|
|
|
|
| Samoreus |
| Scepter | Met name op moderne zeilboten wordt een draadreling toegepast. De scepters (schepters, of Oudnederlands: tarmen) zijn de staanders op het boord, waar aan de bovenzijde en soms halverwege een lijn (de reling) door gespannen wordt. Meestal is dat RVS-draad. De scepters vormen op houten en polyester schepen een bron van zorg. Bij oudere schepen hebben scepters de onhebbelijke gewoonte zich los te werken en lekkage te veroorzaken. De enig juiste remedie: scepters verwijderen - meestal geldt dat dan ook voor puttings en beslag - , de gaten goed schoon maken en schuren en de zaak opnieuw monteren met een goede kit voor afdichting. Bij polyester dekken dient een tegenplaat (backing plate) gebruikt te worden anders kan stress cracking (craquelé) optreden doordat het dek terplekke gaat bewegen. Dit kan ook voorkomen wanneer een te dunne plaat wordt toegepast, of een plaat zonder vulmateriaal tegen een ongelijk gedeelte van het laminaat is aangebracht en daardoor maar op enkele punten draagt. Een veel voorkomde fout (ook bij werven) is dat men onder zo'n plaat weliswaar "putty" heeft gebruikt om uit te vlakken, maar de bouten direct heeft aangedraaid waardoor de nog natte kit er tussen uit is geperst. |
| Schaloos | Heel wat anders dan schadeloos. Een schaloos schip is een zwaar beschadigd schip. |
| Schansloper |
|
| Schavielen | Het doorschuren van touwwerk door het voortdurend ergens langs schuren. Het kan voorkomen worden door een smarting aan te brengen. |
| Scheepsbeschuit | Een
hoofdbestanddeel van de scheepsvoeding vanaf de 16e eeuw was hart broot of kaak,
dit als tegenstelling tot gewoon week brood. Het deeg van tarwe- of roggemeel
werd zonder gist twee maal gebakken tot droge zeer goed houdbare koeken. Dat
scheepsbeschuit leek in niets op het brosse beschuit dat wij nu kennen en was zo hard dat
het door de meeste schepelingen alleen geweekt gegeten kon worden. Door de enorme vraag
van de Oostindische Compagnie, de Westindische Compagnie, de walvisvaarders, de
Oostzeevaarders en alle andere schepen die vanuit Holland vertrokken, ontstond in de 17e
eeuw rond de graanmolens van de Zaanstreek, vooral in Wormer en Jisp, een bloeiende
industrie om deze tweeback in kaaktonnen aan te leveren. Men spreekt dan
in Wormer over tientallen, sommige bronnen over wel 150 beschuitbakkerijen. De
Amsterdamse bakkerijen
op de Anjeliersgracht (Jordaan, toen nog "Het Nieuwe Werck" of
"Jardin" geheten), die de handelsvloot ook van scheepsbeschuit voorzagen, hadden
daar behoorlijke concurrentie van. Vanaf de 19e eeuw werd een onderscheid gemaakt tussen
hard brood (grijs brood), scheepsbeschuit en zeekaak. De marine kende ook nog ziekenbrood,
een fijner soort beschuit [PleC] en in de onderzeedienst voor
korte tijd ook "krimpertjes", een verfijnder en speciaal geprepareerd hard
brood, dat echter geen succes was. Bron o.a.: Historie Wormer- en Jisperveld. |
| Scheepsboot | Scheepsboot is een oude benaming voor een bijboot (volgboot) die bij een groter schip hoort. Zie boot. |
| Scheepsbijgeloof | Het
gebruik om een nieuw schip te dopen stamt af van de oude Grieken, die meenden dat er
magische kracht zat in de naam van een schip. Om de zeegoden gunstig te stemmen en de naam
te bekrachtigen brachten zij een plengoffer voordat het schip te water werd gelaten. Ze
lieten wijn, olie of offerbloed over de boeg vloeien, soms zelfs menselijk bloed. Veel
later werd bij de doop van een schip een fles bloedrode wijn tegen de boeg stukgeslagen en
inmiddels is het ritueel vervangen door het stukslaan van een fles champagne. In de streng
gelovige vissersdorpen doopte men liever met water uit het visgebied, omdat dat "een
boot van werkende menschen betaamt". Toch begon het toekennen van een
scheepsnaam in de Nederlanden pas aan het eind van de 15e eeuw. Tot die tijd duidde men in
het algemeen een vaartuig aan met de naam van de schipper. Tijdens de overdracht van de
werf aan de eigenaar werd er niet gedoopt, maar wel menig glas geheven. De werfbaas sprak
de traditionele zegenwens: "Sinjeuren, daer hebje haer, behouwe vaert
dermee", waarop de eigenaar - eveneens traditioneel - antwoordde: "Zoalst
God belieft". Toen het dopen wel gemeengoed geworden was, werd in het Calvinistische Nederland eeuwenlang tot zelfs het begin van de 20e eeuw door de scheepsbouwers de verzen 21 t/m 30 van psalm 107 uit het Oude Testament voorgelezen: ![]() Zeelui monsteren van oudsher niet graag aan op een schip waarvan de naam is veranderd omdat de magische kracht van deze woorden - en het: "Ik doop u .... en wens u behouden vaart"- bij de oorspronkelijke naam wel eens verdwenen kan zijn. Voor het herdopen werden daarom nogal eens "foefjes" bedacht. "Water van het eerste tij" is er zo een. Tweemaal per dag wordt het eb en vloed. Met het "eerste tij" wordt het eerste wassende water (vloedstroom) van die dag bedoeld, waaraan speciale kracht wordt toegeschreven. Wanneer de oorspronkelijke naam echter zonder doopplechtigheid tot stand was gekomen, was het geen enkel bezwaar het schip van naam te veranderen, mits het alsnog gedoopt werd. Kijk voor het dopen van schepelingen bij goden. Meer (zeemans of vissers) bijgeloof:
|
| Scheepskameel | Houten caissons die tot in de 19e eeuw aan weerszijde van een zeeschip werden geplaatst om het schip over de ondiepte van Pampus te tillen, Zie kameel. |
| Scheepskost | Zie zeemanskost. |
| Scheepsnaam | Om het aanroepen van een schip mogelijk te maken dient het een scheepsnaam of kenspreuk te voeren, welke aan de buitenzijde in lichte letters op een donkere achtergrond (of andersom) is aangebracht [Art. 2.01 BPR]. Vooral in de binnenvaart vinden we traditioneel spreuken en combinatienamen, vaak samengesteld uit de eerste twee letters van kinderen en geliefden. Merkwaardig is dat nog steeds veel Latijnse namen voorkomen, terwijl we mogen aannemen dat de schipper deze oude taal niet spreekt. Het lijkt een vastgeroest overblijfsel uit de kerktaal van de katholieke kerk, maar wordt ook met verve door protestanten en niet gelovigen gebruikt. Dus nog steeds vinden we ook bij nieuwbouw namen als: Quo Vadis, Linquenda, Nulli Cedo, Confide en verzin het maar. De reformatorische en nogal pedante toevoeging "Deo" komt nauwelijks nog voor. Verwant: thuishaven. |
| Scheepspraat | Veel hedendaagse spreekwoorden en gezegden hebben een maritieme oorsprong. Zie uitdrukkingen. |
| Scheepsschroef | Of propeller. Kijk bij schroef. |
| Scheepssier |
Scheepssier of scheepsdecoratie is een steeds
minder voorkomend verschijnsel. De grote zeventiende eeuwse zeeschepen waren
rijkelijk versierd met spiegelpraal, rinkelwerk op hakkeborden en op z'n
minst een scheg- of boegbeeld. Maar ook visserij- en binnenschepen en niet
te vergeten de speeljachten van gegoede burgers werden
verfraaid met een versierde klik,
mastplank of vlaggestokhouder. Uitbundiger was het prins- en/of snijwerk aan helmstok,
bedelbalk en/of kajuitfries. Hier wat voorbeelden: boeier, kajuitfries, knecht, mastplank, mastwortel, oculus, prinswerk, rinkelwerk, schegbeeld, speeljacht. |
| Scheepstypen | Menig scheepstype uit een rijk verleden is te vinden via de introductiepagina "Van oude schepen, onder zeil en op de motor". Voor beschrijvingen en afbeeldingen kan ook rechtstreeks gekozen worden voor "Oude binnenvaartschepen", "Oude zeegaande schepen" of "Oude vissersschepen". Verder zijn er de pagina's "Wat zijn windjammers" en "Van stoomvaart en oude motoren". |
| Scheerhaak | Een scheerhaak was een soort zeis. Hij werd gebruikt om het want van de vijand door te snijden. Maar waarschijnlijk ook als geducht wapen in het gevecht. |
| Scheerhout | Hetzelfde woord met een drietal betekenissen: Het onderdeel van een tuigje of windvaan op de top van de mast van een zeilvaartuig. Het scheerhout (hekkie) draait horizontaal rond een pen en is aan de onderrand voorzien van een aantal gaatjes waarin een wimpel is genaaid. Scheerhoutjes vormden vroeger soms een deel van de mastversiering en hadden dan zeer karakteristieke vormen. Zie hemelboender en mastwortel. Een langwerpig stuk hout met gaten dat dient om lijnen die daar doorheen gestoken worden uiteen te houden. Het geheel wordt wel spinnekop of hanepoot genoemd. Hiermee worden tentzeilen, koelzeilen, e.d. opgehaald en opgehangen. Dergelijke scheerhoutjes waren ook aangebracht aan de boelijns en lijken [gordings] van de zeilen van 16e- en 17e eeuwse schepen. Een horizontale beschermingsbalk van hout of kunststof tegen een steiger of damwand. Zie ook wrijfhout. |
| Scheg | Een scheg is een vin die in de lengteas onder de kielbalk, maar in ieder
geval in het midden van het vlak wordt geplaatst ter bevordering van de koersvastheid. De
scheg komt in vele soorten en maten voor. Alleen aan of onder het voorschip [loefbijter], alleen onder het achterschip, of over de
gehele lengte van het vlak, bij kleine motorboten vaak overlopend in een dooskiel. In het laatste geval zal ook de stabiliteit verbeteren. De oorspronkelijke betekenis was: een
getimmerte, dat voor den voorsteven uitspringt en tot steunpunt strekt voor de waterstags
en de woeling van den boegspriet. Een woeling (Q op het plaatje) is de stijve
touwverbinding tussen een rondhout en de romp. Het bestaat uit dicht naast elkaar liggende
touwwindingen, vaak om de beurt elkaar kruisend rondgelegd. Hieronder de snebbe van een galjoen met diverse benamingen die elders op de site zijn terug te vinden.
|
| Scheldeschouw |
| Schiemannen | Het werken met touw of staaldraad; het maken van
knopen
en splitsen. Als gereedschap wordt een marlpriem, taats
of teers gebruikt. Dat is een puntige ijzeren pen om knopen open te maken en bij
het splitsen de strengen voldoende uit elkaar te halen om een andere streng te kunnen
doorsteken. Een houten of benen versie werd fit, splits- of
splishoorn
genoemd. Tegen het rafelen van een touweind (tamp) wordt met schiemansgaren een takeling of bindsel aangebracht. Bij grof geslagen touw en
staaldraad wordt voorafgaand aan een bindsel of smarting wel getrenst. Het werkwoord schiemannen komt van een niet meer bestaande onderofficiersrang uit de zeiltijd die volgde op die van bootsman. De schieman was belast met het tuig van de fokkemast, de schiemansmaat met dat van de boegspriet, de bootsman met dat van de grote mast en de bootsmansmaat met dat van de bezaansmast. De matrozen die ondergeschikt waren aan de schieman, werden schiemansgasten genoemd. Volgens Winschooten zou het woord eigenlijk schimman moeten luiden en zo veel betekenen als schim of schaduw van de hoogbootsman. |
| Schieting |
Schieting werd in de (vleet)visserij wel gebruikt
als duiding voor pittige golven, brekers, rollers en branding. Bron: Scheveningen-nu. |
| Schietschuit |
| Schilderen en temperatuur | De invloed van de omgevingstemperatuur op schilderwerk. Schilder
nooit beneden 10°C. Dit geldt ook voor 2-componentenverf, hoewel er tegenwoordig
soorten bestaan die onder 10ºC uitharden. Voor terpetine verdunbare verf geldt hoe lager
de temperatuur, hoe taaier de verf. In dat geval moet meer verdunning worden toegevoegd.
Je moet echter beseffen dat daardoor de droogtijd aanzienlijk langer wordt en de laagdikte
dun kan uitvallen. Het is beter om de verf thuis op temperatuur te laten komen en dan zo
snel mogelijk te verwerken. Of je zet het blik verf in een bak lauw water. Als het schip kouder is dan de omgeving, kan de vochtigheid in de lucht condenseren op het te schilderen oppervlak, waardoor de verf niet goed zal hechten en/of mat kan slaan. Vooral 's morgens bij fraai weer en lage temperatuur kan dit bij buiten schilderen een probleem geven. Op grote vlakken krijg je de beste afwerking door met twee personen te werken. Eén brengt de verf met een grote kwast of roller kruislings diagonaal aan, de ander werkt het verticaal af met een verfkussentje of grote ronde kwast (nadassen). Om een goede hechting te krijgen kan je oude verflagen na ontvetten (b.v. thinner, of water met ammoniak) het best schuren met niet te grof schuurpapier. Korrel 220 en eindigen bij korrel 320. Daarna wassen met ruim water en uit zichzelf laten opdrogen. Gebruik altijd een zo groot mogelijke kwast van een goede kwaliteit met afgeschuinde fijne haren. Verkeerde zuinigheid geeft slecht schilderwerk. Gebruik verder ter voorkoming van de gevreesde sinaasappelhuid geen lamsvachtroller, maar een mohair- of schuimroller en strijk of rol niet te lang door. Denk eraan dat twee-componenten verf een schuimroller aantast. Het kan wel, maar dan regelmatig de roller vervangen. Kijk voor de eigenschappen van diverse rollers op de site van Copenhagen Prof. Een twee-componenten verf kan NIET over een één-componenten verf. Althans meestal niet. Bij oude goedhechtende harde verflagen lukt het soms. Je kan het volgens ons forumlid Hans (DT32) testen door een met 2-componentverharder doordrenkte lap een tijdje op de oude verf te leggen. Wanneer er geen blaasvorming of zachtwording ontstaat is het waarschijnlijk mogelijk. Andersom, "gewone" verf over 2-componenten kan wel en is soms zelfs gewenst. Owatrol als toevoeging: Veel mensen zweren bij Owatrol als toevoegmiddel aan verven die met terpentine of olie kunnen worden verdund. Dit roestwerende middel wordt dan tot zo'n 5% aan de aflaklaag toegevoegd, waardoor de verf "soepeler" wordt en een gladder resultaat geeft. Nadeel is dat de droogtijd langer wordt en het risico van stofopname dus vergroot. Owatrol wordt in pure vorm als antiroestmiddel gebruikt. Die toepassing voldoet redelijk, is overigens bepaald geen wondermiddel en niet geschikt voor het onderwaterschip. Lijnolie als toevoeging: Ouderwetse middel uit de "pre-owatrol" periode. Werd m.n. gebruikt als toevoeging aan loodmenie en als conserveringsmiddel voor hout. De uit lijnzaad (de zaden van olievlas) geperste olie bestaat in een rauwe- en een gekookte versie. De rauwe droogt praktisch niet en de niet zuurvrije veroorzaakt zelfs roestvorming. De gekookte is een aantal malen verhit tot 120°, droogt wel en is prima te gebruiken als verftoevoeging. Kwasten gaan een mensenleven mee als je ze in zuurvrije rauwe lijnolie bewaart. Verwant: verfsoorten. Link naar schildertips van scheepsverf.com. |
| Schillen | Om osmose te verwijderen zijn er gespecialiseerde bedrijven die de huid van een polyester schip kunnen "schillen" om de boot van een nieuwe gelcoatlaag te voorzien. Bij diepe osmose biedt dat trouwens geen soelaas. In vroeger tijd werden houten schepen ook "geschild". Het was de methode om een overnaads schip te verbouwen tot een gladboordig. Verscheidene Nederlandse werven hielden zich hiermee bezig. Verwant: dubbelen. |
| Schillingroer |
Een
schillingroer zou je met enige fantasie een verdere ontwikkeling van het
balansroer kunnen noemen. Het roer ziet
eruit als een vis en heeft boven en onder een afsluitende plaat om al het
schroefwater langs het roer te dwingen. Het roer geeft vooral bij langzaam
draaiende schroef sterk verbeterde manoeuvreerbaarheid. Verder
ook effectief bij achteruitvaren. Eigenlijk ideaal voor de pleziervaarder.
Zie ook
scheepspraet en
schillingrudder. Verwant: propulsieroer, draaicirkel , hydraulische besturing, uit koers en vuistregel roerwerking. |
| Schippers maatlat |
Klik hier
voor het omrekenen van Celsius naar Fahrenheit en omgekeerd. En dan nog gewoon leuk om te
weten:
|
| Schoener |
| Schokker |
| Schoot | De lijn(en) aan het
zeil, bevestigd aan de schoothoek, schoothoorn of klaauw (oude
benaming), waarmee de stand wordt geregeld. Een "knik-in-de-schoot" is de
(groot)zeilstand tussen aan-de-wind en halve wind. De schoten zijn hierbij niet helemaal strak
aangehaald, maar iets gevierd. "Schoten laten vliegen" betekent dat een zeil levendig
c.q los wordt gelaten door de schoten te vieren bij een plotselinge windvlaag, ter
voorkoming van losscheuren/verlies van zeilen, of kentering van het schip. Een vierkant
zeil heeft aan de schoothoeken nog twee lijnen die naar voren lopen, de halzen. Met dit
vierspan wordt het zeil in de meest gunstige trekstand vastgezet.
Uitdrukking "schoot gaan" = vertrekken, onder zeil gaan. Verwant: overstag met een zeegaand volschip,
neerhouder of wipschoot,
leiwagen of luiwagen.
|
| Schootwater | Brak water aan de zeemonding van een rivier. Het spoor onvermengd zoet water noemde men een verse schoot. Is ons hedendaags scheut een verbastering van dat schoot ? |
| Schoperen | Het aanbrengen van een zink- of aluminiumlaag op een stalen schip, zo genoemd naar de Zwitserse uitvinder M. Schoop, dus eigenlijk te schrijven als schooperen. Het gloeiende vloeibare metaal wordt met een spuitpistool in een dun laagje aangebracht en zal onmiddellijk stollen in een goed hechtende taaie laag. De allerbeste methode is stralen, direct daarna een grondlaag zink, afgedekt met een iets dikkere laag aluminium. Bij deze (dure) combinatiemethode zal dank zij de galvanische bescherming van de twee metalen zelfs bij beschadiging van de verflaag geen roestvorming optreden. De droom van elke schipper! Verder is het bij een aluminium toplaag niet nodig een etsende primer te gebruiken voor verfhechting; bij zinkschopering wel. |
| Schor | Hedendaagse aanduiding voor buitendijkse aanwas in tijwater, dat bij hoog water, meestal alleen bij springtij, overspoeld wordt. Merkwaardigerwijs had schor vroeger een tegengestelde betekenis. Het was de zeemansterm voor steil of diep. Bij een schorre kust kon niet geankerd worden [PvD]. |
| Schottel |
De Duitse
Schottelwerf Joseph Becker K.G. in Spay a/d Rijn bij Koblenz gaf zijn/haar naam aan de
karakteristieke, oerdegelijke stalen schottel of Duitse schippersboot
met standaard wrikgat en sleepoog. De kenmerkende driehoekige stevenplaat wordt vaak in
een afwijkende kleur geschilderd. Het roeibootje wordt nog steeds gebouwd, maar nu door
een ander bedrijfje aan de Moezel. Bekender is de werf door haar schottelaandrijving, die je het best kan omschrijven als de staart van een buitenboordmotor welke wordt aangedreven door een binnenboordmotor. Er wordt niet gestuurd met een roer, maar met de scheepsschroef, die net als bij de meeste bb-motoren 360 graden (helemaal rond) draaibaar is. Schottelaandrijving, ook wel Z-drive, werd/wordt veel toegepast bij patrouilleboten die daardoor zeer wendbaar zijn. Bij grotere schepen wel twee of meer schottels. Zeegaande werkschepen kunnen zonder te ankeren met vier of meer computergestuurde schottels op hun plaats blijven liggen. Voor pleziervaart een weinig toegepaste aandrijving. Men kiest dan over het algemeen liever voor een saildrive. |
| Schout-bij-nacht | Jongste vlagofficier
bij de marine. Deze toch wel eigenaardige titel kennen we alleen in Nederland en bestaat
sinds 1603. De benaming zou ontstaan zijn uit de opdracht van de scheepsbevelhebber om de
achterhoede van de vloot bij nacht te schouwen. D.w.z. er op toe te zien, dat geen schepen
zouden achterblijven of afdwalen om daarmee de veiligheid van de achterhoede van de vloot
of het smaldeel te waarborgen. Het "Nieuw en Volkomen Woordenboek van Konsten en
Weetenschappen" geeft in 1775 de volgende omschrijving: "Is zoo veel als de
Generaal-Majoor ter Zee, en volgt aan den Vice-Admiraal, voerende wanneer deese en de
Admiraal afweesig is, het bevel over de Vloot; anders commandeert hy daarven een gedeelte,
naamelyk de agterhoede". Bronnen: Marinetermen, NvW. |
| Schouw | De schouw als vissersvaartuig of als boerenvaartuig. |
| Schrikken | Eén van de drie translatiebewegingen van een schip, maar ook het met een ruk/schok verspringen of loskomen van een strak gespannen lijn. Wanneer op een juist belegde meerlijn of tros teveel spanning komt, kan "lucht" of "draad" gegeven worden door voorzichtig een of meerdere tornen af te nemen tot de lijn "schrikt" ook wel bijschrikken. |
| Schroef | Scheepsschroef
berekenen. Een specialisme. Schroefberekening heeft te maken met lengte van de waterlijn, rompvorm, waterverplaatsing, koppel en vermogen van de motor, reductie van de keerkoppeling en ruimte in het schroefraam. Bekende bedrijven zijn o.a. Jooren in Dordrecht en Lips Proptech in Drunen en natuurlijk Kramer in Aalsmeer, die gebruik maakt van het 3D meetsysteem MRI . Forumlid Theo vond een Engelstalig berekeningsprogrammaatje: propeller calculator. Je kunt het gebruiken om een indruk te krijgen. Het bedrijf dekt zich terecht in met: "This program is supplied F.O.C. (free of charge) and without warrantee of any kind either in the program operation or it's results". Verder ook een Engelstalige calculator bij Victoria propeller LTD uit Canada. Scheepsschroef verwijderen. Het verwijderen van de scheepsschroef geeft soms onvoorziene problemen. Als de geborgde moer is verwijderd - dat is vaak al niet gemakkelijk - blijkt dat de schroef met geen mogelijkheid van de as te krijgen is. De truc is de schroef te verwarmen met een (hobby)brander waardoor hij uitzet. Verwarm de schroef rondom de schroefas, niet te lang, want dan wordt de as zelf ook warm en klop met behulp van een blokje hout met een mokertje tegen de schroef. Een moker is beter dan een gewone hamer vanwege zijn gewicht/massa. Natuurlijk niet met grof geweld rammen, maar rondom korte, niet te harde tikken. Als dit (onwaarschijnlijk) geen resultaat geeft, zal een poelie- of schroeftrekker uitkomst moeten bieden. Meestal ontbreekt de ruimte daarvoor en zal je dan eerst het roer moeten verwijderen. Op de afbeelding hieronder is te zien hoe bij de bouw rekening kan worden gehouden met het verwijderen van schroef en as.
Houtschroeftip.
|
| Schroefraam | Het raam waarin de scheepsschroef draait heet schroefraam. De binnen dit raam liggende ruimte noemt men schroefkapel. De schroefkapel bepaalt in hoge mate de grootte van de toegepaste schroef. Een grote driebladsschroef is het meest efficient. Helaas geeft een groot schroefraam bij kleine schepen een ongewenst grote diepgang. Daarom wordt vaak besloten tot het toepassen van een vier- of vijfblads schroef. Het rendement is weliswaar minder, maar de voortstuwing binnen het kleine raam beter. |
| Schuit |
| Schutten | Het schip via een sluis naar een hoger of lager pand verplaatsen. Zie sluizen. Kijk voor een animatie bij zo werkt een sluis, of bedien zelf de rinkets, lichten en deuren in deze Franse sluissimulatie (klik op de afbeelding en daarna dubbelklik op het nl-vlaggetje). |
| Schuurgang | De
beschermings- of stootrand, ook wel schuurlijst rondom het schip
meestal ter hoogte van het dek, of daar net onder, heet
berghout. Sommige schippers vonden het
zonde dat het berghout beschadigd werd. Zij voorzagen het hout van een extra
bescherming door te dubbelen met een schuurgang. Maar wie of wat beschermde dan weer die schuurgang? :-) |
| Schijnbare wind | De wind die je
tijdens varen/zeilen voelt is de schijnbare wind. Het is een combinatie van de
werkelijke wind en de wind die ontstaat door de snelheid van de boot. Als de werkelijke
wind voorlijker dan dwars (aan de wind) inkomt, is de schijnbare wind sterker dan de
werkelijke wind en zal die bovendien meer van voren komen. Als de werkelijke wind
achterlijker dan dwars (bakstag, "a" op het plaatje) inkomt, is de schijnbare
wind zwakker dan de werkelijke wind, maar komt hij nog steeds meer van voren. Alleen pal
voor de wind varend, zijn ze gelijk in richting.
|
| Sectorlicht | De officiele benaming is sectorenlicht. Een vast licht waarvan de lichtcirkel is verdeeld in meerdere sectoren, in elk waarvan het licht in een andere kleur zichtbaar kan zijn (wit, rood, groen) of onzichtbaar is (duister). Sectorkleuren en hun begrenzingen zijn op de zeekaart aangegeven. De kleur waarin men vanaf een vaartuig het licht ziet geeft direct aan in welke sector het vaartuig zich bevindt. Het zien van de kleurverandering op de overgang van de ene sector naar de andere geeft aan dat men zich op de grens van twee sectoren bevindt; de peiling van die grens is op de zeekaart aangegeven [Me6]. |
| Seizing | Ook wel geschreven als sijzing. Benaming voor het touw of platting (band) om de zeilen mee op te binden (aan de ra's te slaan) of een kabelaring aan een ankertouw te bevestigen. Het woord komt tegenwoordig nog voor in lijfseizing (veiligheidslijn). In de visserij is het de benaming voor de eindjes touw die de netten met de speerreep verbinden, het dikke touw met kurken (vloten) dat de netten geleidt. Zie ook knuttel en muizing. |
| Serie schakeling | Accu's
worden in serie geschakeld om 24V te krijgen. Gebruik daarvoor accu's van hetzelfde merk
en capaciteit. Het liefst ook van dezelfde productiedatum. Het voltage van 12V wordt bij
elkaar opgeteld, het vermogen in Ah blijft hetzelfde. In serie schakelen betekent dat de
plus-pool van de ene accu verbonden wordt met de min-pool van de ander. Op de 2 vrije
polen staat nu 24V. Stel twee accu's van 12V 120Ah, resultaat bij serie schakelen: 24V
120Ah. Verwant: parallelschakeling.
|
| Sextant |
Alleen voor
zeevaarders zonder moderne elektronica! Inmiddels ouderwets instrument voor het meten van
de hoogte van een hemellichaam boven de horizon bij de astronomische plaatsbepaling aan
boord van schepen. Het zon(netje)schieten en sterrenschieten. Het
apparaat werkt met een kimspiegel en een verstelbare grote spiegel. Men kijkt door een
lens naar de kim (horizon), waarbij de grote spiegel met een wijzer (alhidade) welke langs
een gradenrand wordt verplaatst, zodanig versteld wordt dat hemelichaam en kim voor het
oog samenvallen. Op de gradenrand is nu de hoek/hoogte van het hemellichaam af te lezen.
|
| Shanty | Een shanty is een
werklied dat aan boord van grote zeilschepen werd gezongen bij eentonig en zwaar werk. Een
matroos die de kunst verstond om à capella luid en ritmisch refreinliederen te zingen,
fungeerde als shantyman. De refreinen werden meegebruld door de rest van de bemanning,
waarbij op het ritme uit volle kracht werd geduwd, getrokken of gelopen; pompliedjes,
haalliedjes of gangspilliedjes. De Engelse taal leende zich hier bijzonder
voor en leverde de meest succesvolle zeemansliederen. Een extra impuls gaven de
Amerikaanse negers, die in grote getale de schepen kwamen bemannen. De haalliedjes werden
onderverdeeld in runaway shanties voor het in de maat lopend aanhalen van de
lijnen, halyard shanties voor de lange forse halen bij het hijsen van de zeilen
en shortdrag shanties met een fel ritme voor de laatste korte korte halen. Op
marineschepen werd gehaald op het tempo van het bootsmansfluitje:
"poelen op de fluit". Shanties gingen over vrouwen, zeemeerminnen,
dubbelzinnigheden, bijgeloof, tragedies, moedige avonturen en zeemansdromen en natuurlijk over
het eten. Vaak verzon de shantyman ter plekke nieuwe coupletten. Het was in
die tijd uit den boze om werkliederen aan wal of in een kroeg te zingen. Dat bracht alleen
maar ongeluk. Bij liederen die na de arbeid werden gezongen, de matrozenliederen,
kon dat wel
en kwartierliederen gaven ook geen bezwaar. Velen van ons zongen dit soort liederen al op de kleuterschool. Wat te denken
van: "Daar was laatst een meisje loos" en wie brulde niet tijdens een
schoolreisje: "What shall we do with the drunken sailor", of bij
de zeeverkenners
Clementientje (Oh my darling Clementine)?
Een lied als "The
good ship Venus" was echter minder geschikt. Hier twee strofen:
|
| Signaalhoorn | Elk schip moet een signaalhoorn aan boord hebben. "Een mechanisch werkende geluidsinstallatie dan wel een geschikte scheepstoeter of hoorn" (art 4.01 BPR), zie luchthoorn. |
| SI-keuring | De scheepvaartinspectie (thans IVW-scheepvaart) voert veiligheidskeuringen uit voor beroepsmatig gebruikte schepen en zeegaande pleziervaartuigen kleiner dan 24 meter. Je zou kunnen zeggen de APK op het water. De voortstuwing (motor) wordt buiten beschouwing gelaten. Kijk voor nadere uitleg op www.ivw.nl. |
| Sintelen |
Bij sommige
overnaads gebouwde schepen, maar vooral bij klinkerbouw
werd het werk in de naden met duizenden platte metalen
plaatjes (sintels) vastgezet. Men maakte de naad eerst zeer wijd, sloeg deze vol werk,
dekte dat af met een moslat en zette deze vast met ovale ijzeren plaatjes met oren, die
zich bij inslaan vastzetten in het hout.
|
| Skûtsje |
| Sleepschip |
| Slemphout | Ook wel doodhout.
De klos hout, of meerdere klossen, in de hoek die wordt gevormd tussen de kiel en voor- of
achtersteven van een houten scheepsromp [voor- en achterslemphout] ter versteviging en
opvulling van de verbinding kiel-stevens. Dient tevens als drager voor steekspanten.
Op ijzeren schepen heeft slemp- of doodhout dezelfde betekenis gehouden, hoewel het woord
hier in het bijzonder betrekking heeft op het scherpe gedeelte van de romp onder de
schroefas, dus het opgevulde gedeelte tussen kiel en schroefsteven. Het werkwoord slempen
betekent heden ten dage "grond met water doordrenken voor een stevige
aansluiting", maar ook brassen in de betekenis van
overdadig eten en drinken. Zie ook binnenvaarttaal. |
| Slepen | Het zal ooit een keer
voorkomen dat je het schip van een pechvogel naar veilige haven wilt slepen. Dat is
lastiger dan je denkt. Het ligt voor de hand daarvoor een achterbolder te nemen en vaak
kan dat ook niet anders. Eigenlijk zou het trekpunt ongeveer midscheeps moeten liggen,
want je roerwerking wordt enorm tegengewerkt door de sleeptros die de achterkant van de
"sleepboot" in rechte lijn wil houden. Echte sleepboten hebben het vastmaakpunt,
de beting, dan ook net achter het
midden. Op smalle vaarwateren kan je het beste twee korte kruislings aangebrachte lijnen
nemen (plaatje 1) of het te slepen schip, mits niet te groot, langszij binden (popoffen) met op ieder schip een lijn
van voor naar achter plus voor en achter een lijn dwarsover (plaatje 2). Uiteraard niet
zuinig zijn met fenders. Op ruim water is echter een enkele lange sleeplijn van minimaal drie scheepslengten de beste oplossing. De sleeplijn wordt vastgemaakt aan een achterbolder, waarna de lijn naar het midden van de spiegel getrokken wordt met een spruit naar de andere bolder (plaatje 3). Zo voorkom je dat de "sleepboot" scheef getrokken wordt. Verder is het op ruw water aan te bevelen in het midden een dreg o.i.d. te bevestigen. De lijn komt dan door het gewicht met een ruime bocht omlaag te hangen en als de gesleepte boot een golf pakt, zal de lijn eerst strak komen te staan, waardoor de ruk aan het dekbeslag gedeeltelijk opgevangen wordt. De slechtere manoeuvreerbaarheid is hier minder belangrijk, maar vraag het gesleepte schip in ieder geval bij een bocht naar de buitenkant te sturen. Denk eraan dat bij het beleggen van de lijn het trekkend deel aan de onderkant van bolder of klamp komt met de slagen kruislings daarboven. Als je het andersom doet is het door de trekkracht onmogelijk de lijn in noodgevallen los te krijgen. Bij grote schepen voert de sleepboot als dagmerk een gele cilinder met zwarte banden en het gesleepte schip (sleepschip) een gele bol, Art 3.9 BPR, maar dit artikel geldt niet voor kleine schepen die slepen of gesleept worden. In het BPR is een klein schip een schip met een lengte van minder dan 20 meter. Een professionele sleepboot van minder dan 20 meter wordt - mits hij een groot schip sleept - daarom beschouwd als een "groot" schip. Als watersporter (minder dan 20 meter) hoef je bij slepen geen tekens te voeren; sterker nog, het mag zelfs niet. Verwant: hulploon.
|
| Slikbak en Slikslee |
| Slingeren | Eén van de drie rotatiebewegingen van een schip. |
| Slip | Omdat de scheepsschroef nu eenmaal niet in een vaste massa draait krijg je bij inschakelen te maken met een uitgestelde reactie van je schip, de slip van de schroef. De duur is per schip verschillend en heeft te maken met het gewicht en vorm van de romp en uiteraard met de grootte, aantal omwentelingen en spoed van de schroef. De slip is omgekeerd evenredig aan het wieleffect. Een kleine sneldraaiende schroef met weinig spoed geeft meer slip dan een grote schroef met veel spoed en weinig omwentelingen. De uitdrukking "op slip liggen" wordt gebruikt om aan te geven dat het schip vaarklaar is, nadat voor- en achterspring zijn losgenomen en het aantal meerkabels tot een minimum is beperkt. Verwant wieleffect, klarenzie. |
| Sloep | Klik op zeevaart en/of visserij. |
| Slof | Was een vrij groot open Rijnschip. |
| Sluiphaven | Een vluchthaven? Nee hoor, het is de oude benaming voor het vooronder van een schip, ook wel zak genoemd. |
| Sluislicht | De doorgang van een schutsluis of beweegbare brug
wordt geregeld met rode en groene lichten. De lichten kunnen aan bakboord, stuurboord of beide zijden staan. Het kan gebeuren dat de sluisdeur opengaat zonder dat er een schip uitkomt of reeds openstaat met het licht toch op rood. Vaar niet naar binnen. Rood betekent altijd "invaart verboden". Het kan best zijn dat de sluismeester vergeten is het licht op groen te zetten, maar het kan ook zijn dat er een andere reden is. In zo'n geval is een aandachtsein of marifooncontact de enige juiste weg. In bedrijf
Buiten bedrijf
|
| Sluitingen | Sluitingen, sluitings of leuvers, om touwen, staaldraad of ketting ergens aan te bevestigen zijn er in vele soorten en modellen. De meest gangbare soorten met hun benaming zijn hier te vinden. |
| Sluizen | Het
passeren van schutsluizen geeft nogal eens moeilijkheden en frustraties. Krachttermen
(achteruitbidden) tekenen een slechte schipper. Stuur- en aanlegfouten maak je zelf, geef
nooit een ander de schuld. Zorg dat fenders aan beide zijden uithangen en de meerlijnen die gebruikt gaan worden opgeschoten (in lussen) klaar liggen. Gebruik daarvoor lijnen waarbij aan één zijde een groot oog gesplitst is (paaloog). Als je moet wachten vaar dan zo ver mogelijk aan de wachtsteiger naar voren. Volgens artikel 6.28 van het BPR moet de sluis in volgorde van aankomst worden ingevaren. Als je ergens halfweg aan de steiger ligt vraag je erom dat een andere schipper uit frustratie niet alleen voor je gaat liggen, maar ook eerder naar binnen vaart. Bij erg drukke sluizen is het echter verstandig dat de eerste twee tot drie schepen naast elkaar afmeren, daarachter de volgende enz. Doe je dat niet en de wachtsteiger ligt vol, dan zal het laatst aangekomen schip langszij het voorste schip gaan liggen en (als de schipper het niet netjes doet) als eerste of tweede worden geschut. Vaar in de sluis ook zo ver mogelijk naar voren tenzij de sluismeester anders aangeeft en sluit goed aan op het voor je liggende schip. Vaar de sluis - zeker als een sluisbrug open staat - in een vlot tempo binnen. Als de sluismeester niet aangeeft aan welke zijde je moet gaan liggen kies dan als volgt: Heeft je boot een rechtsdraaiende schroef, neem dan bakboordzijde en bij een linksdraaiende schroef stuurboordzijde. Je maakt dan gebruik van het wieleffect van je schroef. Zie ook afmeren. Staat er veel wind dwars op de sluis, kies dan, zeker bij opschutten, de zijde waar de wind vandaan komt. Het wegvaren van hogerwal is straks een stuk gemakkelijker.
|
| Slijter | Ja hoor..., wie zal niet weten wat een slijter is. In scheepstaal is het echter ook de benaming voor een schip dat rijp is voor de sloop (verzuipschuit), of de aanduiding voor een scheepssloperij. |
| Smak |
| Smaldeel | Smaldeel is een nog niet zo oude (eigenlijk pas in gebruik na WO-II) en typisch Nederlandse benaming voor een gedeelte van de oorlogsvloot ook wel aangeduid als "eskader" in omvang varierend van 3 tot niet meer dan 10 schepen. De betekenis is "onderdeel of gedeelte van" en wordt zowaar ook gebruikt bij de luchtmacht. Zo is er b.v. sprake van een "smaldeel vliegopleidingen" of een "smaldeel helikopters". In NAVO verband spreekt men over "task forces". De luchtmacht kent meer benamingen uit de scheepvaart. Het vakjargon "kist" komt ook uit de scheepvaart. Het is gewoon een ander woord voor schip. (waar gaat die kist naartoe?) [TvhW]. Verwant: flottielje. |
| Smarten | Om schavielen van touw tegen te gaan kan de bedreigde plek omwikkeld worden met repen (zeil)doek, een stuk opengesneden slang of ander stevig materiaal: de smarting. Oude benaming: slabbing of schurftplatting. Bij het omwikkelen met een reep doek dient rekening gehouden te worden met afwateren. De slagen worden overlappend "naar de hemel toe" gelegd. Bij dikker touw is vooraf trenzen noodzakelijk. Ook werd als bescherming wel gebruik gemaakt van een koker van bamboe, hout of ijzer en tegenwoordig van kunststof slang. Zo'n (half)ronde koker heet een schotsman. |
| Smeerreep |
Het eind waarmee je bij het zetten van een rif, de rifleuvers/reefkousen in het voor- en achterlijk al dan niet door een klaploper naar de giek toehaalt. De smeerreep wordt voor de zekerheid vaak nog geborgd met een steekbout of bindsel tegen onverwacht breken of losraken. Uit de handleiding tot scheepsbesturing van J. Franch uit 1825: "Men steekt op de nokken van de onder raa's aan iedere zijde een staartblok, door dit blok vaart een rif schenkel, zijnde met het eende einde in de leuver van het onderste rif ingebonden, en in het andere einde is eene kous gesplitst, men neemt de klaplooper, haakt het eene blok aan het ezelshoofd, en het andere in de kous van de rifschenkels, men geit het zeil en haalt de rifschenkel voor, en ook de buikgordings, dan entert het volk uit, en reeft even als bij een marszeil, eerst den steekbout te loefwaart, dan aan lij, dan het rif met kleine broekings opgenomen, en de rifsijzings met platte knoopen vastgeknoopt, zorgdragende, dat de marszeils schoten niet ingeknoopt worden". |
| Snars (Beer) |
Ook wel snoes, beer, jut of dovejut. De
"beer" gaf visserschepen als b.v. schokker, bons of hengst een markant
vooraanzicht en werd dan veelal gebruikt als geleider voor de reep van het
vistuig. Tegenwoordig gewoon
boegrol of ankerrol genoemd. Het is de constructie, die bestaat uit twee zijplaten met
daartussen een rol, waarover de ankertros of ketting loopt. Een moderne snars kan zelfs kantelen.
|
| Snauw |
| Snelheid | Een toerenteller is met behoorlijke nauwkeurigheid als snelheidsmeter te gebruiken Zie kilometerraai. |
| Snelle motorboot |
Het BPR kent voor
"snel" twee begrippen. Een snel schip en een snelle motorboot.
Een snel schip is groot motorschip, dat met een snelheid van meer dan 40 km per uur ten
opzichte van het water KAN varen. Een snelle motorboot is een klein schip
dat, bij gebruikmaking van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, sneller dan 20 km
per uur ten opzichte van het water KAN varen. Het begrip is dus niet
gerelateerd aan het vermogen van de motor en ook niet aan het feit of daadwerkelijk met
die snelheid wordt gevaren. Een kleine opblaasboot zal b.v. met 4,5 kw (6 pk) al harder
dan 20km kunnen varen; een grotere boot heeft daar veel meer voor nodig. Bij de ANWB,
afdeling watersport 070-3145020 is de brochure "Snel motorbootvaren in
Nederland" te verkrijgen. In deze informatie is een overzicht opgenomen van de
wateren waar het varen met onbeperkte snelheid en waterskiën is toegestaan en onder welke
voorwaarden. Zie ook de folder Regels en vaargebieden voor snelle motorboten van Rijkswaterstaat. Praktijkles in een snelle motorboot bij o.a. Vaarschool Muste in Diemen. Voor hellingen per plaats of vaarweg zie: Trailerhellingen. Zie ook het trefwoord plané. De volgende algemene regels zijn van kracht:
|
| Snik |
| Snurrevaad | Snurrevaad is een Deense benaming voor een moderne vorm van grond-ankerzegenvisserij. Bij Nederlandse vissers beter bekend als snurrevisserij of "snorren". Het is een vismethode waarbij twee lange zegentouwen aan een "puntzaknet" (lijnen van 3 km lang) in een groot vierkant op de zeebodem worden uitgelegd. De methode kan alleen overdag gebruikt worden bij een vlakke bodem en goed zicht. De vis die de lijn ziet liggen zal deze vreemd genoeg niet oversteken en binnen het vierkant blijven. Wanneer de lijnen nu door het voor anker liggend schip langzaam worden binnengehaald wordt het vierkant steeds kleiner, waarbij de vis uiteindelijk onbeschadigd in het net terecht komt dat zich binnen het vierkant bevindt. Verwant: flyshooter, jiggen, pulsvisserij. |
| Somp |
| Sopers | P.J.V.M. Sopers was een bewonderaar van de oude Nederlandse scheepsbouw. Hij heeft zich in zijn tijd door veel speurwerk en interviews op de hoogte gesteld van verdwijnende binnenschepen. Hij maakte naast zorgvuldige beschrijvingen ook foto's, opmetingen en tekeningen. Helaas was bij zijn overlijden in 1941 nog niets gepubliceerd. De aantekeningen werden door H.C.A. van Kampen bewerkt en uitgegeven onder de naam "Schepen die verdwijnen". Inmiddels behoort dit tot de standaardwerken over onze scheepvaarthistorie en wordt regelmatig geciteerd. |
| Sorglijn | Oude benaming voor de borglijn van een aangehangen roer, ook wel roerstrop. Bij grote schepen werden wel talies toegepast en heetten dan stoottalies. |
| Spannings verlies |
Op de site van het Ms Sunshine is een handige applicatie te vinden om de juiste kabeldikte te berekenen. Kies in het menu voor "kabeldikte". Na invullen van de gevraagde gegevens is merkwaardigerwijs geen klik beschikbaar. Het laatste (derde) veld moet beantwoord worden met <enter>. |
| Spanten | Het geraamte van een vaartuig. Bij houtbouw werd dat op twee manieren toegepast. Bij overnaadse bouw werden de spanten in de romp geplaatst nadat de huid gevormd was. Bij karveelbouw (gladboordig) werden eerst de spanten opgericht, waartegen naderhand de huid werd aangebracht. Bij grotere schepen konden de spanten niet uit een stuk gezaagd worden. Vanaf de bodem sprak men over een buikstuk, twee sitters en twee oplangen. Het grootspant is het voornaamste en breedste spant dat de wijdte of de breedte van het schip aangeeft en meestal ook de holte of diepte. De langsscheepse verbindingen heten strooklatten of senten. De dwarsscheepse balken waar de dekplanken op rusten heten zwalpen. |
| Spantenbier | Spantenbier is te vergelijken met het ritueel van pannenbier in de huizenbouw. Bij houten schepen begon de bouw met het leggen van de kielbalk. Daar werd dan eerst het grootspant op gesteld. Het stellen ervan was een uiterst nauwkeurige zaak, dat onder persoonlijk toezicht van de werfbaas plaats vond en door de beste vaklui werd uitgevoerd. Een kleine afwijking zou het schip scheluw en dus ongemanierd kunnen maken. Dat hierbij niet op 't oog gewerkt werd maar met winkelhaken van geweldige omvang is dan ook duidelijk. Stond het grootspant eenmaal, dan was er spantenbier en wapperde de vlag op de inmiddels ook aangebrachte scheg. Bij de aanbesteding werd er rekenig mee gehouden, want we vinden in een oud bestek o.m. "[...] en nog 3 Halv-vaten beste Bier tot een Drink-gelag". |
| Speeljacht |
| Spiegel | Platte achterkant van een schip, ook wel bord of achterbord. De naam is vroeger ontstaan doordat dit gedeelte met glasruiten bezet en met lijstwerk opgesierd, op een afstand volkomen de gedaante ener grooten spiegel vertoonde. Positieve spiegel: spiegel die naar het wateroppervlak naar binnen loopt. Negatieve spiegel: spiegel die naar het wateroppervlak naar buiten loopt. |
Spinnaker![]() |
Waar de jager
of vlieger als voorste zeil bij een voor-de-windse koers op de boegspriet van
b.v. een schoener wordt bijgezet voor meer stuwkracht, wordt een spinnaker bij
moderne zeiljachten als voorste zeil bijgezet. De naam zou afkomstig zijn van het Engelse
jacht "Sphinx", waarop dit type zeil voor het eerst werd gebruikt.
"Sphinxer" werd verbasterd tot spinnaker. Het is een groot, bol gesneden,
driehoekig zeil dat met behulp van een spinnakerboom vliegend wordt gevoerd aan
de zijde waar het grootzeil niet staat. (te loevert) Er zijn vele vormen en soorten, die
door de manier waarop ze gesneden zijn verschillen in bolling, breedte en hoogte. Het
zeilen onder spinnaker vergt ervaring. Doordat het zeilpunt zich sterk naar voren
verplaatst, is de kans op uit het roer lopen, of een Chinese gijp behoorlijk groot. De spinnakerboom [spi-boom] is
het rondhout waarmee de spinnaker wordt uitgehouden, waarbij het ene uiteinde tegen de
mast, en het andere in de halshoek [onderhoek] van de spinnaker steunt. Als
lengte wordt meestal de afstand mast - boeg, of mast - onderzijde voorstag aangehouden.
Het rondhout waarmee op dezelfde wijze een fok wordt uitgehouden heet fokkeloet. |
| Spits |
| Spitsgat |
|
| Splitsen |
|
| Spoed | Hoek waaronder de
bladen van een scheepsschroef zijn geplaatst. De spoed
wordt uitgedrukt in de theoretische afstand die een schoef in een vaste massa (zonder slip
dus) bij één omwenteling voorwaarts zou bewegen. Door de spoed bij een gespecialiseerd
bedrijf te laten vergroten of verkleinen wordt de weerstand en dus het stuwvermogen in het
water beïnvloed. Het achteruit gestuwd schroefwater zorgt tevens voor druk op het roer,
waardoor ons schip bestuurbaar blijft. Als je mazzel hebt staan diameter en spoed op de schroef ingeslagen. Voorbeeld: R 17/15 betekent Rechtsdraaiende schroef met een diameter van 17- en een spoed van 15 duim. Dit betekent dat indien de schroef één omwenteling in een vaste massa zou maken, hij 15 x 2,54cm = 38,1cm vooruit zou gaan... Voor watersportverenigingen zou het interessant kunnen zijn een spoedmeter aan te schaffen. Zo'n apparaatje is voor rond 200 euro verkrijgbaar. Een ander begrip is de rake (schuinte). Het is de graad van achteroverhellen van de schroefbladen, welke mede bepalend is voor het verminderen van schroefgeluid. Het beste rendement van een schroef wordt overigens verkregen met een zo groot mogelijke diameter en spoed, gepaard aan een laag toerental. Helaas is dit zelden te realiseren, het blijft dus schipperen. Verwant: slip, klapschroef. |
| Sportboot |
Sportboot? Geen idee... Het RTL programma jotvizjun (YachtVision) geeft echter uitkomst. Je weet wel, het tenenkrommende programma dat altijd weer bedrijven de gelegenheid geeft hun peperdure sloepjes met gebogen vlaggenstok te presenteren. Een sportboot is een bootje met veel power dat heel hard vaart en heel veel golven veroorzaakt. Da's sport! In de jaren dat het programma bestaat hoor ik pas vanaf 2007 (mondjesmaat) dat voor snelle motorboten een vaarbewijs nodig is, maar het feit dat er nauwelijks gebieden zijn waar snelvaren is toegestaan wordt achterwege gelaten. De branchevereniging Hiswa heeft over het begrip "watersport" overigens dezelfde visie. Zie foto. Verwant: watersport? |
| Sportvisser |
Sportvisser is natuurlijk een verkeerd woord, tenzij je het vangen van
dieren met een weerhaak door de bek om daarna gewond terug te zetten
SPORT noemt. Sportvisserij en pleziervaart klikt niet altijd. Schippers ergeren zich aan de enorm lange hengels. Soms vraag je je af, of de visser niet beter met een kort hengeltje aan de overkant kan gaan zitten. Vissers ergeren zich aan de pleziervaarder die met ongewijzigde snelheid langs en niet zelden over zijn tuig vaart. Daarom de volgende tips: Schipper: Matig je snelheid en passeer (indien mogelijk) met een ruime bocht. Het hoeft niet, maar de sportvisser zal je dankbaar zijn. Sportvisser: Haal de hengel even op en zorg er voor dat je goed zichtbaar bent want de schipper ziet je meestal niet, terwijl ook de hengel geheel wegvalt in de achtergrond. Dat geldt vooral voor oevers met hoog opgaande begroeiing. Situatie 1: juni 2002, het vaarwater Hoge Vaart
in Flevoland. We varen van Zuid naar Noord. Nabij de afslag van de Larservaart zie ik
duidelijk zichtbaar een aantal sportvissers. Ik rminder vaart en ga er met
een ruime bocht omheen. Omdat het motorgeluid vrijwel wegvalt zien de
sportvissers me pas tijdens voorbijvaren. Ik krijg een opgestoken duim. Situatie 4: november 2011, de Waal. De waterpolitie heeft vijf amateurvissers in roeibootjes bekeurd omdat ze in potdichte mist een visstekje zochten. Een duwstel kon één van de bootjes ternauwernood ontwijken [Schuttevaer nov. 2011]. Kan het nog dommer en gevaarlijker? Aansprakelijkheid: Schade aan vistuig op vaarwater is vrijwel altijd voor rekening van de hengelaar en schade veroorzaakt door een in de schroef vastgelopen vissnoer kan door de schipper geclaimd worden. Zeker wanneer de hengelaar geen voorzorgen heeft genomen om schade te voorkomen (goed zichtbaar en hengel ophalen). Denk verder aan ondiep water waar het schip niet goed kan uitwijken en aan druk bevaren water zoals Margrietkanaal of Winschoterdiep, waar kleine boten de walkant zullen en moeten aanhouden. |
| Sprenkel | De Van Dale spreekt naast andere betekenissen over "een lus van een ankertros om een prop van een rijzen zink- of kraagstuk, om de tros na het zinken weer te kunnen aflichten". In de zeilvaart is een sprenkel een rondhout of ander hulpstuk op of bij het draaipunt van een strijkbare mast om bij het maststijken of -hijsen voldoende spreiding te houden tussen voorstag en mast. |
| Spriettuig |
Een tuigage waarbij het zeil dat met rakbanden aan de mast is verbonden, bij de tophoek wordt uitgehouden door een schuin rechtopstaand rondhout, de spriet of boom, die vanaf de mastvoet omhoog loopt. Omdat de spriet over de gehele lengte schuin omhoog langs het zeil loopt, staat het zeil slechts over één boeg goed. Over de andere boeg zal de spriet de bolling van het zeil tegenhouden. Het spriettuig was dus onhandig om mee te zeilen, want het zeil moest bij laveren over de spriet gezet worden. Het spriettuig schijnt evenals het driehoekige latijnzeil van Phoenicise of vroeg Griekse oorsprong te zijn. Het was een klein zeil aan de voormast dat gebruikt werd om het schip beter onder controle te krijgen. Geleidelijk aan - zoals blijkt uit afbeeldingen - begon die korte voormast meer en meer voorover te hellen en daaruit zou best de boegspriet kunnen zijn ontstaan. (Hendrik Willem van Loon). Een gaffeltuig, waarbij het zeil aan de bovenzijde (bovenlijk) aan een rondhout, de gaffel, is gehangen kent dit bezwaar niet. Het sprietzeil wordt bediend door een schoot en twee gaarden of geerden. Het zijn de zijdelingse lijnen vanaf de nok van de spriet. Tot ver in de 19e eeuw voerden vrijwel alle kleinere vaartuigen nog een spriettuig. De Hoogaars van de garnalenvissers uit Arnemuiden zelfs tot in de 20e eeuw, maar nadat er in 1924 velen in een zware storm vergingen werd sindsdien het veiliger gaffeltuig gevoerd. |
| Spring | Lijn die vanaf het voorschip naar achter (voorspring) en/of vanaf het achterschip naar voor (achterspring) op de wal of ander schip wordt uitgezet. Het "rijden" langs kade of ander schip wordt hiermee voorkomen. Bij druk bevaren water is het verstandig een lange spring te gebruiken. Een voorspring kan bij wegvaren (ontmeren) ook gebruikt worden als hulpmiddel om de achterzijde van het schip gemakkelijker van lagerwal te krijgen om daarna achterwaarts weg te varen. In dat geval spreekt men over een steekeind. De methode wordt bij hogerwal tijdens meren gebruikt om het achterschip bij de wal te krijgen. |
| Springvloed | Zie getijwater. |
| Spruit | Een vertakking (splitsing) in twee of meer delen van een ketting of lijn. Het woord wordt ook gebruikt om een eind touw of staaldraad, waarvan beide einden zijn belegd, mee te duiden. Zie ook magerman. |
| Spudpaal | Een spudpaal is een
paal of dikwandige buis die bij werkschepen gebruikt wordt om op de werkplek stevig
verankerd stil te kunnen liggen. De palen, meestal één op het voorschip en één op het achterschip steken
als masten boven het dek uit en kunnen op de werkplek door het dek (soms in vrije val)
naar beneden gelaten worden, zodat het schip stevig vast komt te liggen. Dit heeft weinig
met watersport te maken zul je zeggen, ware het niet dat Hollandia Spudpalen telescopische spudpalen voor de pleziervaart
levert. Je kan gewoon vanuit de stuurstoel met een simpele druk op de knop
binnen luttele seconden volautomatisch afmeren. De spudpalen zijn ontworpen in
samenwerking met TNO en DSM en kunnen ook op bestaande schepen vanaf 10 meter worden
ingebouwd. Bovendeks zijn ze onzichtbaar en benedendeks worden ze netjes weggewerkt in een
kast of ombouw. Denk er wel aan dat "spudden" hetzelfde is als ankeren. Op
plaatsen waar een ankerverbod geldt mag ook niet gespud worden. |
| Spuigat | Een gat in de verschansing, dek of waterloopklos voor de afvoer van regen- en buiswater. Ook als spijgat of spiegat. Verwant: Het loopt de spuigaten uit. |
| Squat | Squat is het effect
waarbij een vaartlopend schip inzinkt of vertrimt in
smal en/of ondiep vaarwater. Deze UKC (Under Keel Clearance) verhoudt zich
kwadratisch met de vaart door het water en is een typisch verschijnsel van grote,
snelvarende schepen zoals passagiers- en containerschepen, maar ook pleziervaarders
ervaren het in ondiepe slootjes: Een varend schip verplaatst het water dat voor zijn boeg in de weg zit, naar achter zijn hek. Dus ontstaat er omstroming van de scheepsromp. Deels onderlangs, deels langs de boorden. Volgens één van de hydrodynamische wetten betekent stroming ook drukverlaging. En drukverlaging betekent waterspiegelverlaging. Oftewel, de druk rondom en onder een varend schip neemt (wat) af; en meer naarmate de snelheid hoger is. En de waterspiegel daalt. Het schip vaart eigenlijk in iets wat op een inslagkrater lijkt: Buitenom een ring van een verhoogde waterspiegel, gevolg van de drukverhoring door de botsing van het varende schip met het stilstaande water, maar daarbinnen een (extra) verlaagde waterspiegel door het snelle omstromen! En uiteraard zakt het schip mee omlaag, zonder dat het dieper komt te liggen! Dat is squat. In ondiep water moet zich (per seconde) eenzelfde hoeveelheid omstromend water door de nauwere ruimte tussen zee- en scheepsbodem (en -boorden) persen, moet dus sneller stromen, veroorzaakt dus sterkere water-botsingen dus grotere druk-fluctuaties, rondom het schip meer drukverlaging, waardoor het schip dus (duidelijk) ook meer zal zakken! Dàt kan zelfs zo veel worden dat het schip zich op de bodem vastzuigt, en (bijna) tot stilstand komt! Vervelend als het zandgrond is, zoals hier, maar levensgevaarlijk (voor schip en alles en iedereen aan boord) als er toevalling een rotspuntje net boven het zand uisteekt..... Zo heeft de Queen Elisabeth II in 1992 door een squat van ca. 2 meter, zware bodemschade opgelopen bij Cuttyhunk Island, terwijl men volgens de zeekaart en rekening houdend met een squat van 60 cm voldoende water onder de kiel had. Maar... het schip voer op dat moment 24 knopen (ruim 44km/u). Gelukkig scheurde de rotspunt net niet door de binnenbodem, anders was het schip onherroepelijk "een paar meter....." gezonken! Ziehier ook de oorzaak van aanvaringen van twee schepen die elkaar bij het inhalen te dicht naderen. Ook dan begint het tussen beide rompen extra hard te stromen, en dus te zuigen! En dan is er op een gegeven moment geen tegensturen meer aan. Die zuigkracht is (veel) groter dan de kracht die het roer kan opwekken....! En grappig (...): ook aan boord denkt men vaak dat door extra gas te geven de zaak te redden is. Ja, heel even wordt de roerwerking inderdaad beter, maar al gauw neemt het effect van de snelheidsvergroting over, en wordt de zuiging nòg groter! Verwant: oplopen, hekgolf. Bron: AAdC. |
| Staandemast | Alles over de staandemast route op www.staandemast.nl. |
| Staatsie |
Of statie. Staatsie heeft met praal of plechtig te maken en geeft in het woordenboek als verklaring "sierstuk achter aan het bovenboord van schepen" We mogen dus aannemen dat het gebruik van statie (halte, station) verkeerd is. Staatsie in de binnenvaart is de constructie waarbij het boeisel grotendeels naar achteren en naar boven strookt, waarbij de onderzijden over de hekbalk lopen en de bovenzijden elkaar midscheeps raken, waardoor een driehoekige opening ontstaat, het staats- of hennegat, waar doorheen de helmstok binnenboord komt. Een staatsietjalk wordt ook wel hektjalk genoemd. Een staatsiepaviljoen had zowel een staatsie als een verhoogd achterdek. Een schip zonder hek of staatsie werd wel een draai-over-boord genoemd omdat het helmhout bij een grote roeruitslag tot helemaal buitenboord geduwd kon worden. |
| Staatsietrap |
In de zeevaart vinden we staatsie terug in staatsietrap. Het is de langszij hangende en opgetuigde houten of metalen trap waarlangs men het schip min of meer comfortabel kan betreden of verlaten. De trap is scharnierend verbonden aan een boven- en onderbordes en voorzien van minstens één leuning. De trap en onderbordes worden uitgevierd door een trapdavit. De naam valreep wordt ook gebruikt, maar is evenals statie met één a eigenlijk onjuist. De valreep is een klimladder van beugels of klampen, die aan de scheepshuid is bevestigd en oorspronkelijk niet meer dan een afhangend (val) touw (reep) met knopen was. Maar.... Er zijn ook publicaties die de staatsietrap aan stuurboord duiden en de valreep(trap) aan bakboord. |
Stafsteven![]() |
Een stafsteven, ook wel
staafsteven, bestaat uit een dikke stalen strip, haaks op de voorsteven, waartegen de
gangen van de boeg geklonken werden en zo een karakteristieke voorsteven
vormt. Verwarring met een stevenbalk is snel gemaakt. De "stafconstructie"
is soms zo zwaar uitgevoerd dat het aan een stevenbalk doet denken. Die zal
echter breder zijn en geen kopse kanten (vooruitstekende strip met aangeklonken platen) hebben. Wanneer de boegplaten opgesloten werden door een rondgezette plaat sprak men over een plaatsteven, maar die benaming werd ook wel gebruikt voor een lichte (lees plattere) stevenbalk. Verder was er nog de doossteven, volgens BVT een holle immitatie van een stevenbalk, die mogelijk voor het zicht, of als aanvaringsbuffer, tegen de stevenplaat of andere samenvoeging van de plaatvlakken was gezet. |
| Stag |
Onderdeel van het staand want. De (staal)kabels die masten en stengen in langsscheepse richting ondersteunen. Stagen worden strak gespannen en een daaraan gehangen zeil heet stagzeil of lul (ik kan er ook niets aan doen). Zie ook pardoen. Op een langsscheeps getuigd schip met een lange mast wordt ter ondersteuning van de masttop wel een diamantverstaging toegepast. Zo'n mast heeft twee korte diamantzalingen die met elkaar een hoek van 90 tot 120° naar voren maken. Het voorstag is onder de zaling bevestigd; de diamantstagen lopen vanaf de masttop over de uiteinden van de zalingen naar beneden. |
| Stakelen | Het laten ontbranden van een stakellicht, meestal een handstakellicht, een in de hand gehouden toorts (staak) met een helder pyrotechnisch licht. Het wordt gebruikt als noodsein (rood of wit) en vroeger om een loods (blauw licht) te vragen. Ook vissersschepen gebruikten stakellicht om de aandacht van naderende schepen te trekken wanneer gevaar dreigde voor hun vistuig of voor een aanvaring. Aanwijzingen voor het gebruik staan in de BVA (Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op zee). Het BPR (BinnenvaartPolitieReglement) kent het stakellicht niet. Wel spreekt art 3.30 (noodtekens) over "vuurpijlen", het z.g.n. ernstvuurwerk. |
| Stampen | Voorwaarts rollen van het schip (pitching) doordat het tegen de golven in vaart, ook wel paaltje(s) pikken genoemd. Daarbij kan een spanning in het langsverband of voorschip ontstaan die "hijgen" of "hijgspanning" genoemd wordt. Stampen is één van de drie rotatiebewegingen. |
| Standpijp | Standpijpen zijn vaste huiddoorvoeren in het vlak (de bodem) van het schip voor aanzuiging van buitenwater voor koel- en/of dekwaspomp. Om veilgheidsredenen moet een standpijp het liefst tot boven de waterlijn reiken, het punt waar de aanzuigleiding wordt aangesloten. In de pleziervaart worden ook wel kortere standpijpen onder de waterlijn gebruikt. Bij dit minder veilige systeem is een afsluiter noodzakelijk. In het verleden werden standpijpen ook gebruikt voor afvoer van toilet en gootsteen. Het is echter niet meer toegestaan op buitenwater te lozen. Een andere fraaie toepassing op kleinere boten is de afvoer van buis- en hemelwater. Op het laagste punt van het gangboord wordt een pijp met behoorlijke diameter aangebracht die door het schip naar het vlak (of de kim) loopt en zo een open verbinding vormt. Hiemee wordt voorkomen dat water via spuigaten langs de romp loopt en lelijke strepen veroorzaakt. Bij een zelflozende kuip met hoge vloer kunnen afhankelijk van de constructie ook standpijpen zijn toegepast. |
| Statenjacht |
| Staverse jol |
| Steekeind | Zie spring. |
| Steigerschuit |
| Steilsteven |
| Steken | Het gebruik van knopen
en steken, zie knopen, maar in scheepvaarttaal nog veel
meer:
|
| Steng |
De verlengstukken van
een mast heten steng. De eerste verlenging marssteng, de tweede bramsteng.
De verbindingssteun tussen mast en steng of volgende steng heet
ezelshoofd,
een constructie die rond 1570 door Wouter Krijnsz uit Enkhuizen werd uitgevonden. De
achterwaartse en zijdelingse verstagingen van een steng heten pardoen. De gaten in de top van een steng waar
de draairepen van de ra's door lopen heten homber- of
humbergaten, ook wel tuingaten [NW]. De vierkante
enigszins tapse bovenkant van een mast of marssteng waarover het ezelshoofd past heet
dobbelsteen. De zware hardhouten of ijzeren pen, waarmee de steng rust op
onderliggende langszaling heet slothout. Het slothout wordt in het
slothoutgat van de hiel van de steng gestoken. Met de toepassing van het ezelshoofd konden stengen geheel of gedeeltelijk geschoten worden, d.w.z. de steng kon in een lagere stand door het ezelshoofd zakken. Stengen bestonden vóór die tijd ook al, maar konden niet geschoten worden en werden mogelijk ook niet zo genoemd, want in een geschrift uit 1497 wordt bij de grote mast gesproken over een groottopmast met daarboven een topmast. Later werd dat resp. grootmarssteng en grootbramsteng. Zie ook paalmast en windjammers. |
| Sterren schieten | Of sterbestek. Het
met behulp van een sextant bepalen van de hoek, die hemellichamen
op een bepaald tijdstip met de kim maken. Men doet een
hoogtemeting van twee of meer sterren en/of planeten. Een goede waarnemer maakt vier
hoogtemetingen bij heldere hemel. De hoogtelijnen zullen elkaar ongeveer in één punt
snijden. Dit punt benadert de ware plaats van het schip op de gemiddelde tijd tussen de
waarnemingen. Omdat sterren en horizon (kim) tegelijkertijd zichtbaar moeten zijn, zal het
sterrenschieten rond de schemering moeten plaatsvinden. Een veel betere methode dan b.v.
het zonsbestek met een jacobsstaf, octant of kwadrant van
Hadley.
|
| Stevelen | Een sleepschip kon zonder mechanische aandrijving en zonder sleepboot de rivier afzakken of stevelen. De helling van de rivierbodem gaf het schip tengevolge van de zwaartekracht vaart en geholpen door gunstige weersomstandigheden, een bakstagwindje en een zonnetent als zeiltje, kon gestuurd worden. Sommige schippers noemden het hekelen. Wanneer men op deze manier de Rijn of de Waal kwam afzetten was vergevorderde stuurmanskunst wel aan te bevelen. Soms gebruikte men een drijfanker of andere middelen om niet dwars in de stroom te komen. Het omgekeerde heette slijkeren. Het bij zachte wind voor de wind stroomopwaarts varen, waarbij een grote breefok werd gezet. Ondenkbaar en inmiddels verboden bij het huidige scheepvaartverkeer. |
| Stevenbalk | Een stevenbalk is een zware balk van hout of staal die bij houten of stalen schepen op de afsluiting van de gangen of stalen plaatvlakken waar ze bij de voorsteven samenkomen verticaal werd aangebracht en tevens diende als aanvaringsbescherming. |
| Stiffening | Het Engelse woord stiffening werd ook wel op Nederlandse schepen gebruikt als aanduiding voor de vereiste hoeveelheid lading of ballast om kapseizen van een ongeladen hooggetuigd schip te voorkomen. |
| Stokanker |
|
| Stootwil | Of stootkussen, zie fender. |
| Straf | Zie straffen aan boord. |
| Strevel | Ouderwetse scheepsbenaming voor de horizontale latten, nu buizen, van het frame van een zonnetent. |
| Stuck van Aghten | De gouden munt florino
(later gulden) werd reeds vanaf 1300 aangetroffen in de Nederlanden. Het algemeen
gebruik is vanaf ± 1550. De VOC stelde in 's Compagnies boeken de gulden gelijk aan 20
"lichte stuiver", waarbij drie gulden een rijksdaalder maakten. Daarvoor en
tegelijkertijd, zeker tot de in de 18e eeuw, werd betaald met de Rosenobel, een
Engelse gouden munt met een waarde van elf gulden en elf stuivers en het Stuck van
Aghten, een Spaanse zilveren munt (Spaanse mat) met een waarde van omtrent veertig
stuivers. Er werd door zeelui en met name de goedbedeelde boekaniers met stucken gesmeten:
"Ick heb 'er een ghesien op Geomaica (Jamaica) die vyffhondert stucken va Aghten
aen een hoer ghegeven heeft om alleen haer schaemelheyt te sien...". Bron o.a.: Dick Dreux en NvW. |
| Stuurboord *** |
Rechter zijde van het schip, kijkend in de richting van
het voorschip; navigatielicht: groen. De begrippen
bakboord en stuurboord worden alleen voor de linker en rechterzijde van een boot gebruikt
en niet voor het links of rechts van vaarwater. Een handig ezelsbruggetje dat veel mensen gebruiken is: GRAS = Groen Rechts Aan Stuurboord. Men denkt dat de benaming stamt uit de tijd dat gestuurd werd met een roerspaan (roeispaan) welke aan de rechterkant van het schip zat. Dat was dus STUURboord. Je stond dan met de rug, oud middennederlands: bac (Grote Van Dale), naar de linkerzijde; BAKboord. Zie ook: zijroer. |
| Stuurlastig | Het achterschip ligt dieper dan de kop, het schip is lastig op koers te houden, ook wel "heklastig". Bij harde wind zal het schip lijgierig of laf (slap) op het roer zijn. De kop van het schip zal zich van de wind af willen draaien. Als een schip vanaf het ontwerp een achterzijde met meer diepgang heeft, spreekt men over (enige of grote) stuurlast. Het schip stuurt dan gemakkelijk; o.a. bij sommige vissersschepen. Verwant: koplastig. |
| Stuurmansgoed | Stuurmansgoed of "special cargo" is in de zeevaart de benaming voor goederen van hoge waarde die tijdens het vervoer speciale aandacht krijgen. Bijvoorbeeld opbergen in een brandvrije kluis. |
| Stuurwiel | In het Escorial, het abdijcomplex van Filips II van Spanje, is een muurschildering te bewonderen van de slag bij de Azoren van 1582. Daarop wordt een Spaanse galjas afgebeeld met 38 riemen, 114 roeiers en een stuurwiel. Dat was vrij uitzonderlijk, want pas aan het eind van de 17e eeuw kwam in de Lage Landen het gebruik van stuurwiel of stuurrad (in de binnenvaart "haspel") in zwang. Tot die tijd werd gestuurd met een helmstok of bij meerdekschepen met een kolderstok, waarbij de laatste slecht een kleine roeruitslag mogelijk maakte. Met het stuurrad was een veel grotere uitslag mogelijk, waardoor het schip wendbaarder werd. Die grote uitslag gaf wel een probleem. Bij niet bezeilde koersen en storm was de roerdruk bij zeeschepen zo groot dat het voor de roerganger haast ondoenlijk was om het schip te laten wenden. Het rad werd dan ook manshoog uitgevoerd met naar buiten stekende spaken, waarop veel kracht gezet kon worden. Toch lukte het de roerganger niet om bij zwaar weer op te werken. Hij kreeg dan hulp van een maat, de "blindeman", om kracht bij te zetten. De grote barken en clippers uit de 19e eeuw waren zelfs uitgerust met meerdere stuurwielen op één as of tandwielkast voor bediening door meerdere blindemannen. Verwant: stuurreep, haspel. |
| Stuwdruklager | Een stuwdruklager dient niet alleen om de schroefas te ondersteunen, maar ook om de stuwkracht direct over te brengen op het schip en niet naar de motoropstelling. |
| Sulfatering | Het langer dan 2 maanden laten staan van ontladen accu's (10,8 volt of lager) veroorzaakt sulfatering. Er treedt een verharding van de accuplaten op wat blijvend capaciteitsverlies oplevert. Dit proces start reeds beneden een (rust)spanning van 11,4 volt, maar treedt ook op wanneer accu's nooit goed doorgeladen worden. Het is voor de levensduur van een accu zelfs van belang met enige regelmaat tot de eindspanning van 14,4 volt door te laden... |
| Swath
|
De Swath,
"Small Waterplane Area Twin Hull" heeft net als de
catamaran twee
rompen. Maar doordat de rompen dieper onder water steken vanwege het
beperkte volume van het schip boven het wateroppervlak ondervindt het schip
minder invloed van golven,
zelfs in hoge zee en bij hoge snelheden. Het grootste deel van het
deplacement nodig om
het schip drijvende te houden bevindt zich immers dieper onder water, waar de
golven minder effect hebben. Het grote voordeel van SWATH-schepen
is dat ze ook bij zware zeegang heel rustig in het water liggen. Het is daarom
een vorm die vaak wordt gekozen voor schepen die ook bij hoge golven moeten
kunnen doorwerken, of die mensen moeten laten overstappen van en naar andere
schepen (loodsen). Door hun stabiliteit zijn ze ook bijzonder geschikt als
onderzoeksschepen, die vaak bewegingsgevoelige apparatuur aan boord hebben.
Bij ruwe zee kunnen SWATH-schepen sneller varen dan enkelrompschepen. De schepen zijn niet of nauwelijks geschikt als vrachtschip, want het nadeel is dat lading een grote verandering in diepgang teweeg brengt. Een verschuiving van het zwaartepunt, door het verplaatsen van een gewicht aan boord, geeft een grote verandering in slagzij of trim. Hierbij bestaat zelfs het gevaar dat de drijvers boven water komen, of dat het schip te diep in het water zakt. |
Heel graag op- of aanmerkingen. |
Op alle materiaal
(layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke
toestemming.
Mocht je ondanks
alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.