|
| Labberdaan | Labberdaan of abberdaan is een oude naam voor gezouten vis, ook bekend als bakkeljauw, bacalhao (Portugees), bacalao (Spaans), klipvis (gezouten kabeljauw) of stokvis (luchtgedroogde kabeljauw). Het woord is ontleend aan een deel van Baskenland dat Labourd heet. |
| Labberen | Men spreekt over
labberen wanneer het zeil slap hangt en zwabbert. Dit gebeurt bij een zwakke wind of labberkoelte. Verwant: telltales. |
| Lage(r)wal | De kant van het vaarwater waar de wind op staat. |
| Landvast | Lijn of tui
voor het vastleggen van een vaartuig. Bij zeeschepen een tros.
In de pleziervaart wordt op de vaste ligplaats in haven of box wel gebruik gemaakt van
landvastveren of "rekkers". Dit zijn metalen of rubber veren die aan de landvast
bevestigd worden om enige rijzing of daling (geen tijverschil) van het water, of de
zuiging/golfslag van een passerend schip op te vangen. Evenals ankerlier, fenders en meerpennen behoren
lijnen en rekkers tot het verhaalgerei. Dat is alles wat nodig is om te meren, ontmeren en te verhalen. Een "altijd klaar touwtje" om iemand toe
te werpen noemde men vroeger een smaktouw. Het was het touw dat klaar lag om
langszij komende sloepen toe te gooien. In de pleziervaart neemt men als lengte voor een
landvast meestal anderhalf tot twee maal de scheepslengt. ( ± 15 meter). Zie ook meerpaal, verhaalkam en verhaalkluis. |
| Langedijker |
| Langstaart | Buitenboordmotoren
bestaan in een kortstaart- en langstaartuitvoering. Wanneer een kortstaart of een
langstaart? De hoogte van de spiegel en het gebruiksdoel zijn bepalend voor de toe te
passen staartlengte. De spiegel is de achterzijde van de boot waartegen de motor geplaatst
wordt. Bij een schuine spiegel zal een recht naar beneden wijzend bevestigingsbord nodig
zijn. De hoogte van het punt waar de motorsteun komt tot het laagste punt van de spiegel
is uitgangspunt. Als vuistregel geldt: spiegelhoogte < 50cm = kortstaart, spiegelhoogte 40 -75cm = langstaart; tussen 40 en 50cm kan zowel kort- als langstaart, spiegelhoogte > 70 cm = extra langstaart. Kijk voor nadere informatie m.b.t. het gebruiksdoel op de Dutch Waterski Web. |
| Lapzalven | Staand want (stagen) en "werk" insmeren met een mengsel van teer en lijnolie tegen inwerking van vocht. |
| Lassen | Bij elektrisch laswerk
aan een stalen schip is het belangrijk dat de lasklem zo dicht mogelijk bij het uit te
voeren laswerk geplaatst wordt. Als de lasklem op een willekeurige plaats op de romp
geplaatst wordt, kunnen de retourstromen een nogal onvoorspelbare terugweg nemen. Het is
hierbij niet altijd gezegd dat dat de kortste weg zal zijn, zeker niet op oude geklonken
schepen. De stroom neemt de makkelijkste weg en dat kan heel goed door delen van het
elektrisch boordnet zijn. De potentiaalverschillen zijn tijdens het lassen volledig
ongedefinieerd en er kunnen allerlei spanningsverschillen ontstaan op de terugweg, dus ook
via delen van het elektrisch systeem. De dynamo, het meest gevoelige onderdeel, zit vast
aan de motor, die meestal een directe verbinding heeft met de romp. Om een mogelijke
stroomkring te onderbreken moet niet alleen de minpool van de accu, maar ook de plus van
de dynamo worden losgenomen. Verwant: ijzer. Bron: nl.sport.varen. |
| Last | Oude gewichts- of inhoudsmaat. Rond de 17e eeuw werd de grootte van schepen uitgedrukt in deze inhoudsmaat. De zeegaande schepen waren niet groot; zo'n honderd tot tweehonderd last, welke je gelijk kan stellen aan de huidige inhoudsmaat van twee bruto registerton (2 x 2,83m³). Voor de gewichtsmaat last geldt een heel ander verhaal. Zie schippersmaatlat. |
| LAT | LAT staat voor "Lowest Astronomical Tide", het laagste laagwater dat op een bepaalde plek voorkomt in een kalenderjaar en wordt bepaald a.d.h.v. astronomische voorspelling. In Nederland wordt het aangegeven t.o.v. het NAP (Normaal Amsterdams Peil) en ligt 1-2 dm lager dan LLWS. |
| Lateraal | Aanduiding voor de betonning die de zijdelingse begrenzing van het vaarwater aangeeft: "Laterale markering". |
| Latijnzeil |
Zeer oude manier
van langsscheepse zeilvoering. Het driehoekig grootzeil wordt met een lange antenne of
roede (een soort ra) aan een korte mast gevoerd. De antenne
wordt met een korte lijn aan de voorzijde vastgezet, waardoor een hoge schuine stand tot
ongeveer 45º wordt verkregen. Een trapeziumvormige variant was het setiezeil.
O.a. bij Schebek, Tartaan en Feloek in het Middellandse Zeegebied en Arabische wateren. "Het Latyn is eene sterke zenuwachtige taal, volmaaktelyk overeenkomende met het karakter van het volk die ze spreekt". [NvW] |
| Laveren | Het zigzagsgewijs tegen de wind opzeilen. Voortgang maken door onder een zo klein mogelijke hoek met de wind, steeds over een andere boeg te varen. Eigenlijk een walterm. Op zee noemt men het opwerken of opkruisen. Op binnenwater is het op een vaarweg zo dicht mogelijk naar de kant of een obstakel varen en dan overstag gaan. Het daar zover mogelijk doorvaren alvorens overstag te gaan wordt door motorbootvaarders niet altijd begrepen en jaagt ze soms de stuipen op het lijf ;-). Daarom dient op vaarwegen waar druk gezeild wordt, de motorboot zoveel mogelijk stuurboordwal (rechts) te houden. Maak als motorschipper in dat geval niet de fout van je gestrekte koers af te wijken. De zeilschipper zal in verwarring raken en mogelijk bij de overstagmanoeuvre zelfs moeten killen. Aan de andere kant is het ook niet nodig en onbehoorlijk van de zeilschipper om vlak voor een motorschip overstag te gaan. Het is een kleine moeite om iets af te vallen en achterlangs te gaan. Hele volkstammen denken dat de zeilboot voorrang heeft. Dat is niet waar. Niemand heeft voorrang, wel ben je in bepaalde situaties verplicht uit te wijken. In de laatste versie van het BPR [2004] wordt i.p.v. uitwijken voor het eerst het woord voorrang gebruikt, maar dan in de betekenis van voorrang verlenen. Voorrang wordt dus niet genomen, maar gegeven. Kleine motorboten verlenen altijd voorrang aan roei- en zeilboten, behalve wanneer ze zelf stuurboordwal houden. Wanneer je persé op het scherp van de snede wilt zeilen kan je dat beter op ruim water doen, maar neem nooit voorrang. Verwant: vaarregels, slagboegen, zeilstanden. |
| Leeftijd | De minimum
leeftijden voor het besturen van een schip, uit de toelichting van art. 1.09 BPR. - alle leeftijden: zeil- en roeiboten korter dan 7 meter (dus niet gemotoriseerd, ook niet elektrisch). - vanaf 12 jaar: roeiboten met bb motor en open motorboten korter dan 7 meter die niet harder kunnen dan 13km/u. - vanaf 16 jaar: motor- en zeiljachten met een lengte tot 15 meter die niet harder kunnen dan 20km/u. - vanaf 18 jaar met vaarbewijs: snelle motorboten (harder dan 20km/u) en motorjachten met een lengte vanaf 15 meter. Voorbeeld: Ik ben 13 jaar, kan beter varen dan menig volwassene en bezit een kajuitvletje van 6 meter met een inboard dieseltje. Het scheepje kan max 12km/u. Mag ik daar mee varen? Helaas is het antwoord nee. Voor het besturen van een kajuitbootje moet je 16 jaar zijn. --------------------------------------------------------------------- Overigens mag een bestuurder die niet aan de eisen voldoet wel onder direct toezicht sturen van iemand die wel de bevoegdheid heeft. Het reglement zegt niet dat degene die het schip bestuurt ook daadwerkelijk het roer in handen moet hebben. Tip voor 12 tot 16 jaar: Kijk uit met bb motoren bij kleine opblaasboten en polyester bootjes. Zelfs met een licht benzinemotortje kan het vaartuig al gauw harder dan 13km/u. Waarschijnlijk is een elektrisch motortje dan de beste oplossing. Zie ook snelle motorboten. |
| Legdagen | In de 18e eeuw was er kennelijk geen verschil tussen liggen en leggen, want in de koophandel werd gesproken over legdagen, waar het zeker niet om pluimvee ging. "Het gaat om eene zeekere beloning die door den kooplieden word toegestaan aan de schippers, voor hun langer verblyf in eene haven, dan den tyd die in 't eerst voor hun vertrek gesteld was". [NvW] |
| Legering | De meeste aan boord gebruikte metalen zijn legeringen. Legeringen met staal o.a. RVS, legeringen met koper o.a. messing en brons en legeringen met aluminium. Het toevoegen van een ander element dient om het oorspronkelijke element meer sterkte en/of betere corrosiebestendige eigenschappen te geven. Specifieke eigenschappen en toepassingen vind je bij bovenstaande trefwoorden. Bij elementen is een lijst van chemische elementen met kenmerken en symbolen opgenomen |
| Leguaan | Dik gevlochten touw
dat aan beide uiteinden op niets uitloopt en de voorsteven van het schip siert en
beschermt. Het vervaardigen is ouderwets vakmanschap en eigenlijk niet door een leek te
doen. Wordt vaak gebruikt bij platbodems en schepen met stompe steven. Oorspronkelijke betekenis: Zware mat van touw, ook wel platingh, die men op de ra's aanbracht om schavielen tegen de mast tegen te gaan. Het dikke touw om de steven heette gewoon kraag. |
| Lek (de rivier) |
Een oude beschrijving: "De Lek is eene rivier in de vereenigde Nederlanden zynde een gedeelte van den Neder Rhyn. Zy krygd dien naam in het westerdeel van Gelderland, daar een overvaard uit de Veluwe in de Betuwe is, gemeenlyk het Lekkeveer genaamd. Zy loopt voorby Rhenen en Wyk te Duurstede, omtrend daar de Oude Waare Lek haaren oorsprong had, zynde een klein riviertje als eene lekking of doorzypering uit de Landen. Maar deze Lekking allengskens grooter geworden, onttrok in het jaar 860, andere willen al in het jaar 421, den Rhyn meest al zyn water, zo dat die naar Utrecht, Woerden en Leiden afschietende, wegens stopping by Katwyk aan Zee, weinig, ja gantsch geenen loop meer behield. De Lek stroomd dan verder voorby Wyk, Kuilenburg, Vianen, Schoonhoven enz. toe dat ze niet verre van Rotterdam zich in de Maas ontlast. Anderen zeggen dat in het jaar 857 of 860 eene vervaarlyke storm uit den Noord Westen, het zeewater door den mond van den Rhyn by Katwyk injoeg, zoodanig dat alles overstroomde en menschen en beesten en alles wat er omtrend was, vernield wierden; te meer door dien de mond van den Rhyn, door het zeewater en opgeworpen zand, aldaar gestopt of geene schuring genoeg hebbende, de inwoonders noodzaakten om den Rhyn door een anderen, of nieuwen arm, zeewaards aan te leiden en zich dus in de Maas van dien grooten watervloed in eenen anderen open boezem te ontlasten; en dat zy dien arm de Lek zouden genoemd hebben" [NvW 1775]. |
| Lekko | Verbastering van "Let go". Deze uitroep wordt gebruikt bij het losgooien van de trossen of het uitbrengen van het anker. |
| Lemmeraak | De benaming Lemmeraak wordt gebruikt voor Lemsteraken die buiten Friesland gebouwd zijn, want alles afkomstig uit Lemmer heet Lemster (ook de inwoners). In Zeeland werden - niet in Friesland - gebouwde schepen van dit type wel Lemmersjacht genoemd, beter bekend als mosselaak. |
| Lemsteraak |
| Lenzen | Twee betekenissen: -Het bij slecht weer voor de wind afrijden van de golven. Heet eigenlijk ter lens gaan. Hoewel hierbij grote snelheid gemaakt kan worden is het een gevaarlijke bezigheid. Zonder dat je het tegen kan houden kan de zeilboot gaan oploeven en dwars op de wind en golven komen te liggen. Motorjachten met een spiegel lopen ook grote kans uit het roer te lopen. Je zult je schip goed moeten kennen en een hoge graad van stuurmanschap moeten bezitten, maar afhankelijk van het type schip - zeker geen open boot - kan het comfortabeler zijn dan bijliggen. -Het overboord pompen, lozen, van lens- of bilgewater met een lenspomp. Als het klaar is en de pomp droog draait is het schip lens [leeg]. Als een zeeman gaat "lenzen op de voorpiek" gaat hij pissen. Verwant: zelflozende kuip. |
| Lepelboeg | Bol gebogen
boegvorm bij zeiljachten van o.a. BM en 16 m²-klasse. Het
kortere onderwaterschip maakt snellere wending mogelijk, maar het nadeel is dat bij golven
veel buiswater wordt overgenomen en vaartverlies tot gevolg heeft. Men onderscheidt de
extreme, de normale en de gematigde lepelboeg.
|
| Leuver | Sluiting om touw, staaldraad of ketting ergens aan te bevestigen. Er zijn vele soorten en modellen. De meest gangbare soorten met hun benaming zijn hier te vinden. Leuver wordt ook gebruikt als benaming voor een touwoog of een oog in het zeil. |
| Lichtbak | De boordlichten werden vroeger, toen er nog lantaarns werden gebruikt, geplaatst in licht- of lantaarnbakken om te kunnen voldoen aan de overschijningshoek. De lichtbakken werden aan de binnenzijde in de corresponderende kleuren rood en groen geverfd en in het oude RPR/ROSR (Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn) werd na 1970 voorgeschreven dat de bakken zwart moesten zijn met een schotje om overschijnen te voorkomen. In het huidige RPR en BPR staat echter niets meer voorgeschreven over lichtbakken. Er moeten goedgekeurde lantaarns gebruikt worden (bijlage ROSR), die de oude schotjes en dus ook de lichtbakken overbodig maken. Er staat echter nergens dat de bakken NIET meer gebruikt mogen worden, waarmeee de kleur van de binnenzijde dus ook niet meer voorgeschreven is. |
| Lichten | Zie navigatieverlichting en/of sluis- en bruglichten. |
| Lichtenlijn | Hoort misschien meer op de navigatiepagina thuis. Het is de denkbeeldige lijn tussen twee lichtbakens bij b.v. de ingang van een haven of als markering van een vaargeul in onoverzichtelijk vaarwater. Het achterste licht is hoger geplaatst dan het voorste. Als je deze lichten in één lijn achter elkaar houdt ben je zeker van de goede koers naar haven of in vaargeul. |
| Lichter |
| Linieschip |
| Linkeroever | Bij
de markering van vaarwater worden de begrippen linker- en
rechteroever gebruikt. In de visserij ook wel aangeduid als kwade wal (links) en goede wal
(rechts). De bepaling daarvan doe je met je rug naar de hoge kant (waar het water
vandaan komt) kijkend naar de lage kant (stroomafwaarts, waar het water naar toe gaat).
Pas op: Het rood en groen van de betonning is tegensteld aan het links en rechts van je
boordlichten. Ook voor kanalen geldt van hoog naar laag, dus in de richting van een lager pand. Voor andere wateren zijn de volgende regels afgesproken: - Getijdengebied: kijkend in de richting van de ebstroom. - Zijvaarten en geulen: in de richting van de hoofdvaarweg. - Meren: in de richting van de uitgang naar open water. - Randmeren: kijkend vanaf Amsterdam. - IJsselmeer: kijkend vanaf zee (Den Oever). |
| Lloyd |
In Tower Street Londen was een "Coffee House" waarvan de kastelein Edward Lloyd heette. Vanaf de tweede helft van de 17e eeuw verzamelden zich daar reders, makelaars en verzekeraars om zaken te doen. Eén van de activiteiten was de verkoop van schepen by the candle. Er werd een kort kaarsje aangestoken van ongeveer een inch (duim) lang en zodra die brandde kon het bieden beginnen. Ging het kaarsje uit, dan was degene die het laatste bod had gedaan eigenaar van het schip. Dit systeem was tot het eind van de 18e eeuw in zwang. In 1688, het cafe was inmiddels verhuisd naar Lombard Street, verenigden de bezoekers zich tot wat we tegenwoordig een maatschap zouden noemen. De verzekeringsmaatschappij Lloyd's of Londen is hieruit voortgekomen en de Lloyd's List uit 1734, het Lloyd's Register of Shipping uit 1834 en het Lloyd's Open Form uit 1890 danken tevens hun naam aan uitbater Lloyd. De scheepvaartkrant Lloyd's List was oorspronkelijk een lijst van scheepsbewegingen. Het Register of Shipping is het classificatiebureau dat de maatstaven voor de scheepsbouw van zeegaande schepen bepaalt. Het Open Form is een overeenkomst ter voorkoming van slepende rechtzaken bij bergingen. Het hulpverleningsvaartuig seint "L" en als daar bevestigend op wordt geantwoord betekent het dat beide partijen zich neerleggen bij arbitrage van Lloyd's. Na zijn dood in 1713 ontwikkelde de naam zich overigens tot een dusdanig symbool van betrouwbaarheid en prestige, dat vele scheepvaartmaatschappijen en assuradeurs Lloyd of Lloyd's aan hun naam toevoegden zonder enige binding te hebben. Merkenrecht bestond niet. |
| LLWS | LLWS (Laag Laagwater Spring), is het gemiddelde niveau tot waar het water wegzakt bij het laagste springtijlaagwater iedere maand. Het wordt aangegeven t.o.v. het NAP (Normaal Amsterdams Peil). Voor de Noordzee bekend als GLLWS (gemiddelde laagste laagwaterstand bij springtij). Het probleem met de huidige [2008] gebruikte reductievlakken in de Noordzee is dat ieder Noordzeeland min of meer zijn eigen reductievlak hanteert, wat de navigatie bij het overschrijden van de grenzen er niet op vergemakkelijkt. Om dit euvel uit de wereld te helpen, is op internationaal niveau beslist om het reductievlak te standaardiseren naar LAT. |
| LOA | Lengte over alles. |
| Loefbijter |
|
| Loefgierig | De eigenschap van een schip om in bepaalde omstandigheden de kop te draaien naar de richting waaruit de wind waait. Een loefgierig zeilvaartuig noemt men ook "wreed op het roer". Dit kan worden veroorzaakt door een te veel achteroverhellende of te ver naar achteren staande mast, of door een te ver naar voren geplaatste kiel. Loefwaardig is daarentegen de eigenschap van een zeilvaartuig om, aan de wind zeilend, goed tegen wind en zeegang te kunnen opwerken. |
| Loefzij | De kant van
het schip waar de wind op staat. Een ezelsbruggezegde luidt: Aan loef loden en gissen, aan lij loggen en vissen (kotsen en pissen). Verwant: lijzij. We kennen ook nog de weinig gebruikte term "langswal" voor een wind die evenwijdig aan de wal waait: tegenwind of rugwind (bakstagwind). |
| Loerdenne |
| Loevert | De fok staat "te loevert" betekent dat de fok - om zoveel mogelijk wind te vangen bij voordewindse koers - aan de andere kant van het grootzeil staat, ook wel aangeduid als "vlinderen", "zeilen in schaar", of "de muts", hoewel benamingen als "melkmeisje" of "melkmeid" ook wel gehoord worden. Deze hebben echter betrekking op een vierkant getuigd schip dat lijzeilen voert". |
Log![]()
|
Het
instrument waarmee de snelheid van een schip door het water wordt gemeten. De logvaart.
Deze wordt van oudsher aangeduid in knopen, afgeleid van het handlog dat vroeger werd
gebruikt. De naam log is ontleend aan het Hebreeuwse woord voor zesdemaat: loog
(een zeemijl is een 60e van een graad). Het handlog bestond uit een logplankje
(logschuitje), verbonden aan een loglijn, die op een haspel (wuit) was gewonden. Het
platte logplankje had de vorm van een cirkelsector. De ronde zijde was zodanig verzwaard,
dat het plankje rechtstandig, met de tophoek enige centimeters boven water, bleef drijven.
Het plankje was met een spruit verbonden aan de loglijn.
Deze begon met een voorloop die eindigde bij het torn- of turnlapje, een door de tieren gestoken wit markeringslapje. Vanaf dat punt was de
loglijn met tussenruimtem van 7,72m (1/240e zeemijl) gemerkt met ingesplitste dunne
lijntjes, het eerste met één knoopje, het tweede met twee, enz. Er werd ook wel gewerkt
met een tussenruimte van 15,43m (1/120e zeemijl). Vaak werden bovendien de halve afstanden
gemerkt door lijntjes zonder knopen. Het
loggen gebeurde met drie man. Eén hield de haspel met loglijn vast (omhoog), de ander
zette het logplankje overboord en liet de lijn door zijn hand uitlopen. Zodra het
tornlapje passeerde, werd door de derde man een zandloper, het logglaasje, omgekeerd
(links op de foto). Dit had een looptijd van 15 sec (1/240e uur), of een looptijd van 30
sec (1/120e uur), afhankelijk van de knoopafstand in de loglijn. Zowel tijd als
knoopafstand waren dus op dezelfde schaal verkleind. Wanneer het zand in het logglaasje
was doorgelopen, werd de loglijn vastgehouden. Het aantal knoopjes in het dichtstbijzijnde
merklijntje gaf dan (bij benadering) de snelheid van het schip in zeemijlen per uur.
Vandaar de uitdrukking: "Het schip loopt zoveel knopen". De logvaart is alleen
bij stilstaand water gelijk aan de grondsnelheid en alleen dan te gebruiken om de
afgelegde afstand te bepalen. John Vermeulen schreef overigens in zijn hilarische
"Varensweeën": "Het meest betrouwbare log bestaat uit een blik van de
schipper op het water en een tussen de tanden gemoppeld: 'Vier en een halve
knoop...'. Aan de hand hiervan berekent hij de afgelegde afstand. Klopt altijd...".
Verwant: kilometerraai en knoop/zeemijl. |
| Logger |
| Loggerzeil | Een loggerzeil is een emmerzeil dat zowel beneden als boven aan een ra is gemarreld. Het wordt op dezelfde wijze gehesen als een emmerzeil, waarna de hals naar beneden wordt uitgehaald. Op deze manier bijgezet, werkt het als een gaffelzeil en hoeft niet te worden geschift bij overstag gaan. |
| Loodskooi | Op jachten een kooi achter de leuning van een langsscheepse bank, meestal geheel of gedeeltelijk onder het gangboord. Een benedenkooi wordt ook wel zo genoemd. |
| Loxodroom | Meridianen lopen als halve cirkels van gelijke grootte van pool tot pool. Parallellen lopen evenwijdig aan de evenaar en worden naar de polen toe steeds korter. Het gevolg daarvan is dat parallellen naarmate ze kleiner worden (dichter bij de polen) de, tevens dichter naar elkaar toekomende, meridianen onder een steeds grotere hoek snijden. Op kaarten in mercatorprojectie (wassende kaart met rechte lijnen) is de onderlinge afstand van de parallellen dan ook steeds groter (wassend) naarmate men de polen nadert. Iedere rechte lijn op zo'n kaart snijdt de meridianen onder dezelfde hoek en wordt een loxodroom genoemd. Een schip dat een rechte kaartkoers voorligt, vaart dus over een loxodroom (scheeflopend). Voor het uitzetten van de kortste route over lange afstanden op hoge breedte gebruikte men dan ook liever een grootcirkelkaart, waarna de route werd overgezet op de wassende kaart. Heden ten dage wordt natuurlijk GPS gebruikt. Kijk voor nadere uitleg bij het raadsel van de mercatorprojectie. |
| Luchthoorn | Met
het huidige drukke wegverkeer wordt een simpele elektrische hoorn vaak door brug- of
sluiswachter niet meer gehoord. Een luchthoorn maakt veel meer geluid. De luchtcompressor
van zo'n hoorn heeft echter in één keer veel stroom nodig en zal daarom rechtstreeks op
de accu aangesloten moeten worden. De bediening geschiedt via een relais. Hieronder een
aansluitschema met contactnummers. Grote schepen moeten tevens een fluitlicht tonen, dat tussen contact 86 en accu-min kan
worden aangesloten. Verwant geluidsseinen.
|
| Luiaardsbank | De achterbank in een open kuip als zitplaats voor de roerganger. Verwant: helmstok. |
| Lummel |
Natuurlijk een lompe onhandige jongen, of een lanterfanter. Dat is tenminste wat de Van Dale er over zegt. Dat "jongen" klopt wel, want in zeiltermen is een andere benaming "mannetje". Het is o.a. de draaibare verbinding van de giek of laadboom aan de mast, of bakspier aan de scheepswand. Bestaat uit een lummelbout aan de giek, die in een lummeloog of lummelpot "vrouwtje" aan de mast valt. Naar huidige maatstaven nogal seksistische benamingen. Er waren afhankelijk van landstreek meer namen en verschillen in uitvoeringen: lummel = leuter, lummeloog = knecht = galg. De knecht of galg was aan de zijkanten vaak voorzien van pennen om de vallen te beleggen. Ze heetten kannagels. De scheepvaart kent overigens vele mannetjes [Me5, blz 39], het zijn de klossen stijlen of pennen die ergens ingestoken kunnen worden: De houten klosjes op de dolboorden van sloepen; de manning, andere benaming voor een berentand (geleideklamp op het boeisel); de dwarsverstijving in een damketting; de eindverbindingen bij staalbouw; de bout van een harp- of D-sluiting en in vroeger tijden de tarmen, de dragers voor de vloer of het rooster van een galjoen. Thuis kennen we stek(k)er en contrastek(k)er, welke in het jargon ook "mannetje en vrouwtje" heten. |
| Luxe motor |
| Lijfhout | Ook wel watergang. Het is de verbindingsgang (laatste plank) van het dek die de verbinding vormt tussen waterloopklos en dek van een houten schip. De waterloop(s)klos is het tegen de spanten liggend kantdeel waarin zich de spuigaten bevinden. Vroeger vergde de gebreeuwde naad tussen lijfhout en waterloopklos veelvuldig onderhoud om lekkage door het werken van de romp te voorkomen. Moderne kitten zijn wat dat betreft een uitkomst. Met lijfhout kan overigens ook de wegering bedoeld worden. Dat is de langsscheepse verstevigingsbalk waarmee aan de binnenzijde van het schip het spantwerk wordt verbonden om het schip de nodige stijfheid te geven. Bij stalen schepen wordt de buitenste gang van de dekbeplating lijfplaat, stringerplaat of dekstringer genoemd. Evenals het lijfhout veel zwaarder uitgevoerd dan de rest van het dek. In algemene zin kan lijf m.i. gezien worden als aanduiding voor versteviging van het "scheepslichaam". Verwant: gangboord en boeisel. |
| Lijgierig | De eigenschap van een schip om in bepaalde omstandigheden de kop van de wind af te draaien, dus naar lij. Een onjuist geballast schip kan vrij veel stuurlast hebben en een hoog boven water uitstekende kop; het lateraalpunt ligt achter het zeilpunt en bij zijwind zal door het gevormde koppel de kop naar lij worden gedraaid. Een zeilvaartuig dat voortdurend de neiging heeft af te vallen, noemt men ook laf (slap) op het roer. Dit kan worden veroorzaakt doordat de mast te ver naar voren is geplaatst, of de kiel te ver naar achteren. Verwant loefgierig. |
| Lijk | De verstevigde randen van het zeil, het boordsel of zoomtouw. Het woord - in het Engels leech - zou zijn overgenomen van het Spaanse liga (band). Het lijk wordt benoemd naar de plaats waar het zich aan het zeil bevindt. Het onder- of bovenlijk is voorzien van kramgaten, waarmee het zeil aan het rondhout wordt bevestigd. Zie ook: kramgaren. Ook wordt bij het zwaarst belaste lijk overlangs wel een touw genaaid, het "lijktouw", om b.v. het voorlijk daarmee door een groef aan de mast te voeren. De krachten worden dan beter verdeeld. Het onderlijk wordt wel "broek" genoemd. Bij een ra-zeil spreekt men bij aan-de-windse koersen ook van een loeflijk. Aan dat lijktouw werd een lijn [boelijn] met een vertakking [spruit] bevestigd, om het zeil in de goede windrichting te houden. Bij de vergelijkbare versteviging van een visnet spreekt men niet over lijk, maar over pees. |
| Lijnbaan | Een tot wel 300 meter lange smalle strook grond (soms een lange loods), waarboven touwstrengen werden uitgehangen, die aan één kant aan een wiel werden bevestigd. Het wiel werd langdurig, meestal door kinderen, rondgedraaid, waardoor een touw of kabel ontstond. Zie takelaar. |
| Lijnolie | Eigenlijk lijnzaadolie. Kijk bij schilderen en temperatuur. |
| Lijzeilen |
Ook wel lichtweerzeilen. Tot eind 19e eeuw werden deze smalle zeilen tijdens perioden van weinig wind bij vierkantgetuigde schepen aan weerszijde van de ra-, mars- en bramzeilen gezet. De lijzeilen werden aan de fokkemast op bakspieren dwars uitgespannen. Het schip was dan "getuigd als de melkmeid". Le Comte ziet de benaming "lijzeil" als een alias, immers: "Men kan nimmer de lijzeilen met nut aan lij voeren, uit hoofde dat de verloren wind uit de marszeils en fok dezelve levendig, killend, of zonder wind zijn". Verwant: bonnet of mooiweerslap. |
| Lijzij | Van de windrichting afgekeerde zijde van het schip. Zie ook: verlijeren. Verwant loefzij. We kennen ook nog de weinig gebruikte term "langswal" voor een wind die evenwijdig aan de wal waait: tegenwind of rugwind (bakstagwind). |
| Heel graag op- of aanmerkingen. |
Op alle materiaal
(layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke
toestemming.
Mocht je ondanks
alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.