|
| Gaffelaar |
| Gaffelzeil (bezaanzeil) |
|
| Galan(d) | Verkeerde benaming voor gland. |
| Galei |
| Galerij | De galerij of
galderij was bij westerse schepen vanaf de tweede helft van de 15e eeuw een soort balkon
over de volledige breedte van het schip aan de achterzijde van het hakkebord,
begrensd door hoekmannen en vanaf de 17e eeuw doorlopend in zijgalerijen. In de
hoekmannen en later de zijgalerijen waren veelal de toiletten
voor de officieren ondergebracht.
|
| Galjas |
| Galjoen |
| Galjoen | Naast de naam voor
een schip uit de oude zeevaart is galjoen ook de benaming voor een versierde uitbouw aan
de boeg, de scheepssnuit, mossel of snebbe, ter ondersteuning van de
boegspriet of het roosterwerk onder die uitbouw waar gestraften werden opgesloten
(geklinstert) en waar de manschappen hun behoefte (hun heimelyk gevoeg) konden doen. Er
kon dus iemand "in het galjoen" of "op het galjoen" zitten. Het
galjoen werd begrensd door een regeling of reling, de vloer (of rooster) werd
gedragen door tarmen of mannetjes. Klik op Batavia virtuele tour voor
een rondgang.
|
| Galjoot |
| Galvanische reeks |
Bij anodes staat een uitleg over galvanische corrosie. Hier een lijstje met in de scheepsbouw meest gebruikte elementen en hun plaats in de potentiaal rangorde of spanningsreeks in volgorde van edel naar minder edel. Hoe verder uit elkaar op de lijst, hoe sneller onder water (naast elkaar) de invreting van het "lagere" element. Aquamet is een gedeponeerde handelsnaam voor een bijzondere kwaliteit RVS en wordt o.a. gebruikt bij schroefassen en snel draaiende scheepsschroeven. Kijk uit met smeermiddelen op grafietbasis. Het staat in de galvanische reeks geheel bovenaan. Edelmetalen als platina, goud en zilver horen ook in het rijtje thuis, maar zullen eerder aan de schipper zelf gevonden worden dan onder water.
|
| Gangboord | Het smalle looppad
(nr. 8) aan de binnenzijde van boord of boeisel langs de gehele buitenkant van het schip.
De Friezen spreken van een "langswaring". De benamingen voor de huiddelen van
het schip van onder tot boven zijn:
|
| Gantel | Ook wel als gein, gene, genne of keene. Een oude aanduiding voor een watergeul in stromend water. |
| Garnaal | Zie Noordzeegarnaal. |
| Garnaalboot |
| Garnaat |
| Gas
|
Gebruik
aan boord bij voorkeur propaan. Het kookpunt (waarbij de vloeistof overgaat in gas) ligt
bij 44 graden Celsius onder nul. Bij stevige vorst kan je propaan nog gebruiken in
tegenstelling tot butaan waarbij de omgevingstemperatuur minimaal 5 graden Celsius (boven
nul) moet zijn. Campinggas is een menggas waarbij bij lage temperaturen ontmenging plaats
vindt. Alleen de propaan uit het mengsel verdampt en het butaan met voornoemd nadeel
blijft in de fles of condenseert in de leiding. Gebruik ook nooit autogas (LPG). Hierin is
een groot percentage (tot 40%) butaan verwerkt. Bij afname kan ook daar het butaan in de
leidingen condenseren, waardoor verbruikstoestellen gas in vloeibare vorm krijgen
aangeboden! (Voor de beroepsvaart is alleen de zilvergrijze propaanfles van 10,5kg toegestaan). Omdat propaan zo'n 1,5 maal zwaarder is dan lucht en bij lekkage dus onderin het schip ophoopt, zijn voor gebruik aan boord voorschriften van kracht. Denk daarbij aan de slogan van Shell: "Als het veiliger kan, doe het dan!". Voor een CE-markering gelden ongeacht de categorie de volgende voorschriften:
Wanneer is de gasfles (bijna) leeg? |
| Geerstuk | Bij houtbouw van kleine boten , m.n. de punter, blijft bij de oplopende kop bij de zijden een driehoekige opening over. Dit gat wordt gedicht met een nauwkeurig op maat gemaakt, ietwat gebogen geerstuk, waarbij de planken bij elkaar worden gehouden door een moelband. |
| Geest | Geesten zijn stijlen met daartussen een horizontale rol of spil - de geestrol - aan de verschansing van een vissersschip, waarover de netten over- en binnenboord rollen. Gemeenzaam als aanduiding voor de gehele constructie. Ook als benaming geest/gaast voor een natuurlijke verhoging in het landschap, diluviale zandkop. Zie Westergeest. |
| Gelcoat op kleur maken | De buitenzijde van
een polyester schip is afgewerkt met een laag gelcoat. Bij repareren van een beschadiging
is het soms moeilijk aan de juiste kleur te komen. Je zal dan noodgedwongen zelf moeten
mengen met kleurloze gelcoat en pigmentpasta die bij veel watersportzaken te koop is. Rob
Jaspers, voormalig kleurmenger van autolakken, gaf de volgende tip: Voor het namaken van een kleur maakt het niet uit of de huid wel of niet verkleurd is ten opzichte van de originele de kleur. Voor mijn eigen schip (dehler grijs) en voor wat kennissen in de buurt met ook div. kleuren gebroken wit schepen heb ik met succes de goede kleurtjes in gelcoat kunnen mixen. Voorwaarde is natuurlijk dat je niet kleurenblind bent :-) Pigment pasta kleurt heel erg sterk! Als je gaat experimenteren MINI druppeltjes te gelijk toevoegen. Goed roeren.., beetje van het mengsel met een vingertopje op een schoongepoetst deel van je schip aan tippen en kijken of het er op lijkt. Dat tipje gelcoat (zonder harder uiteraard) veeg je met een doekje zo weg. Net zo lang blijven mixen met bijvoeging van FRACTIES pigment tot dat je de juiste kleur hebt. Je mag aan de kleurloze gelcoat pasta max. ca. 15% pigment pasta toevoegen. Om van de transparante gelcoat een voldoende dekkend materiaal te maken kan je het beste van de basis kleur ca. 10% toevoegen om mee te beginnen. Dus heeft je schip een gebroken wit als kleur, dan begin je met 10% pigment wit toe te voegen. Crèmer maak je het met wat okergeel en iets grauwer (donkerder) met grijze pigment. Verder is het heel belangrijk dat de directe omgeving van de te repareren plek, HEEL goed gepoets/gepolijst wordt met cleaner of rubbing compound om daarmee zoveel mogelijk de originele kleur van de bestaande gelcoat naar boven te halen voordat men aan het mengen en repareren slaat. Schoon is niet altijd schoon, plak eens een stukje afplakband op de gelcoat en poets er met genoemde middelen goed overheen en vlak naast. Uitwrijven en stukje tape verwijderen. Grote schrik voor de kleur (vies & vaal) die onder het stukje tape vandaan komt. Overigens wil een verfspeciaalzaak tegen betaling meestal wel de kleur maken als je zelf de materialen (kleurloze gelcoat + pigmenten) meebrengt. Bovendien kan een kleurmenger tips geven welke pigmenten (in kleine flaconnetjes) je moet hebben om de kleur van het monster (ankerluikje, of i.d.) na te kunnen maken. Verwant: osmose. |
| Gele aanslag | Gele aanslag wordt
veroorzaakt door kalk in het oppervlaktewater. Onder invloed van zonlicht ontstaat de
beruchte verkleuring. Voor het schoonmaken is er goede ervaring met WC-eend blauw.
Onverdund aanbrengen/opspuiten. Doordat het wat stroperig is zakt het langzaam langs de
scheepshuid naar beneden. Gebruik voor de verdeling een zachte borstel of bezem. Na
ongeveer een half uur schoonspoelen met zoet water. Daarna in de was zetten. Verder heeft
het merk Starbrite een instant romp- en bodemreiniger op basis van oxaalzuur. Het
verwijdert gele aanslag, roest en grasachtige bootaangroei. Volgens eigen zeggen is boenen
en schrobben niet nodig. (Cleaning
Care Products). Tip van de schipper: gewone schoonmaakazijn doet ook wonderen. Gebruik het puur voor de romp of als toevoeging aan de putsen water waarmee de opbouw wordt schoongemaakt. Zelfs de zwarte regenstrepen verdwijnen! Daarna goed in de was zetten! |
| Gele ruit |
Een gele ruit kennen
we als aanduiding voor de aanbevolen doorvaartopening bij
bruggen. Het vernieuwde BPR uit 2004 kent in art
3.15 een andere toepassing: Een varend passagiersschip waarvan de maximale lengte van de
romp minder is dan 20 meter moet overdag een gele ruit voeren om kenbaar te maken dat het
"kleine" schip als groot moet worden
beschouwd. Aan het ontstaan van dit artikel zit een aardig verhaal vast: In het concept van het nieuwe BPR werd een passagiersschip kleiner dan 20 meter als klein schip beschouwd. Er werd geen uitzondering gemaakt zoals voor sleepboot, veerpont, vissersschip of duwbak. Jos Koenen heeft zo'n "klein" passagiersschip en schreef een verontruste brief naar de Minister van Verkeer en Waterstaat. Hij vertelt: "Ik heb toen het volgende voorbeeld gegeven: Mijn schip, de VD10 meet over de stevens 17 meter (LOA 24 meter), voert max. 7 zeilen met een totale oppervlakte van 220m en heeft een waterverplaatsing van 50 ton. Het schip heeft een capaciteit van 30 passagiers. Met dit schip dat in het voorgestelde BPR 'klein schip' is zal ik in het vervolg onder bepaalde omstandigheden uit moeten wijken voor een Piraatje". Jos stelde voor dat bewuste schepen (meer dan 12 passagiers en kleiner dan 20 meter) als dagmerk een gele ruit zouden kunnen voeren om de status "groot schip" te behouden. Weliswaar onpraktisch, maar dat geldt ook voor het dagmerk van een vissersschip. Het gevolg was dat zijn voorstel een agendapunt werd op de vergadering van de Overleggroep Nautische Zaken Binnenvaart (ONZB) en uiteindelijk art 1.01 werd aangepast en art. 3.15 werd toegevoegd. |
| Geluids seinen |
Het geluidssein (er
wordt nogal gegoogled op toeteren) bestaat uit reeksen lange en korte stoten.
Niet alle seinen mogen door kleine schepen gegeven worden, het attentiesein, het noodsein en het sein ik kan niet manoeuvreren
zijn - indien nodig - verplicht, maar een klein schip mag niet de manoeuvreerseinen, (Art
4.02 lid 3 BPR) geven. Wel mogen de algemene seinen van afdeling A uit bijlage 6 gegeven
worden. Het maandblad Motorboot (mei 2008) noemt het uitwijkseinen, maar dat begrip kent
het BPR niet.
|
| Genua |
De genua is een grote fok. Het is het driehoekig zeil voor de mast dat met een grote bolling is gesneden en het grootzeil voor een deel overlapt. Bij het voor-de-wind varen zorgt dit zeil voor grote stuwdruk, het "Trekken". Het zeil werd voor het eerst in Scandinavie gebruikt, maar rond de Middellandse Zee nam men het weldra over. Vandaar de naam Genua. Toch werden brede, het grootzeil overlappende voorzeilen al eeuwenlang op de Zuiderzeebotters gevoerd. |
| Gestrekte koers | In tegenstelling tot een zeilboot zal een motorboot over het algemeen een "gestrekte koers" varen. Hiermee wordt n.l. de koers evenwijdig aan de as van het vaarwater bedoeld. Een zeilboot kan dat alleen maar als de vaarweg is bezeild. |
| Getijdesluis | Ook wel
getijsluis of tijsluis genoemd. Wanneer de waterstand aan beide zijden van de sluis door
het getijverloop even hoog is, kan de sluis aan beide zijden geopend worden. De
Waaiersluis in de Hollandse IJssel bij Gouda is zo'n sluis. Omdat het schutsluisje met
24,5 meter te klein is voor een spits
(38 of 47 meter), zal de schipper voor doorvaart moeten wachten tot het tij dat toelaat.
In het geval van de Waaiersluis eens per 24 uur. De sluis kan maar een korte periode
opengezet worden en dankt zijn naam aan de waaierdeuren.
Deze bestaan uit twee aan elkaar verbonden delen, die rond kunnen draaien in een
komvormige inkassing. Het ene blad heeft een breedte van 5/6 van het andere blad. De delen
vormen samen een soort waaier. De waaierdeuren kunnen naar beide zijden het water keren.
Door de waaierkas via buizen met water te vullen kan de druk op de deuren zodanig
gewijzigd worden, dat zowel tegenstrooms als meestrooms geschut kan worden. Kijk voor een principetekening op de site van de stichting Menno van Coehoorn. |
| Getijwater | Hoewel je als
motorbootvaarder op binnenwater weinig te maken krijgt met getijden is het best leuk te
weten waar b.v. een waddenschipper over praat. Hieronder een korte uitleg en wat
begrippen. Getijdenbeweging wordt veroorzaakt door de aantrekkingskracht van zon en maan op de aardse watermassa. Het water wordt aan de kant van de maan als het ware opgetild en als tegenwicht ontstaat aan de andere kant van de aarde ook een waterverhoging. Op dezelfde plek dus twee keer per etmaal hoogwater. Eén keer naar de maan toegekeerd en één keer van de maan afgewend. Omdat de maan elk etmaal ten opzichte van de aarde verschuift is de cyclus iets langer, ongeveer 24 uur en 50 minuten. In die periode twee keer laagwater (eb) en twee keer hoogwater (vloed). Als zon en maan ten opzichte van de aarde in één lijn staan krijgen we extra hoog water (springvloed) en als de aantrekkingskracht van zon en maan elkaar tegenwerken, ze staan dan ten opzichte van elkaar onder een hoek van 90º, is het getijverschil het geringst. De vloed is minder hoog en de eb minder laag (doodtij). De snelheid waarmee het water rijst of daalt (het verval) is niet constant. In de eerste uren voor of na hoogwater en laagwater zal de af- of toename minder zijn. Vuistregel voor verandering in verval bij wassend of dalend water:
|
| Geubel |
| Geveegd | Of "geveegde kont". Deze term duidt de kromming van het vlak (de bodem) in langsscheepse richting aan. Bij een geveegd onderwaterschip loopt het vlak aan de achterzijde met een gestrekt verloop omhoog teneinde het water gemakkelijk los te laten. Dit in tegenstelling tot een "volle kont", waarvan de lijnen sterk gekromd zijn. Sterk geveegd betekent een lang gestrekt verloop onder kleine hoek. Bij de aanpassingen die schipper Evert P. van het Schip aan zijn Doerak maakte om het stuurgedrag te verbeteren wordt hier o.a. aan gerefereerd. Ook niet-Doerakvaarders kunnen profijt van zijn verbetering hebben. |
| Gieren | Je schip kan door sterke wind achter het anker gaan gieren. Het gaat dan op de wind als een slinger heen en weer, waardoor het anker uiteindelijk kan uitbreken. "Oplossing" uit het boekje: tweede anker uitbrengen. Zie ankeren, of ankeren met spring. Ook kan het schip tijdens varen van voren gaan gieren (rotatiebeweging) door deining en golven als je onder welke hoek dan ook tegen de golven invaart. |
| Gladboordig | De huidplanken van een houten schip worden met afgeschuinde kanten tegen elkaar gebouwd, waardoor een gladde romp ontstaat. Men noemt dit karveelbouw en de naden moeten regelmatig gebreeuwd worden. Verwant (en tegengesteld): overnaadse bouw. |
| Gland |
Meestal uitgesproken als "glan" of "galan". Waterdicht lager (binnengland) aan de motorzijde van de schroefas. Bij oudere schepen over het algemeen vet gesmeerd met als afdichting één of meerdere vetkoorden. Bij het smeren van de gland d.m.v. een vetspuit of aandraaien van de vetpot zal het vet in de schroefaskoker tot in het achterlager (buitengland of asbroek) geperst worden, welke overigens niet waterdicht is. Een veel gebruikte vetsoort is lithiumvet. Het behoort tot de industriële vetten, geeft een zeer goede afdichting en is (zee)waterbestendig. Voor de beste smering moet een dun vet met dikte "00" worden toegepast, dit in tegenstelling tot de hennegatskoker, waar juist een dik vet moet worden gebruikt. Tegenwoordig worden meer en meer watergesmeerde systemen toegepast. |
| Glazen slaan |
|
| Goden Neptunus |
Pleziervaarders
op binnenwater hebben hun eigen watergod. Het is de Romeins mythologische god Neptunus
van het zoete water, doch al eeuwen v. C. door zeevarenden geclaimd en
vereenzelvigd met de Griekse zeegod Poseidon. Neptunus wordt dan ook
meestal als zeegod afgebeeld op een dolfijn, met een drietand in de hand. Het
Neptunusfeest werd volgens oude kalenders gevierd op 23 juli, wanneer de zomer op zijn
heetst was en iedereen smachtte naar verfrissend zoet water. Vanaf de 16e eeuw was het
tijdstip niet meer bepalend maar de positie op zee. Schepelingen die voor het eerst de
Berlenga Eilanden op weg naar de Middellandse Zee of de Sont naar de Oostzee passeerden
werden gedoopt. Nicolaes Witsen beschreef het als volgt: "Iemant
van de nock van de Ree laten loopen, voor dusdanige plaetzen, alwaer de doopeling nooit te
vooren heeft geweest, welcke plaetzen van outs her, onder de zeeluiden, daer toe verkooren
zijn; zelfs schepen, die nooit dusdanige doopplaetzen voorby zijn gezeilt, zijn het recht
van dopen onderworpen: en de Schipper is gehouden by dezen voorval de maets met een
drinck-penning te vereeren, zoo hy niet wil lijden, dat de snuyt stilzwijgens van het
schip afgezaeght werdt, of eenigh scheeps-deel verduistert. Met gelt koopen het die gene
insgelijx af, die het niet en lust in zee te vallen. De jongens worden in stee van doopen,
onder een mande gezet, wien men dan tobbens vol water over 't lichaem giet". In
de loop van de 17e eeuw verplaatste de ceremonie zich naar de evenaar, weldra uitgegroeid
tot een ritueel, waarbij de eerstelingen, door als Neptunes/Poseidon met gevolg uitgedoste
bemanningsleden werden gedoopt. Dit dopen bestond uit inzepen, scheren en in een bassin
water gooien, waarbij het niet altijd even zachtzinnig toeging en nog steeds toegaat. De matroos die voor het eerst de linie passeert heet(te) een baar. De zoon van Poseidon en gade Amphitrite heet Triton. Hij wordt voorgesteld als een meerman met de voorbenen van een paard. Als Poseidon in een goede bui was, ging hij naar het wateroppervlak met zijn vierspan. Triton blies dan op zijn kinkhoorn, zodat de golven rustig werden. De Griekse mythologie kende ook de zeegod Nereus. Deze viriele god had 50 dochters, de Nereïden, zeenimfen die meestal rijdend op fantasiezeedieren afgebeeld worden. Nereus had de gave der voorspelling en kon zich in allerlei gedaanten veranderen. Naast Poseidon en Nereus hadden de Griekse zeelui terdege rekening te houden met stormdemonen. Het waren Harpijen, de dochters van Thaumas en Elektra en voorgesteld als roofvogels met grote klauwen en een afstotelijk vrouwengezicht. Wellicht nog een graadje erger was het bij de Noren. Zij hadden te kampen met de Germaanse zeegod Aegir en zijn zuster Ran (Rana). Aegir wordt voorgesteld als een magere oude man met lange witte baard en haren, die voor het gemak met zijn zuster was gehuwd. Het godenechtpaar had geen beste reputatie. Wanneer Aegir verscheen was het alleen om schepen naar de bodem van de zee te slepen, of zware stormen te veroorzaken en zijn vrouw/zuster Ran ving de schepen in haar netten. Zij werd dan ook beschouwd als de godin van de dood voor allen die op zee omkwamen.
|
| Goede zeemanschap | Een bekende kreet voor zeevaarders, maar merkwaardigerwijs ook gebruikt in het binnenvaartpolitiereglement art 1.04 en 1.05. Zie zeemanschap. Eigenwijze Cees zou overigens denken dat wanneer je het toch gebruikt, het geschreven zou moeten worden als "goed zeemanschap" (zonder e). |
| Gondel | Noordhollandse gondel. |
| Gouwe | Oude aanduiding voor een natuurlijke watergang of vaart. Voor een gegraven vaart (gracht) kende men graaf, graven, graft of grecht. |
| GPS | Het GPS (Global Positioning System) is een plaatsbepalingsysteem op basis van satellietsignalen. Zie voor uitgebreidere uitleg het tutorial op www.trimble.com. en voor koppeling van GPS aan andere apparatuur shiptron.nl en "wat is NMEA?". |
| Greelband | Metalen band of lus van touwwerk (grommer), waarin de voet van de spriet werd opgehangen. De naam greel komt van gareel, het halsjuk van een trekdier. |
| Grietje | Oude naam voor het bovenste zeil aan de kruismast. Wanneer de kruisbramsteng meerdere zeilen voerde, sprak men van ondergrietje, middengrietje en bovengrietje. Volgens overlevering werd op zeker schip "Den Eik" een der scheepsjongens, die met het los- en vastmaken van het bovenkruiszeil belast was, veroordeeld om met de knuttels te worden gestraft. Geeselen, 't geen voor de mast met een touw geschiedt, zonder dat de klederen uit werden getogen, doch jongens worden ontbloot en met dunne touwetjens gekastijdt [Witsen]. Toen men het bovenlijf dus wilde ontbloten, ontdekte men dat de bovenkruisraasgast een meisje was, Margriet (Grietje) van Dijk genaamd. De naam van het zeil werd een eponiem. Tegen "meisjes loos", die uit varen gingen om b.v. samen met vriend of echtgenoot in Indië te kunnen zijn, werd overigens streng opgetreden, want een vrouw als bemanninglid was ondenkbaar. |
| Groenewegen | Gerrit Groenewegen was een Rotterdammer die van 1754 - 1826 leefde. Als leerling-timmerman op een scheepswerf werd hij door een ongeval invalide, waarna zijn tekentalent van schepen en watergezichten tot ontplooing kwam. Vermaard is hij om zijn serie van 84 etsen van scheepstypen met onderschrift onder de titel Vezameling van vier en tachtig stuks Hollandsche Schepen getekend en in koper gebragt. Bij de beschrijving van oude scheepstypen is op vaartips dankbaar gebruik gemaakt van reproducties, die helaas geen recht doen aan de oorspronkelijke fijnheid van de originelen, maar toch een waardevol beeld geven van de in zijn tijd voorkomende vaartuigen. |
| Groeten
|
Op niet
druk water groet de ene schipper de andere. Een bepaalde categorie doet dat niet. De bezitters van luxe peperdure sloepen met inboardmotor zijn vreemde vogels. De soort gedraagt zich anders... Over het algemeen kijkt het nors voor zich uit, lijkt zich stierlijk te vervelen, vaart hard en heeft maling aan vaarregels. Niet alleen de chique bootjes lijken op elkaar (veel teak en donker "navy blue"), de species ook! Het mannetje tooit zich bij voorkeur met blazer en stoer kapiteinspetje; Lévi Weemoedt sprak ooit in zijn "Waarschuwing voor de scheepvaart" in ander verband over een "gechargeerd zee-tenue uit de rekwisietenkoffer van een amateurtoneelgezelschap". Het wijfje heeft geblondeerde kopveren. Het voederbakje is gevuld met zalm of foie gras en het drinkbakje met sherry of champagne en natuurlijk hangt de natievlag door het water slepend aan een gebogen vlaggenstok...! Deze bespiegeling heeft me dus een verontwaardigd mailtje van een sloepvaarder opgeleverd.... Zonder gekheid; natuurlijk is groeten geen verplichting, maar een traditie en het gaat te ver om op een warme zomerdag, wanneer het zwart ziet van de bootjes, voor iedereen je hand op te steken. Er zijn overigens ook gewoon aardige sloepers, zie bommerdebom. Een paar jaar geleden overkwam ons het volgende. Op het Zwarte Water tussen Hasselt en Zwolle is bij de industriehavens een stukje ondiep water met zodanige betonning dat alleen vaarwater aan de verkeerde kant overblijft. Daar strak tegen de tonnenrij varend groette ik een (bijna op ramkoers) tegemoet komende sportschipper die als antwoord niet terug zwaaide maar me nijdig toebeet: "Ook op het water moet je rechtshouden hufter!". Verbijsterd vervolgden we onze weg. Hij zag de groene tonnenrij kennelijk als middenstreep... |
| Grommer | Een gesloten ring van touwwerk om b.v. een blok aan een rondhout te kunnen hangen, of ingenaaid in de schoot- of andere hoek van een katoenen zeil. Grommers werden ook gebruikt als lussen aan een jackstay om een arm door te steken om beide handen vrij te hebben voor het reven of opdoeken van het zeil. Grommer is tegenwoordig ook de naam van een bepaald type polyester motorkruiser. |
| Grondberoering | Een term die volgens mij alleen door zeilers gebruikt wordt. De kiel raakt de grond. Meer in het bijzonder: ongewild de bodem raken. |
| Grondpen | Zie meerpen. |
| Groningse boot |
| Grundel |
| GSAK | Aanduiding in de jachtmakelaardij: Gesloten Stuurhuis (met) AchterKajuit |
| Gijpen | Bij het voor-de-wind varen, het van de ene naar de andere kant brengen van een zeil. Moet met beleid gebeuren, want anders kan een gevaarlijke klapgijp ontstaan. Eigenlijk wordt met gijpen het onverwacht overslaan van het zeil bedoelt. Het welbewust laten overkomen noemt men "halzen", naar het "over een andere hals leggen" van het onderzeil op een vierkant getuigd schip om voor de wind te wenden en over een andere boeg te gaan liggen [Me3]. |
| Heel graag op- of aanmerkingen. |
Op alle materiaal (layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht
van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke
toestemming.
Mocht je ondanks
alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.