eeuw verplaatste de ceremonie zich naar de evenaar, weldra uitgegroeid tot een ritueel, waarbij de eerstelingen, door als Neptunes/Poseidon met gevolg uitgedoste bemanningsleden werden gedoopt. Dit dopen bestond uit inzepen, scheren en in een bassin water gooien, waarbij het niet altijd even zachtzinnig toeging en nog steeds toegaat. De matroos die voor het eerst de linie passeert heet(te) een baar.
De zoon van Poseidon en gade Amphitrite heet Triton. Hij wordt voorgesteld als een meerman met de voorbenen van een paard. Als Poseidon in een goede bui was, ging hij naar het wateroppervlak met zijn vierspan. Triton blies dan op zijn kinkhoorn, zodat de golven rustig werden.
De Griekse mythologie kende ook de zeegod Nereus. Deze viriele god had 50 dochters, de Nereïden, zeenimfen die meestal rijdend op fantasiezeedieren afgebeeld worden. Nereus had de gave der voorspelling en kon zich in allerlei gedaanten veranderen.
Naast Poseidon en Nereus hadden de Griekse zeelui terdege rekening te houden met stormdemonen. Het waren Harpijen, de dochters van Thaumas en Elektra en voorgesteld als roofvogels met grote klauwen en een afstotelijk vrouwengezicht.
Wellicht nog een graadje erger was het bij de Noren. Zij hadden te kampen met de Germaanse zeegod Aegir en zijn zuster Ran (Rana). Aegir wordt voorgesteld als een magere oude man met lange witte baard en haren, die voor het gemak met zijn zuster was gehuwd. Het godenechtpaar had geen beste reputatie. Wanneer Aegir verscheen was het alleen om schepen naar de bodem van de zee te slepen, of zware stormen te veroorzaken en zijn vrouw/zuster Ran ving de schepen in haar netten. Zij werd dan ook beschouwd als de godin van de dood voor allen die op zee omkwamen.

Op deze foto worden bij het Neptunusfeest de intieme delen van een noviet ingesmeerd met een smerig papje dat mosterd en chocolademousse bevat. Op een passagiersschip waar vrouwen aan boord waren ging het minder ruw toe. Dan namen de heren zich enigszins in acht om de vrouwelijke feestvierders niet al te zeer te schokken of te ontrieven [koopvaardij].
Goede zeemanschap Een bekende kreet voor zeevaarders, maar merkwaardigerwijs ook gebruikt in het binnenvaartpolitiereglement art 1.04 en 1.05. Zie zeemanschap. Eigenwijze Cees zou overigens denken dat wanneer je het toch gebruikt, het geschreven zou moeten worden als "goed zeemanschap" (zonder e).
Gondel Noordhollandse gondel.
Gouwe Oude aanduiding voor een natuurlijke watergang of vaart. Voor een gegraven vaart (gracht) kende men graaf, graven, graft of grecht.
GPS Het GPS (Global Positioning System) is een plaatsbepalingsysteem op basis van satellietsignalen. Zie voor uitgebreidere uitleg het tutorial op www.trimble.com. en voor koppeling van GPS aan andere apparatuur shiptron.nl en "wat is NMEA?".
Greelband Metalen band of lus van touwwerk (grommer), waarin de voet van de spriet werd opgehangen. De naam greel komt van gareel, het halsjuk van een trekdier.
Grietje Oude naam voor het bovenste zeil aan de kruismast. Wanneer de kruisbramsteng meerdere zeilen voerde, sprak men van ondergrietje, middengrietje en bovengrietje. Volgens overlevering werd op zeker schip "Den Eik" een der scheepsjongens, die met het los- en vastmaken van het bovenkruiszeil belast was, veroordeeld om met de knuttels te worden gestraft. Geeselen, 't geen voor de mast met een touw geschiedt, zonder dat de klederen uit werden getogen, doch jongens worden ontbloot en met dunne touwetjens gekastijdt [Witsen]. Toen men het bovenlijf dus wilde ontbloten, ontdekte men dat de bovenkruisraasgast een meisje was, Margriet (Grietje) van Dijk genaamd. De naam van het zeil werd een eponiem. Tegen "meisjes loos", die uit varen gingen om b.v. samen met vriend of echtgenoot in Indië te kunnen zijn, werd overigens streng opgetreden, want een vrouw als bemanninglid was ondenkbaar.
Groenewegen Gerrit Groenewegen was een Rotterdammer die van 1754 - 1826 leefde. Als leerling-timmerman op een scheepswerf werd hij door een ongeval invalide, waarna zijn tekentalent van schepen en watergezichten tot ontplooing kwam. Vermaard is hij om zijn serie van 84 etsen van scheepstypen met onderschrift onder de titel Vezameling van vier en tachtig stuks Hollandsche Schepen getekend en in koper gebragt. Bij de beschrijving van oude scheepstypen is op vaartips dankbaar gebruik gemaakt van reproducties, die helaas geen recht doen aan de oorspronkelijke fijnheid van de originelen, maar toch een waardevol beeld geven van de in zijn tijd voorkomende vaartuigen.
Groeten

Op niet druk water groet de ene schipper de andere. Een bepaalde categorie doet dat niet.
De bezitters van luxe peperdure sloepen met inboardmotor zijn vreemde vogels. De soort gedraagt zich anders... Over het algemeen kijkt het nors voor zich uit, lijkt zich stierlijk te vervelen, vaart hard en heeft maling aan vaarregels. Niet alleen de chique bootjes lijken op elkaar (veel teak en donker "navy blue"), de species ook! Het mannetje tooit zich bij voorkeur met blazer en stoer kapiteinspetje; Lévi Weemoedt sprak ooit in zijn "Waarschuwing voor de scheepvaart" in ander verband over een "gechargeerd zee-tenue uit de rekwisietenkoffer van een amateurtoneelgezelschap". Het wijfje heeft geblondeerde kopveren. Het voederbakje is gevuld met zalm of foie gras en het drinkbakje met sherry of champagne en natuurlijk hangt de natievlag door het water slepend aan een gebogen vlaggenstok...!
Deze bespiegeling heeft me dus een verontwaardigd mailtje van een sloepvaarder opgeleverd....
Zonder gekheid; natuurlijk is groeten geen verplichting, maar een traditie en het gaat te ver om op een warme zomerdag, wanneer het zwart ziet van de bootjes, voor iedereen je hand op te steken. Er zijn overigens ook gewoon aardige sloepers, zie bommerdebom.
Een paar jaar geleden overkwam ons het volgende. Op het Zwarte Water tussen Hasselt en Zwolle is bij de industriehavens een stukje ondiep water met zodanige betonning dat alleen vaarwater aan de verkeerde kant overblijft. Daar strak tegen de tonnenrij varend groette ik een (bijna op ramkoers) tegemoet komende sportschipper die als antwoord niet terug zwaaide maar me nijdig toebeet: "Ook op het water moet je rechtshouden hufter!". Verbijsterd vervolgden we onze weg. Hij zag de groene tonnenrij kennelijk als middenstreep...
Grommer Een gesloten ring van touwwerk om b.v. een blok aan een rondhout te kunnen hangen, of ingenaaid in de schoot- of andere hoek van een katoenen zeil. Grommers werden ook gebruikt als lussen aan een jackstay om een arm door te steken om beide handen vrij te hebben voor het reven of opdoeken van het zeil. Grommer is tegenwoordig ook de naam van een bepaald type polyester motorkruiser.
Grondberoering Een term die volgens mij alleen door zeilers gebruikt wordt. De kiel raakt de grond. Meer in het bijzonder: ongewild de bodem raken.
Grondpen Zie meerpen.
Grondzee
Heeft niets te maken met varen op binnenwater ;-) Grondzeeën zijn op zee lopende golven, die tengevolge van afnemende waterdiepte hoger en steiler worden, vergelijkbare met de wijze waarop golven van de branding zich verheffen. De onderkant van de golf wordt afgeremd in snelheid, terwijl de golftop nog wil doorlopen. De golfhoogte neemt niet af; de golven komen korter op elkaar en halen elkaar in, waarbij de golftoppen uiteindelijk over hun eigen golfvoet struikelen en breken. De zeeën zijn verzadigd van zand, daardoor massiever en zwaarder dan een gewone golf en extra gevaarlijk. Aan de lijzijde van een ondiepte van beperkte omvang kan bovendien een concentratie van energie optreden, doordat de golven er omheen lopen en aan de achterzijde samenkomen (convergeren).
Groningse boot
Grundel
GSAK Aanduiding in de jachtmakelaardij: Gesloten Stuurhuis (met) AchterKajuit
Gijpen Bij het voor-de-wind varen, het van de ene naar de andere kant brengen van een zeil. Moet met beleid gebeuren, want anders kan een gevaarlijke klapgijp ontstaan. Eigenlijk wordt met gijpen het onverwacht overslaan van het zeil bedoelt. Het welbewust laten overkomen noemt men "halzen", naar het "over een andere hals leggen" van het onderzeil op een vierkant getuigd schip om voor de wind te wenden en over een andere boeg te gaan liggen [Me3].

 

Heel graag op- of aanmerkingen.

Op alle materiaal (layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke toestemming.

Mocht je ondanks alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.

verantwoording