kennisbank voor pleziervaart
         en scheepvaarthistorie
 
 

Hé, dat wist ik niet...
  Tips en wetenswaardigheden
Gebruik het zoekveld wanneer je iets niet kunt vinden.
  A     B     C     D     E     F     G     H     I     J     K     L     M     N     O     P     Q     R     S     T     U     V     W     X     Y     Z  

S

Samoreus De samoreus was een rivierschip, een aak met brede stompe kop en werd hier ten lande verbasterd als sammereus, maar vanwege de vaart op steden in het Duitse Rijngebied ook wel keulenaar genoemd.
Scepter
scepterpot
Scepters (schepters, of Oudnederlands: tarmen) zijn staanders in een scepterpot op het boord, waar aan de bovenzijde en soms halverwege een lijn (de reling) door gespannen wordt. Meestal is dat  RVS-draad. De scepters vormen op houten en polyester schepen een bron van zorg. Bij oudere schepen hebben scepterpotten de onhebbelijke gewoonte zich los te werken en lekkage te veroorzaken. De enig juiste remedie: verwijderen - meestal geldt dat dan ook voor andere puttings en beslag - , de gaten goed schoon maken en schuren en de zaak opnieuw monteren met een goede kit voor afdichting. Bij polyester dekken dient een tegenplaat (backing plate of chainplate) gebruikt te worden anders kan stress cracking (craquelé) optreden doordat het dek terplekke gaat bewegen. Dit kan ook gebeuren wanneer een te dunne plaat werd toegepast, of een plaat zonder vulmateriaal tegen een ongelijk gedeelte van het laminaat werd aangebracht en daardoor maar op enkele punten draagt. Een veel voorkomde fout (ook bij werven) is dat men bij een ruw/ongelijk stuk laminaat bij montage van de tegenplaat keurig "putty" heeft gebruikt, maar de bouten direct heeft aangedraaid waardoor de nog natte kit er tussen uit is geperst.
Een andere betekenis van scepter is boomijzer. Dat is het liervormige of gesloten ijzer op boeisel of zetboord waarin vaarboom, pikhaak, fokkeloet en slaggaard liggen [Huit].
Schaloos Heel wat anders dan schadeloos. Een schaloos schip is een zwaar beschadigd schip.
Schansloper
Een schansloper is een zware duffelse zeemansjekker met een dubbele rij knopen, ook wel baaivanger genoemd, want de jas bedekte het baaitje, het baaienhemd van flanel. Schans zou te maken hebben met de wacht aan de verschansing. Volgens het Groot scheldwoordenboek van Marc De Coster werd schansloper ook gebruikt als scheldwoord voor een nietsnut, een leegloper, een profiteur. Duffel was een zwaar ruw soort laken dat ooit in Duffel (provincie Antwerpen) ontstaan zou zijn. Dezelfde stof zien we later in de bekende duffelcoat of montycoat, ook wel houtje-touwtjejas genoemd. De lange versie van de schansloper, de zware overjas, heette Duinkerker. [TvhW] en een zwarte schipperspet was een Rotterdammer.

Meer wetenswaardigheden:
De jekker is een manskleedingstuk [dbnl]. Een korte overjas. De zeemansjekker was bij schippers ook bekend als pijjekker. (geen koppelstreepje want de "ij" in pij is geen "i" en "j" maar een echte lange ij). "Jekkers uit" was een marineuitdrukking voor een vechtpartij. [Chb1]

Een zeildoekse kiel en broek voor vuile werkzaamheden werd bij de marine een krakpak genoemd. In het stoomtijdperk kwam de naam ketelpak in zwang voor werkkleding bij het uitenteren van de vlampijpen van de stoomketels, aanvankelijk nog tweedelig als het krakpak, later ééndelig. De huidige naam is overall.

De jas van half linnen, half katoen die door vissers over een manchester broek werd gedragen heette pilo, een werkkiel van grof linnen een schobbejak en een geoliede jas een rok.

Schavielen Het doorschuren van touwwerk door het voortdurend ergens langs schuren.
Het kan voorkomen worden door een smarting aan te brengen.
Scheepsbeschuit Een hoofdbestanddeel van de scheepsvoeding vanaf de 16e eeuw was hart broot of kaak, dit als tegenstelling tot gewoon week brood. Het deeg van tarwe- of roggemeel werd zonder gist twee maal gebakken tot droge zeer goed houdbare koeken. Dat scheepsbeschuit leek in niets op het brosse beschuit dat wij nu kennen en was zo hard dat het door de meeste schepelingen alleen geweekt gegeten kon worden. Door de enorme vraag van de Oostindische Compagnie, de Westindische Compagnie, de walvisvaarders, de Oostzeevaarders en alle andere schepen die vanuit Holland vertrokken, ontstond in de 17e eeuw rond de graanmolens van de Zaanstreek, vooral in Wormer en Jisp, een bloeiende industrie om deze tweeback in kaaktonnen aan te leveren. Men spreekt dan in Wormer over tientallen, sommige bronnen over wel 150 beschuitbakkerijen. De Amsterdamse bakkerijen op de Anjeliersgracht (Jordaan, toen nog "Het Nieuwe Werck" of "Jardin" geheten), die de handelsvloot ook van scheepsbeschuit voorzagen, hadden daar behoorlijke concurrentie van. Vanaf de 19e eeuw werd een onderscheid gemaakt tussen hard brood (grijs brood), scheepsbeschuit en zeekaak. De marine kende ook nog ziekenbrood, een fijner soort beschuit [PleC] en in de onderzeedienst voor korte tijd ook "krimpertjes", een verfijnder en speciaal geprepareerd hard brood, dat echter geen succes was.
Zie ook zeemanskost.
Scheepsboot Scheepsboot is een oude benaming voor een bijboot (volgboot) die bij een groter schip hoort. Zie boot.
Scheepsbijgeloof Het gebruik om een nieuw schip te dopen stamt af van de oude Grieken, die meenden dat er magische kracht zat in de naam van een schip. Om de zeegoden gunstig te stemmen en de naam te bekrachtigen brachten zij een plengoffer voordat het schip te water werd gelaten. Ze lieten wijn, olie of offerbloed over de boeg vloeien, soms zelfs menselijk bloed. Veel later werd bij de doop van een schip een fles bloedrode wijn tegen de boeg stukgeslagen en inmiddels is het ritueel vervangen door het stukslaan van een fles champagne. In de streng gelovige vissersdorpen doopte men liever met water uit het visgebied, omdat dat "een boot van werkende menschen betaamt". Toch begon het toekennen van een scheepsnaam in de Nederlanden pas aan het eind van de 15e eeuw. Tot die tijd duidde men in het algemeen een vaartuig aan met de naam van de schipper. Tijdens de overdracht van de werf aan de eigenaar werd er niet gedoopt, maar wel menig glas geheven. De werfbaas sprak de traditionele zegenwens: "Sinjeuren, daer hebje haer, behouwe vaert dermee", waarop de eigenaar - eveneens traditioneel - antwoordde: "Zoalst God belieft".
Toen het dopen wel gemeengoed geworden was werd in het Calvinistische Nederland nog tot het begin van de 20e eeuw door de scheepsbouwers de verzen 21 t/m 30 van psalm 107 uit het Oude Testament voorgelezen:

Zeelui monsteren van oudsher niet graag aan op een schip waarvan de naam is veranderd omdat de magische kracht van deze woorden - en het: "Ik doop u .... en wens u behouden vaart"- bij de oorspronkelijke naam wel eens verdwenen kan zijn.
Voor het herdopen werden daarom nogal eens "foefjes" bedacht. "Water van het eerste tij" is er zo een. Tweemaal per dag wordt het eb en vloed. Met het "eerste tij" wordt het eerste wassende water (vloedstroom) van die dag bedoeld, waaraan speciale kracht wordt toegeschreven. Wanneer de oorspronkelijke naam echter zonder doopplechtigheid tot stand was gekomen, was het geen enkel bezwaar het schip van naam te veranderen, mits het alsnog gedoopt werd.
Kijk voor het dopen van schepelingen bij goden.

Meer (zeemans, schippers of vissers) bijgeloof:
- Als de scheepsnaam op de letter A eindigt zou het wel eens slecht kunnen aflopen. Het bewijs voor die stelling werd weer eens geleverd in 1915 toen de Lusitania getorpedeerd werd en verging.
- Vaar nooit uit op 02-02 (Maria Lichtmis), 31-12 (Oudejaarsdag), de eerste maandag in april, of de tweede maandag in augustus. Het is algemeen bekend dat er schepen met man en muis zijn vergaan die wel op deze dagen uitvoeren. Verder is vertrek op vrijdag of zondag ook niet verstandig. Vertrek op vrijdag brengt ongeluk en vertrek op zondag veel storm.
- Het brengt ongeluk wanneer een zeeman eerst zijn linkervoet aan boord zet.
- Als een landrot naar een schip wijst roept dat het boze oog op. Ook laat het onheil niet lang op zich wachten wanneer een schip wordt nagekeken tot het uit het zicht verdwenen is. (De uitzwaaiers worden ook wel afduwers genoemd).
- Gooi het schip een paar oude schoenen achterna en het zal een voorspoedige reis krijgen. Dit wordt echter teniet gedaan wanneer iemand tijdens de reis zo vermetel is om een paraplu te openen.
- Vrouwen, kippen, geestelijken en advocaten zijn levensgevaarlijk aan boord.
Vandaar wijsheden als: "Een vrouw en een kip zijn de pest voor een schip" (volgens sommige zeelui is "kip" hier een verbastering van klip, hoewel "kip" ook een voetboei, band of beugel was die om voeten van gestraften werd gelegd). "Alles wat niet staand over het potdeksel kan pissen is aan boord te missen" of "Alle beetjes helpen" zei de schipper en smeet zijn vrouw overboord... en "Vrouw aan boord, je schip op het slappe koord".
- Spreek aan boord nooit over nonnen of priesters.
Je maakt de duivel daarmee gloeiend kwaad en hij zal het schip met tempeestweer bestoken.
- Bemanningen van verschillende schepen mogen elkaar niets lenen, dat roept een vloek over de schepen op. Is het toch absoluut noodzakelijk, dan moet het geleende enigszins beschadigd worden terug gegeven waardoor de vloek ontkracht wordt.
- Fluiten aan boord is uit den boze; het roept alleen maar geesten, harde wind of - nog erger - vliegende storm op. Het overboord werpen van kleingeld heeft dezelfde uitwerking (het missen van een brugwachtersklompje kan dus nare gevolgen hebben). Natuurlijk is het ophangen van veel knoflook dan nog de enige remedie...
- Wanneer bij windstilte het schip geen voortgang meer maakt en een briesje gewenst is, kan fluiten toch soelaas bieden, maar alleen nadat de heilige Nicolaas of Antonius is aangeroepen. De zeemanswijsheid: "Meeuw op de ra, wind weldra" schijnt ook te kloppen.
- Als je met een natte vinger over de rand van een leeg glas schuift zodat het gaat zingen, is dat de doodsklok voor een zeeman die op dat ogenblik bezig is te verdrinken.
- Op de dag van vertrek mag geen rode kool gegeten worden. De kans op een voortijdig einde van de reis - of erger - is dan volgens veel zeelui levensgroot aanwezig. Het is verder algemeen bekend dat vissers hun netten verspelen wanneer ze op zee op maandag rode kool eten. Eigenlijk is elke rode groente op welke dag dan ook op elk vissersschip taboe.
- Gedurende de visvangst mag niemand met een borstel aan dek komen. De vissen zouden er door weggejaagd worden.
- Een goed schipper weet dat zijn schip "wel vaart" als er een touw slingert. Verder is het bekend dat meer vaart verkregen wordt door kuieren over het dek en/of het bekloppen van de reling met een splishoorn [CvY, blz 354].
- Wanneer bij het laden van leeftocht het schip naar stuurboord helt, wordt het een lange reis met tegenslag. Helt het naar bakboord, dan kan een goede en voorspoedige reis verwacht worden. Scheepsladingen werden doorgaans aan bakboord ingenomen [NW, blz 493].
- Zing of neurie nimmer op zee "Het vrouwtje van Stavoren", want zo roep je het onheil op en het schip zal vergaan. [Me6, blz 108].
- In de begintijd van de motorisering was er bij binnenschippers een hardnekkig bijgeloof dat er nooit meer Pk's geïnstalleerd mochten worden dan het schip in tonnen groot was. Bron: S.van Hemsbergen, Grave.
- Wanneer in de zeiltijd "de zon de wind begon op te vreten" kochten sommige schippers wel eens wind. Ze gooiden een paar centen overboord en wanneer er een briesje kwam had het geholpen. Een dubbeltje gaf natuurlijk meer wind, maar had wel het risico van een complete storm.
- Bij Vlaamse vissers is het algemeen bekend dat een schrale vangst, schade aan de netten, averij etc. te wijten valt aan een "malfiet". Dat is een burgerman, in ieder geval een niet-visser, welke om een of andere reden toch aan boord is [Me5, blz 35].
- Op Franse schepen mag nimmer over een lapin (konijn) gesproken worden. Het woord is taboe, een afbeelding is taboe en het eten van konijn al helemaal. Mogelijk heeft het bijgeloof te maken met ooit ontsnapte konijnen uit de levende have aan boord die aan het touwwerk van verstaging en vallen knaagden met alle gevolgen van dien [schut].
- Op Zuid-Amerikaanse schepen zal de roerganger of wachthoudende officier zich nooit van zijn post omdraaien en weglopen. Ook niet bij aflossing. Er wordt omzichtig achteruitgelopen en pas omgedraaid bij de uitgang van brug of stuurhuis.  Dit bijgeloof heeft waarschijnlijk te maken met de logica dat de blik zo lang mogelijk op het vaarwater gericht moet blijven. [schut]. Het doet denken aan de ceremonie van het achteruitlopen bij Koningin Elizabeth en Koningin Wilhelmina. Het werd namelijk geacht onbeleefd te zijn om de vorst(in) de rug toe te keren. Inmiddels bij beide vorstenhuizen afgeschaft. Juliana deed dat al vijftig jaar geleden. De Engelsen met het Britse equivalent van de Arbowet pas in 2009.
Scheepskameel
    
Op 14 april 1691 wordt namens de Amsterdamse stadstimmerman Meeuwis Meindertsz. Bakker bij de Staten Generaal octrooi aangevraagd voor zijn uitvinding van de scheepskameel. In 1775 noemt Egbert Buys in zijn "Nieuw en Volkomen Woordenboek van Konsten en Weetenschappen" echter Cornelius Meyer als uitvinder. Op een prent uit 1672 is inderdaad een soort droogdok te zien waar een schip in binnenvaart, maar voor zover bekend heeft dit nooit gewerkt. Mogelijk is Meeuwis Meindertsz. Bakker daardoor wel op een idee gebracht. Zijn "loffelijk middel" bestond uit twee afzonderlijke houten caissons waarvan de binnenkant de negatiefvorm van een scheepsromp had. De caissons waren verdeeld in waterdichte kamers die konden worden gevuld door inlaten. De bijna geheel gezonken caissons werden aan weerszijden van het schip geplaatst en door middel van kabels aan elkaar bevestigd, waarbij het schip met schoren rechtop gehouden werd. Daarna werden de kamers leeggepompt, waardoor het schip gelicht werd. Het geheel van schip en kameel kon dan voorzichtig onder eigen zeil de ondiepte van Pampus passeren, of werd door waterschepen naar diep vaarwater gesleept. Cornelis van Yk schreef in 1697: "Zelden zijn nieuw-gevonden konsten ten eersten tot het toppunt haarer volmaaktheid gesteigerd. Want zoo heeft men al voor veele jaren, om onze Groote en diepgaande Scheepen in Zee te brengen, wegens de Ondiepheid onzer Rivieren, en Zeegaten, getragt, dezelve, waar 't mogelijk, door ledig Vatwerk, zo Pypen, als Voeder-vaten, op te ligten, en te doen ryzen. Dog was dit Werk, om het by een-schikken der Vaten, een ellendige Talmery, en veel Arbeids onderworpen". Hij noemde de kamelen wanschepsels, maar tegelijkertijd: "Een loffelijk middel om Scheepen wel 5 a 6 en meerdere Voeten te ligten en over Slijke en Zande te brengen". Kamelen bleven in gebruik tot in 1824 het "Groot-Noordhollands Kanaal" werd geopend. Zie de route die de schepen tot die tijd moesten volgen.
Vanaf 1860 is er nog een tijdje sprake geweest van kettingvaart om de grotere zeeschepen met een ketting-stoomsleper dwars door de modder van het Pampus te trekken i.p.v. de lange route met jaagpaarden door het Noordhollands kanaal, want alleen bij zeer gunstige bakstagwind was het smalle kanaal door grote schepen te bezeilen. Met de opening van het Noordzeekanaal werden de vaart door het Noordhollands kanaal en de kettingvaart over Pampus definitief overbodig.

In de Jiskefet sketch scheepskamelen geeft Michiel Romeyn duidelijkheid over "scheepstaal" als: kneukers, kneukeren, neug, rachels, heugers, hoender, krek, roegen, loer, knaning, hoenpukken en riegeren. De scheepskameel zelf komt niet aan bod. ;-)

Scheepskost Zie zeemanskost, victualien en victualielijsten uit 1697, 1775 en 1950.
Scheepsnaam Om het aanroepen van een schip mogelijk te maken dient het een scheepsnaam of kenspreuk te voeren, welke aan de buitenzijde in lichte letters op een donkere achtergrond (of andersom) is aangebracht [Art. 2.01 BPR]. Vooral in de binnenvaart vinden we traditioneel spreuken en combinatienamen, vaak samengesteld uit de eerste twee letters van kinderen en geliefden. Merkwaardig is dat nog steeds veel Latijnse namen voorkomen, terwijl we mogen aannemen dat de schipper deze oude taal niet spreekt. Het lijkt een vastgeroest overblijfsel uit de kerktaal van de katholieke kerk, maar wordt ook met verve door protestanten en niet gelovigen gebruikt. Dus nog steeds vinden we ook bij nieuwbouw namen als: Quo Vadis (waarheen gaat gij?), Linquenda (alles achter moeten laten), Nulli Cedo (ik wijk voor niemand), Deo Juvante (met Gods hulp), Dei Gratia (Gods genade: varen zonder te weten waarheen?) en verzin het maar. De reformatorische en nogal pedante toevoeging "Deo" komt steeds minder voor. Hoewel het vroeger uit (bij)geloof uit den boze was, is het tegenwoordig gebruikelijk dat de scheepsnaam wijzigt bij het overgaan naar een nieuwe eigenaar. Oud varensgasten die op fora op zoek zijn naar hun vroegere schip komen daardoor vaak geen steek verder. Een oud fotootje biedt soms uitkomst.
Verwant: Latijnse scheepsnamen, dopen, thuishaven, .
Scheepspraat Veel hedendaagse spreekwoorden en gezegden hebben een maritieme oorsprong. Zie uitdrukkingen.
Scheepsschroef Of propeller. Kijk bij schroef.
Scheepssier Scheepssier of scheepsdecoratie is een steeds minder voorkomend verschijnsel. De grote zeventiende eeuwse zeeschepen waren rijkelijk versierd met spiegelpraal, rinkelwerk op hakkeborden en op z'n minst een scheg- of boegbeeld. Maar ook visserij- en binnenschepen en niet te vergeten de speeljachten van gegoede burgers werden verfraaid met lofwerk op boeg, klik, mastplank of vlaggestokhouder. Uitbundiger was het prins- en/of snijwerk aan helmstok, bedelbalk en/of kajuitfries en de af en toe voorkomende valreepborden op marineschepen (Marinemuseum Den Helder).
Hier wat voorbeelden: boeier, kajuitfries, knecht, mastplank, mastwortel, oculus, prinswerk, rinkelwerk, schegbeeld, speeljacht, valreepborden.
Bron o.a. Scheepssier.
Scheepstypen Menig scheepstype uit een rijk verleden is te vinden via de introductiepagina "Van oude schepen, onder zeil en op de motor". Voor beschrijvingen en afbeeldingen kan ook rechtstreeks gekozen worden voor "Oude binnenvaartschepen", "Oude zeegaande schepen" of "Oude vissersschepen". Verder zijn er de pagina's "Wat zijn windjammers" en "Van stoomvaart en oude motoren". Toegespitst op binnenvaart is de Binnenvaart Encyclopedie van collega Pieter Klein de beste, Hier is werkelijk alles te vinden over binnenvaart.
Scheerhaak Een scheerhaak was een soort zeis. Hij werd gebruikt om het want van de vijand door te snijden. Maar waarschijnlijk ook als geducht wapen in het gevecht.
Scheerhout Hetzelfde woord met een drietal betekenissen:
Het onderdeel van een tuigje of windvaan op de top van de mast van een zeilvaartuig. Het scheerhout (hekkie) draait horizontaal rond een pen die in een trompetvormige bus bovenop de mast is gestoken en aan de onderrand is voorzien van een aantal gaatjes waarin een wimpel is genaaid. Scheerhoutjes vormden vroeger soms een deel van de mastversiering en hadden dan zeer karakteristieke vormen. Zie hemelboender en mastwortel.
Een langwerpig stuk hout met gaten dat dient om lijnen die daar doorheen gestoken worden uiteen te houden. Het geheel wordt wel spinnekop of hanepoot genoemd. Hiermee worden tentzeilen, koelzeilen, e.d. opgehaald en opgehangen. Dergelijke scheerhoutjes waren ook aangebracht aan de boelijns en lijken [gordings] van de zeilen van 16e- en 17e eeuwse schepen.
Een horizontale beschermingsbalk van hout of kunststof tegen een steiger of damwand. Zie ook wrijfhout.
Scheg Een scheg is een vin die in de lengteas onder de kielbalk, maar in ieder geval in het midden van het vlak wordt geplaatst ter bevordering van de koersvastheid. De scheg komt in vele soorten en maten voor. Alleen aan of onder het voorschip [loefbijter], alleen onder het achterschip, of over de gehele lengte van het vlak, bij kleine motorboten vaak overlopend in een dooskiel. In het laatste geval zal ook de stabiliteit verbeteren. De oorspronkelijke betekenis was: een getimmerte, dat voor den voorsteven uitspringt en tot steunpunt strekt voor de waterstags en de woeling van den boegspriet. Een woeling (Q op het plaatje) is de stijve touwverbinding tussen een rondhout en de romp. Het bestaat uit dicht naast elkaar liggende touwwindingen, vaak om de beurt elkaar kruisend rondgelegd.
Hieronder de snebbe van een galjoen. Sommige benamingen zijn elders op de site terug te vinden.
A
B
C
D
E
F
G
H
J.K.
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
X
Y
Z
onderlegger
scheg
bovenlegger
kam (vastmaakpunt voor zeil)
slooiknieen (verbinding van galjoen aan voorsteven)
kamhout (opvulling tussen de slooiknieen)
blaasbalk (vulling om de ergste waterslag te dempen)
woelingknie (verstevigingspunt)
regelingen
mannetjes
papegaaistok
schegbeeld (indrukwekkende staande leeuw)
botteloef
boegspriet
woelingen
kraanbalk
drukker
gaten voor waterstag en krabbers
kluisgaten
kussen
ringen voor boegstagen
Scheldeschouw De Scheldeschouw is een vissersschouw met kenmerkend schuine, haast hoogaarsachtige, voorsteven uit Zeeuws Vlaanderen.
Schenkel Schenkel of schinkel is de benaming voor de touwsplits aan de uiteinden van de ra's waar de brassen en toppenenden aan vast zijn gemaakt. In de loop van de 19e eeuw werd de schenkel een ijzeren nokband.
afb: Masten blokken & tuigage
Schiemannen Het werken met touw of staaldraad; het maken van knopen en splitsen. Als gereedschap wordt een marlpriem, taats of teers gebruikt. Dat is een puntige ijzeren pen om knopen open te maken en bij het splitsen de strengen voldoende uit elkaar te halen om een andere streng te kunnen doorsteken. Een houten of benen versie werd fit, splits- of splishoorn genoemd. Tegen het rafelen van een touweind (tamp) wordt met schiemansgaren een takeling of bindsel aangebracht. Bij grof geslagen touw en staaldraad wordt voorafgaand aan een bindsel of smarting wel getrenst.
Aan de Oostwal en misschien bij alle vissers van de Zuiderzee was "schiemannen" ook de duiding voor bootonderhoud. Denk aan teren en harpuizen.
Het werkwoord schiemannen komt van een niet meer bestaande onderofficiersrang uit de zeiltijd die volgde op die van bootsman. De schieman was belast met het tuig van de fokkemast, de schiemansmaat met dat van de boegspriet, de bootsman met dat van de grote mast en de bootsmansmaat met dat van de bezaansmast. De matrozen die ondergeschikt waren aan de schieman, werden schiemansgasten genoemd. Volgens Winschooten zou het woord eigenlijk schimman moeten luiden en zo veel betekenen als schim of schaduw van de hoogbootsman.
Schieting Schieting werd in de (vleet)visserij wel gebruikt als duiding voor pittige golven, brekers, rollers en branding.
Bron: Scheveningen-nu.
Schietschuit Een schietschuit was een Zeeuws/Hollandse trekschuit, vrachtboot en vissersboot. Kijk voor de vissersboot bij visserij.
De toevoeging "schiet" had waarschijnlijk te maken met snelheid. Van Lennep zegt daarover: "Soort van markt- of trekschuit, wellicht dus genoemd, omdat zij door de vaart schiet". De veenderijbootjes uit het westen van het land werden ook wel schietbootjes genoemd. Zo heeft Schutten het over Drechterlandse veldschuiten (omgeving Enkhuizen) die daar ook schietschuit werden genoemd.
Schilderen en temperatuur De invloed van de omgevingstemperatuur op schilderwerk. Schilder nooit beneden 10°C. Dit geldt ook voor 2-componentenverf, hoewel er tegenwoordig soorten bestaan die onder 10ºC uitharden. Voor terpetine verdunbare verf geldt hoe lager de temperatuur, hoe taaier de verf. In dat geval moet meer verdunning worden toegevoegd. Je moet echter beseffen dat daardoor de droogtijd aanzienlijk langer wordt en de laagdikte dun kan uitvallen. Het is beter om de verf thuis op temperatuur te laten komen en dan zo snel mogelijk te verwerken. Of je zet het blik verf in een bak lauw water.
Als het schip kouder is dan de omgeving, kan de vochtigheid in de lucht condenseren op het te schilderen oppervlak, waardoor de verf niet goed zal hechten en/of mat kan slaan. Vooral 's morgens bij fraai weer en lage temperatuur kan dit bij buiten schilderen een probleem geven. Op grote vlakken krijg je de beste afwerking door met twee personen te werken. Eén brengt de verf met een grote kwast of roller kruislings diagonaal aan, de ander werkt het verticaal af met een verfkussentje of grote ronde kwast (nadassen). Om een goede hechting te krijgen kan je oude verflagen na ontvetten (b.v. thinner, of water met ammoniak) het best schuren met niet te grof schuurpapier. Korrel 220 en eindigen bij korrel 320. Daarna wassen met ruim water en uit zichzelf laten opdrogen. Gebruik altijd een zo groot mogelijke kwast van een goede kwaliteit met afgeschuinde fijne haren. Verkeerde zuinigheid geeft slecht schilderwerk. Gebruik verder ter voorkoming van de gevreesde sinaasappelhuid geen lamsvachtroller, maar een mohair- of schuimroller en strijk of rol niet te lang door. Denk eraan dat twee-componenten verf een schuimroller aantast. Het kan wel, maar dan regelmatig de roller vervangen. Kijk voor de eigenschappen van diverse rollers op de site van Copenhagen Prof.  Een twee-componenten verf kan NIET over een één-componenten verf. Althans meestal niet. Bij oude goedhechtende harde verflagen lukt het soms. Je kan het volgens ons forumlid Hans (DT32)  testen door een met 2-componentverharder doordrenkte lap een tijdje op de oude verf te leggen. Wanneer er geen blaasvorming of zachtwording ontstaat is het waarschijnlijk mogelijk. Andersom, "gewone" verf over 2-componenten kan wel en is soms zelfs gewenst.
Owatrol als toevoeging:
Veel mensen zweren bij Owatrol als toevoegmiddel aan verven die met terpentine of olie kunnen worden verdund. Dit roestwerende middel wordt dan tot zo'n 5% aan de aflaklaag toegevoegd, waardoor de verf "soepeler" wordt en een gladder resultaat geeft. Nadeel is dat de droogtijd langer wordt en het risico van stofopname dus vergroot. Owatrol wordt in pure vorm als antiroestmiddel gebruikt. Die toepassing voldoet redelijk, is overigens bepaald geen wondermiddel en niet geschikt voor het onderwaterschip.
Lijnolie als toevoeging:
Ouderwetse middel uit de "pre-owatrol" periode. Werd m.n. gebruikt als toevoeging aan loodmenie en als conserveringsmiddel voor hout. De uit lijnzaad (de zaden van olievlas) geperste olie bestaat in een rauwe- en een gekookte versie. De rauwe droogt praktisch niet en de niet zuurvrije veroorzaakt zelfs roestvorming. De gekookte is een aantal malen verhit tot 120°, droogt wel en is prima te gebruiken als verftoevoeging. Kwasten gaan een mensenleven mee als je ze in zuurvrije rauwe lijnolie bewaart.
Verwant: verfsoorten, verweerde verf en een link naar schildertips van scheepsverf.com.
Schillen Om osmose te verwijderen zijn er gespecialiseerde bedrijven die de huid van een polyester schip kunnen "schillen" om de boot van een nieuwe gelcoatlaag te voorzien. Bij diepe osmose biedt dat trouwens geen soelaas. In vroeger tijd werden houten schepen ook "geschild". Het was de methode om een overnaads schip te verbouwen tot een gladboordig. Verscheidene Nederlandse werven hielden zich hiermee bezig. Verwant: dubbelen.
Schillingroer
Een schillingroer zou je met enige fantasie een verdere ontwikkeling van het balansroer kunnen noemen. Het roer ziet eruit als een vis en heeft boven en onder een afsluitende plaat om al het schroefwater langs het roer te dwingen. Het roer geeft vooral bij langzaam draaiende schroef sterk verbeterde manoeuvreerbaarheid. Verder ook effectief bij achteruitvaren. Eigenlijk ideaal voor de pleziervaarder. Zie ook scheepspraet en schillingrudder.
Verwant: propulsieroer, draaicirkel , hydraulische besturing, uit koers en vuistregel roerwerking.
Schilschuit Een schilschuit was een aan de snik verwant vissersvaartuig voor op het wad. Had twee masten, een volle ronde kop en een licht gebogen voorsteven [TvhW].
Schipper of kapitein? De gezagvoerder van een binnenvaartschip heet schipper. De gezagvoerder van een zeegaand schip heet kapitein. Hieruit volgde dat de schipper van een zeetjalk zich kapitein mocht noemen en zijn meevarende vrouw kapiteinske i.p.v. schipperin (vlaams) of schipperse. Volgens Hylke Speerstra [BOZ] droegen ze de benaming met ere.
In de VOC tijd was de benaming in de zeevaart anders. De gezagvoerder bij de koopvaardij heette schipper of grootschipper, in de walvisvaart heette hij commandeur, op een vissersschip stuurman en bij de marine kapitein, hoewel de gezagvoerders van kleinere VOC schepen en kustvaarders ook wel cappeteyns werden genoemd..
Verwant: Boot of schip en waarom is boot of schip vrouwelijk?
"Schippers maatlat"
 
een poging om oude maten en gewichten te herleiden tot hedendaagse.
Herleidingtabel kilometers/zeemijlen meters/voeten (afgerond)
In de tabel zijn de lengtes die je wilt omrekenen
zwart.
kilometers kilometers of
zeemijlen
zeemijlen
meters meters of
voeten
voeten
1,85
3,70
5,55
7,40
9,25
11,10
12,95
14,80
16,65
18,53
37,00
55,50
74,00
92,50
111,00
129,50
148,00
166,50
185,30
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
20
30
40
50
60
70
80
90
100
0,54
1,08
1,62
2,16
2,70
3,24
3,78
4,32
4,86
5,40
10,80
16,20
21,60
27,00
32,40
37,80
43,20
48,60
54,00
0,30
0,61
0,91
1,22
1,52
1,83
2,13
2,44
2,74
3,05
6,10
9,14
12,19
15,24
18,29
21,34
24,38
27,43
30,38
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
20
30
40
50
60
70
80
90
100
3,28
6,56
9,84
13,12
16,40
19,68
22,96
26,25
29,53
32,81
65,62
98,43
131,23
164,04
196,85
229,66
262,47
295,28
328,10
1 inch
1 palm
1 voet
1 oude el (tot ± 1820)
1 yard
1 nieuwe el (na 1820)
1 vadem
1 kettinglengte
=
=
=
=
=
=
=
=
2,54 cm
10 cm
30,48 cm
68,80 cm
91,44 cm
1 mtr
182,88 cm
27,432 mtr
=
=
=
=
=
=
=
=
1
4
12
27
3
10
6
15
duim
duim
duim
duim
voet
palm
voet
vadem
kwartduims
halfduims
driekwartduims
=
=
=
6,35 mm
12,70 mm
19,05 mm
Bij de el, de palm en de duim kan verwarring ontstaan. Na invoering van het metriek stelsel door de Fransen wilde men toch graag de oude benaming gebruiken. Na 1820 waren el, palm en duim daarom een tijdje resp. 100cm, 10cm en 1cm.

Klik hier voor het omrekenen van Celsius naar Fahrenheit en omgekeerd.
Klik hier voor het omrekenen van inch/duim naar mm.
Klik hier voor het omrekenen van diverse hedendaagse maten, gewichten, volumes, etc. (Lenntech).
Klik hier voor
ergonomische maatcriteria bij zelfbouw.

En dan nog leuk of interessant  om te weten:
De Franse lieue is eigenlijk een tijd/afstand aanduiding met de betekenis van een uur gaans. Als afstandaanduiding op zee was één lieue 5555 meter (3 zeemijlen).
De Perzische farsakh uit de VOC-tijd was ook een uur gaans, maar dan van een beladen muildier. Men maakte onderscheidt in moeilijk begaanbare wegen en goede wegen. Dat waren resp. een zware farsakh of een lichte farsakh (ook parasang).
De Hollandse kenning was tot omstreeks 1600 een afstandsaanduiding op zee. Het was niet een vaste maat, maar werd geacht de afstand te zijn vanwaar men een kust kon onderscheiden [Me4].
De Hollandse handspaakslengte of kleine windboomslengte, waarbij Witsen de handspaak vergeleek met een koevoet, welke volgens het WNT een lengte had van 0,90 tot 1,20m, ) was een hulpmiddel om afstanden te schatten. Gert Schouwstra gaf in het scheepvaartforum een voorbeeld: "Als je het hebt over boeien die een handspaakslengte uit elkaar liggen, moet je de handspaak tegen de horizon aan horizontaal omhoog houden met het ene eind op de ene boei en dan weet je waar je de volgende ongeveer moet zoeken".
In diezelfde tijd was de Duitse of Hollandse mijl als lengtemaat 7,407 kilometer [Glos].
De Engelse tierce was een inhoudsmaat van 191 liter, maar ook een gewichtsmaat voor gezouten vlees; 138 of 153 kilo. Het bewaarvat voor gezouten vlees met afsluitbaar deksel heet rantsoenstander. [TvhW]
De mille was tot niet lang geleden de maat voor hout verscheept van Brits Columbia en de westkust van Noord-Amerika. Een mille was duizend board measurement feet. Een board measurement foot is een stuk hout van 1 x 1 voet bij 1 duim, ofwel een inhoud van eentwaalfde kubieke voet. Een mille neemt een ruimte in van 1000: 12 = drieentachtig en eenderde kubieke voet excl stuwageverlies. (ben je er nog?) [Me5].
Het Hollandse loodje was 15 gram, althans het lood was 1/32e van een Amsterdamse pond (pont) = 494 gram.
De kojang was in de VOC-tijd een gewichtsmaat voor droge lading. De kojang was bijna twee ton; 4000 Amsterdams pond, dat was een last, om precies te zijn 1976,4 kilo, die weer bestond uit 32 pikol van 61¾ kilo, een draaglast of baal, zoveel als een man aan een juk kan dragen. Vier pikol was een kandijl (candyl) ofwel zoveel als een os kan dragen. Een honderdste pikol heette een ka(t)ti en 300 kati (3 pikol) was een bara. Een last haring daarentegen was geen gewichtsmaat, maar bestond uit 17 kantjes met ieder een inhoud van 114 liter wat neer kwam op ongeveer 100 kilo haring per kantje, maar de Engelse cran was weer ± 1½ kantje. We komen ook de naam kwarteel (kwart el) of varrel tegen voor een tonnetje van vijftig haringen.
Eigenijk was het met die last veel ingewikkelder. Het gewicht van de last was - met name binnenslands - gerelateerd aan het product en werd uitgedrukt in ponden zwaars of schipponden, waarbij een pond zwaars 300 Amsterdamse ponden (148 kilo) was. Maar de (zee)last werd ook als inhoudsmaat (15 hectoliter) gebruikt. Hieronder een lijst uit de proclamatie met toltarieven voor de Twickelervaart (Overijssel) uit 1776. Tot in de 20e eeuw werden scheepsladingen nog uitgedrukt in centenaren, karren en lasten. Een centenaar of quintaal van oorspronkelijk 100 oude ponden, was in de 19e eeuw de aanduiding voor 100 kilogram. Kolenladingen gingen per (Ruhr)kar = 1700 kilogram en een last was inmiddels afgerond op 2000 kilogram..
In Nederlandse bijbelvertalingen wordt de cubitus vertaald als een lengtemaat van een voet (30,48 cm) of een el (68,80 cm), hetgeen de Ark van Noach onwaarschijnlijk lang maakt. Resp. 820 meter of 1800 meter. Toch zien bevindelijke Staphorsters die vertaling als enige waarheid. Ze weten ook zeker dat de aarde niet ouder is dan 6000 jaar omdat de vertaling van het Hebreeuwse woord yom naar believen een tijdvak van een dag of 1000 jaar aangeeft.

Maak je borst maar nat, want in hetzelfde jaar van de lijst (1776) werd de last in het "Nieuw en Volkomen Woordenboek van Konsten en Weetenschappen" als volgt omschreven:
Last: Een maat en gewicht. Te Dantzich is een last haringen 12 tonnen, maar een last zout 18 tonnen. In Bremen is een last visschen of potasch 12 tonnen; een last vlas, hennip, hop enz. 6 schipponden. In Hamburg heeft een last 3 zogenaamde wispel, ieder wispel 30 schepel. Maar 83 zulke schepels maaken een Amsterdamse last. In Stokholm is een zwaare last 18, en een ligte last 12 schippponden. In Saxen en Brandenburg maaken 72 schepels een last. In Amsterdam houd een last tarwe 27 mudden of 108 schepels, ook 36 zakken, ieder mud houdende vier schepels en een zak drie schepels.


En oh ja, een roe(de) was 10 of 12 voet en een span (de afstand tussen duim en pink van een gestrekte hand) was 2 decimeter.
Maar ja, je had de Indische, Japanse en Chinese katti. Je had de Amsterdamse, Uitgeestse, Antwerpse en Rijnlandse voet en wereldwijd nog een zestigtal andere, waarvan in Nederland de Rotterdamse de langste was (36,24 cm) en de Amsterdamse de kortste (28,31 cm). Kennelijk leefde men in Rotterdam op grotere voet. De Engelse voet is uiteindelijk als enige overgebleven. Hoewel... Op de Bataviawerf wordt natuurlijk nog de Amsterdamse voet gebruikt. Deze bestond niet uit 12 duim, maar uit 11 duim van elk 2,57 cm. Kortom een verwarrende tijd. Wat bijvoorbeeld te denken van een vierling of een kip? Een vierling spiering = 50 pond. Een kip stokvis = 50 pond; een kip tin = 37 pond; een kip marlijn = 600 meter (een dozijn bossen van 50 meter); een kip sinaasappelen = een krat en dan was er ook nog een wichie (wicht) aal of bot = 100 pond. Bij de turfschippers was een ton  een inhoudsmaat van 2hl.
In het verslag van een driejarige slavenreis van de Middelburgse Commercie Companie [1761] komen we op 5 jan 1762 de tekst: 20 coffers rijst tegen.
Met de muis op coffers krijg je de tekst "inhoudsmaat, ong. 625 kg". Het is een merkwaardige omschrijving; een inhoudsmaat in kilogrammen?

Om de verwarring compleet te maken kende men voor hoeveelheden graan naast voormelde lasten en schipponden een groot aantal streekgebonden benamingen. Op een enkele uitzondering na zijn het geen gewichtsmaten, maar inhoudsmaten. Hieronder een alfabetische bloemlezing welke verzameld werd uit de trefwoordenlijst genealogie van André Dumont. Duiding t.o. van ons huidig maatstelsel is slechts indicatief en onderlinge vergelijking is nauwelijks mogelijk omdat de maat onder dezelfde benaming per streek kon verschillen.

achel, acheel of achtendeel = 1/8 zak of 1/8 hl.
achterdeel = 18,3 ltr.
achterling = 6,5 ltr.
aertmate = 36,77 ltr.
bak = 1/4 mud of 1/4 hl.
berrieleggersmaat = 2,572 ltr (een berrie was een marktkraam/plank op schragen).
botjesmaat = 0,32 ltr.
eltkens = 1,35 ltr.
franckaert = 152 ltr.
gothelinck = ? Naast de betekenissen "Grote ijzeren ketel om valsemunters in kokend water te dompelen" en "groot kanon dat uit één stuk gegoten was", was het volgens André Dumont ook een "maat voor graan".
halfkopmaat = 1/256 loop.
halfmaat = stedemaat = 1/64 loop.
halfstedemaat = 1/128 loop.
halfvandel, halfvierendeel = 1/8 loop.
halster, halstarium = 25 kg.
hoet = 172 ltr.
kan = 1/64 zak of 1/64 hl.
kwart, kwartier = 1/4 loop.
last = 3010 ltr.
loop (kleine) = 1/4 zak of 1/4 hl.
loop (grote) = 1/36 last.
maatje = 2 spint, maar ook 1/8 spint.
malder, molder, molt = 1/22 last.
maten = 43 ltr.
meuke = 1/4 zak.
molenvat = 2 halster.
mud = 43 tot 63 ltr.
pint = 1/35 schepel, maar ook als 1/2 kan of 1/128 zak.
razier = 147 ltr, maar ook als 2 halster.
schepel = 2 mud, maar ook als 29-34 ltr, na 1820 als 10 ltr.
somer, sommer, summer = 1/3 malder = 2 vat.
spint = 1/2 schepel = 7,2 - 8,5 ltr ook 5,4 ltr en 36,5 ltr.
stedemaat = halfmaat = 1/64 loop.
vandel = 1/4 loop, maar ook 16 stedemaat.
vierendeel = 11 ltr.
zak = 243 ltr, maar ook wel een hectoliter.
Verwant: victualiën, en de Lijst van alle binnen- en buitenlandche maten, gewichten en munten.
Schoener Een schoener was een snelle langsscheepsgetuigde zeiler van Amerikaanse oorsprong met gaffel-, gaffeltop- en stagzeilen en achterover hellende masten. Bij tweemasters is de achterste mast het hoogst en bij driemasters meestal de middelste. Dit is een gebruikelijke en goede beschrijving. Toch is het oorsprongverhaal iets ingewikkelder, want schoenerachtigen worden in de Nederlanden al omstreeks 1620 op prenten aangetroffen. Klik op de link voor meer.
Schokker Schokker is de algemene benaming voor een wat grotere visboot die geschikt was gemaakt voor de ankerkuilvisserij op rivieren. Schokker als type is een zeegaande visboot met hoekige vormen welke zich kenmerkt door sterk naar binnen vallende boorden en de ronding van de beretanden (de verticale balkjes tegen het boeisel als geleiding voor de ankertros). De voorsteven maakt een hoek van ongeveer 45 graden met de waterlijn.
Schoot De lijn(en) aan het zeil, bevestigd aan de schoothoek, schoothoorn of klaauw (oude benaming), waarmee de stand wordt geregeld. Een "knik-in-de-schoot" is de (groot)zeilstand tussen aan-de-wind en halve wind. De schoten zijn hierbij niet helemaal strak aangehaald, maar iets gevierd. "Schoten laten vliegen" betekent dat een zeil levendig c.q los wordt gelaten door de schoten te vieren bij een plotselinge windvlaag, ter voorkoming van losscheuren/verlies van zeilen, of kentering van het schip. Een vierkant zeil heeft aan de schoothoeken nog twee lijnen die naar voren lopen, de halzen. Met dit vierspan wordt het zeil in de meest gunstige trekstand vastgezet. Uitdrukking "schoot gaan" = vertrekken, onder zeil gaan. Verwant: overstag met een zeegaand volschip, neerhouder of wipschoot, leiwagen of luiwagen.


schoothoek (schoothoorn) met schootoog (schootleuver)
Schootwater Brak water aan de zeemonding van een rivier. Het spoor onvermengd zoet water noemde men een verse schoot. Bij 's werelds grootste rivieren als Amazone en Nijl is dat "verse" een gotspe. Bij de brede (bijna de lengte van onze Noordzeekust) monding van de Amazone is het gele troebele water tot 320 kilomet ver in de Atlantische Oceaan te onderscheiden.
Schoperen Het aanbrengen van een zink- of aluminiumlaag op een stalen schip, zo genoemd naar de Zwitserse uitvinder M. Schoop, dus eigenlijk te schrijven als schooperen. Het gloeiende vloeibare metaal wordt met een spuitpistool in een dun laagje aangebracht en zal onmiddellijk stollen in een goed hechtende taaie laag. De allerbeste methode is stralen, direct daarna een grondlaag zink, afgedekt met een iets dikkere laag aluminium. Bij deze (dure) combinatiemethode zal dank zij de galvanische bescherming van de twee metalen zelfs bij beschadiging van de verflaag geen roestvorming optreden. De droom van elke schipper! Verder is het bij een aluminium toplaag niet nodig een etsende primer te gebruiken voor verfhechting; bij zinkschopering wel.
Schor Hedendaagse aanduiding voor buitendijkse aanwas in tijwater, dat bij hoog water, meestal alleen bij springtij, overspoeld wordt. Merkwaardigerwijs had schor vroeger een tegengestelde betekenis. Het was de zeemansterm voor steil of diep. Bij een schorre kust kon niet geankerd worden [PvD].
Schottel
De Duitse Schottelwerf Joseph Becker K.G. in Spay a/d Rijn bij Koblenz gaf zijn/haar naam aan de karakteristieke, oerdegelijke stalen schottel of Duitse schippersboot met standaard wrikgat en sleepoog. De kenmerkende driehoekige stevenplaat wordt vaak in een afwijkende kleur geschilderd. Het roeibootje wordt nog steeds gebouwd, maar nu door een ander bedrijfje aan de Moezel.
Bekender is de werf door haar schottelaandrijving, die je het best kan omschrijven als de staart van een buitenboordmotor welke wordt aangedreven door een binnenboordmotor. Er wordt niet gestuurd met een roer, maar met de scheepsschroef, die net als bij de meeste bb-motoren 360 graden (helemaal rond) draaibaar is. Schottelaandrijving, ook wel Z-drive, werd/wordt veel toegepast bij patrouilleboten die daardoor zeer wendbaar zijn. Bij grotere schepen wel twee of meer schottels. Zeegaande werkschepen kunnen zonder te ankeren met vier of meer computergestuurde schottels op hun plaats blijven liggen. Voor pleziervaart een weinig toegepaste aandrijving. Men kiest dan over het algemeen liever voor een saildrive.
Schout-bij-nacht Schout-bij-nacht was de benaming voor de jongste, of zoals je wilt laagste vlagofficiersrang bij de marine. Vanaf 1955 is dat niet meer van toepassing want toen werd de commandeur als laagste vlagofficier toegevoegd, een benaming die al vanaf de zestiende eeuw bekend is, maar steeds voor verschillende bevelvoeringfuncties werd gebruikt.
De eigenaardige titel "Schout-bij-nacht" kennen we alleen in Nederland en bestaat voor zover bekend sinds 1603. De benaming zou ontstaan zijn uit de opdracht van de scheepsbevelhebber om de achterhoede van de vloot bij nacht te schouwen. D.w.z. er op toe te zien, dat geen schepen zouden achterblijven of afdwalen om daarmee de veiligheid van de achterhoede van de vloot of het smaldeel te waarborgen. Hij werd daarom ook wel "achteradmiraal" genoemd, een benaming die we nu nog terugvinden bij de Royal Navy als "Rear admiral". Het "Nieuw en Volkomen Woordenboek van Konsten en Weetenschappen" geeft in 1775 de volgende omschrijving: "Is zoo veel als de Generaal-Majoor ter Zee, en volgt aan den Vice-Admiraal, voerende wanneer deese en de Admiraal afweesig is, het bevel over de Vloot; anders commandeert hy daarven een gedeelte, naamelyk de agterhoede".
Bronnen: Marinetermen, NvW.
Schouw De schouw als vissersvaartuig of als boerenvaartuig.
Schrikken Eén van de drie translatiebewegingen van een schip, maar ook het met een ruk/schok verspringen of loskomen van een strak gespannen lijn. Wanneer op een juist belegde meerlijn of tros teveel spanning komt, kan "lucht" of "draad" gegeven worden door voorzichtig een of meerdere tornen af te nemen tot de lijn "schrikt" ook wel bijschrikken.
Schroef
Scheepsschroef  berekenen.
Een specialisme. Schroefberekening heeft te maken met lengte van de waterlijn, rompvorm, waterverplaatsing, koppel en vermogen van de motor, reductie van de keerkoppeling en ruimte in het schroefraam. Bekende bedrijven zijn o.a. Jooren in Dordrecht en Lips Proptech in Drunen en natuurlijk Kramer in Aalsmeer, die gebruik maakt van het 3D meetsysteem MRI. Forumlid Theo vond een Engelstalig berekeningsprogrammaatje: propeller calculator. Je kunt het gebruiken om een indruk te krijgen. Het bedrijf dekt zich terecht in met: "This program is supplied F.O.C. (free of charge) and without warrantee of any kind either in the program operation or it's results". Verder ook een Engelstalige calculator bij Victoria propeller LTD uit Canada.
Scheepsschroef  verwijderen.
Het verwijderen van de scheepsschroef geeft soms onvoorziene problemen. Als de geborgde moer of naafdop is verwijderd - dat is vaak al niet gemakkelijk - blijkt dat de schroef met geen mogelijkheid van de as te krijgen is. De truc is de schroef te verwarmen met een hobby- of lasbrander waardoor hij uitzet. Verwarm de schroef rondom de schroefas, niet te lang, want dan wordt de as zelf ook warm en klop met behulp van een blokje hout met een mokertje tegen de schroef. Een moker is beter dan een gewone hamer vanwege zijn gewicht/massa. Natuurlijk niet met grof geweld rammen, maar rondom korte, niet te harde tikken. Bij deze operatie is het handig de losgedraaide moer aan het eind van de schroefdraad te laten zitten om te voorkomen dat de schroef ineens van de as schiet. Als dit (onwaarschijnlijk) geen resultaat geeft, zal een poelie- of schroeftrekker uitkomst moeten bieden. Meestal ontbreekt de ruimte daarvoor en zal je dan eerst het roer moeten verwijderen. Op de afbeelding hieronder is te zien hoe bij de bouw rekening kan worden gehouden met het verwijderen van schroef en as. Zie ook de foto's
Verwant: gland, klapschroef, kantelbladschroef (VSP), ruimte in schroefraam, max. belasting schroefas, schroefaslagers, slip, spoed, vetkoord, wieleffect, tipplaatschroef

Houtschroeftip.
Als een messing houtschroef tijdens indraaien knerpt of veert staat hij op punt van breken. Stop direct en draai hem eruit. Voorboren is beter, zeker in hardhout en een goede tip is om de schroef vooraf langs een kaars of stukje zeep te halen. Zelfs een beetje spuug doet wonderen. Gebruik bij kruiskopschroeven altijd een goed passende handschroevendraaier of schroefbit en zorg dat hij zuiver in lijn staat, anders gaat hij ratelen en wordt de schroefkop beschadigd. Wist je trouwens dat de benaming Phillipsschroef niet van onze Eindhovense fabriek (één L) komt maar van de Amerikaan Henry Phillips? Er zijn meerdere soorten kruiskoppen. Op de middelste afbeeelding v.l.n.r. Phillips, Frearson, Pozidriv (PZD) en Supadriv. Let erop dat voor de laatste twee een bitje met zogenaamde antislip-rillen toegepast dient te worden. Verreweg de beste schroef is een torx met rechte schat als een inbus. Wanneer het passende bitje (rechter afbeelding) wordt gebruikt is ratelen of doorglijden onmogelijk.

Schroefas Een moderne schroefas, in de zeevaart ook wel "kak" genoemd, is meestal van roestvast staal in een kwaliteit aquamet. Bij oudere schepen wordt de schroefas vetgesmeerd en afgesloten door een buiten- en binnengland, waarbij regelmatig moet worden gesmeerd met schroefasvet en een afsluitend vetkoord moet worden gebruikt. Meestal wordt het zeewaterbestendige lithiumvet gebruikt. Tegenwoordig wordt bij pleziervaart meer en meer een vrijwel onderhoudsvrij watergesmeerd systeem toegepast. De afdichting bestaat uit rubberen lagers met een hoge hardheidsgraad. De koeling en smering geschiedt door buitenboordwater. Het beste systeem is een aftakking van het buitenboordkoelwater van de motor dat naar de schroefaskoker wordt geleid. Een standpijp met waterschepje dat alleen tijdens varen schept werkt ook maar voldoet minder. De koeling werkt beter wanneer het water geforceerd (koelwaterpomp) in de schroefaskoker wordt gebracht. Bij het vroegere gebruik van een lamme arm wordt zelfs gesproken over een holle schroefas.
Verwant: schroefasafdichting.
Schroefraam Het raam waarin de scheepsschroef draait heet schroefraam.  De binnen dit raam liggende ruimte noemt men schroefkapel. De schroefkapel bepaalt in hoge mate de grootte van de toegepaste schroef. Een grote driebladsschroef is het meest efficient. Helaas geeft een groot schroefraam bij kleine schepen een ongewenst grote diepgang. Daarom wordt vaak besloten tot het toepassen van een vier- of vijfblads schroef. Het rendement is weliswaar minder, maar de voortstuwing binnen het kleine raam beter.
Schuit Schuit was een gemeenzame uitdrukking voor eenvoudige vissers- en binnenvaartuigen, maar ook voor bijboten in de zeevaart (sloepen werden schuiten en bokken genoemd). In de riviervisserij werd schuit als algemene benaming voor iedere vissersboot gebruikt, maar ook als aanduiding voor een grote vissersroeiboot bij de zegenvisserij en voor kleine roeiboten met plat flank en ronde voorsteven. In Enkhuizen werd zelfs de schokker "schuit" genoemd en in Zuid-Holland kende men een schuit die sprekend op een poon leek.
Schutten Het schip via een sluis naar een hoger of lager pand verplaatsen. Zie sluizen. Bedien zelf de rinketten, lichten en deuren in deze Belgische sluissimulatie. Klik op het nl-vlaggetje en kies bovenaan voor "stroomopwaarts naar stroomafwaarts" of "stroomafwaarts naar stroomopwaarts". In Nederland zouden we zeggen  kies voor afschutten (afvaart) of opschutten (opvaart).
Aanrader:
het artikel sluizen van collega Pieter Klein op Binnenvaarttaal dat een interessante uitleg geeft over waterverlies tijdens schutten.
Verwant: koppelsluis, trapsluis, spaarsluis, waaiersluis, getijdesluis.
Schuurgang De beschermings- of stootrand, ook wel schuurlijst rondom het schip meestal ter hoogte van het dek, of daar net onder, heet berghout. Sommige schippers vonden het  zonde dat het berghout beschadigd werd. Zij voorzagen het hout van een extra bescherming door te dubbelen met een schuurgang.
Maar wie of wat beschermde dan weer die schuurgang?  :-)
Schijnbare wind De wind die je tijdens varen/zeilen voelt is de schijnbare wind. Het is een combinatie van de werkelijke wind en de wind die ontstaat door de snelheid van de boot. Als de werkelijke wind voorlijker dan dwars (aan de wind) inkomt, is de schijnbare wind sterker dan de werkelijke wind en zal die bovendien meer van voren komen. Als de werkelijke wind achterlijker dan dwars (bakstag, "a" op het plaatje) inkomt, is de schijnbare wind zwakker dan de werkelijke wind, maar komt hij nog steeds meer van voren. Alleen pal voor de wind varend, zijn ze gelijk in richting.
het effect bij een varend schip:
a =
b =
c =
werkelijke (ware) wind
vaartwind
schijnbare wind
Sectorlicht De officiele benaming is sectorenlicht. Een vast licht waarvan de lichtcirkel is verdeeld in meerdere sectoren, in elk waarvan het licht in een andere kleur zichtbaar kan zijn (wit, rood, groen) of onzichtbaar is (duister). Sectorkleuren en hun begrenzingen zijn op de zeekaart aangegeven. De kleur waarin men vanaf een vaartuig het licht ziet geeft direct aan in welke sector het vaartuig zich bevindt. Het zien van de kleurverandering op de overgang van de ene sector naar de andere geeft aan dat men zich op de grens van twee sectoren bevindt; de peiling van die grens is op de zeekaart aangegeven [Me6].
Seizing Ook wel geschreven als sijzing. Benaming voor het touw of platting (band) om de zeilen mee op te binden (aan de ra's te slaan) of een kabelaring aan een ankertouw te bevestigen. Het woord komt tegenwoordig nog voor in lijfseizing (veiligheidslijn). In de visserij is het de benaming voor de eindjes touw die de netten met de speerreep verbinden, het dikke touw met kurken (vloten) dat de netten geleidt. Zie ook knuttel en muizing.
Serie schakeling Accu's worden in serie geschakeld om 24V te krijgen. Gebruik daarvoor accu's van hetzelfde merk en capaciteit. Het liefst ook van dezelfde productiedatum. Het voltage van 12V wordt bij elkaar opgeteld, het vermogen in Ah blijft hetzelfde. In serie schakelen betekent dat de plus-pool van de ene accu verbonden wordt met de min-pool van de ander. Op de 2 vrije polen staat nu 24V. Stel twee accu's van 12V 120Ah, resultaat bij serie schakelen: 24V 120Ah. Verwant: parallelschakeling.
Sextant
Alleen voor zeevaarders zonder moderne elektronica! Inmiddels ouderwets instrument voor het meten van de hoogte van een hemellichaam boven de horizon bij de astronomische plaatsbepaling aan boord van schepen. Het zon(netje)schieten en sterrenschieten. Het apparaat werkt met een kimspiegel en een verstelbare grote spiegel. Men kijkt door een lens naar de kim (horizon), waarbij de grote spiegel met een wijzer (alhidade) welke langs een gradenrand wordt verplaatst, zodanig versteld wordt dat hemelichaam en kim voor het oog samenvallen. Op de gradenrand is nu de hoek/hoogte van het hemellichaam af te lezen.
Wanneer bij de marine de adelborsten om 12 uur 's middags op de brug de middagbreedte met het "olie- en azijnstel" aan het meten waren, werd dat de "muziektent" of "muziek op de brug" genoemd. Waarschijnlijk omdat dit gezamenlijk door de sextant "loeren" op een groep muzikanten met blaasinstrumenten leek. Een adelborst werd door de officier-instructeur gevraagd: "Hoe brengt men de zon op de kim?" De adelborst antwoordde: "Wachten tot zonsondergang meneer" [Chb3]. Het middagbestek dat tot ver in de vorige eeuw nog werd uitgevoerd, stamt uit de tijd van de breedte-navigatie, toen een bepaling van de geografische lengte buiten zicht van land nog niet mogelijk was. Het was niet alleen uit traditie blijven bestaan, maar ook uit de goede gewoonte om, indien mogelijk, eens per etmaal en wel op de ware middag de positie te bepalen. [Me5].
Shanty Een shanty is een werklied dat aan boord van grote zeilschepen werd gezongen bij eentonig en zwaar werk. Een matroos die de kunst verstond om à capella luid en ritmisch refreinliederen te zingen, fungeerde als shantyman. De refreinen werden meegebruld door de rest van de bemanning, waarbij op het ritme uit volle kracht werd geduwd, getrokken of gelopen; pompliedjes, haalliedjes of gangspilliedjes. De Engelse taal leende zich hier bijzonder voor en leverde de meest succesvolle zeemansliederen. Een extra impuls gaven de Amerikaanse negers, die in grote getale de schepen kwamen bemannen. De haalliedjes werden onderverdeeld in runaway shanties voor het in de maat lopend aanhalen van de lijnen, halyard shanties voor de lange forse halen bij het hijsen van de zeilen en shortdrag shanties met een fel ritme voor de laatste korte korte halen. Op marineschepen werd gehaald op het tempo van het bootsmansfluitje: "poelen op de fluit". Shanties gingen over vrouwen, zeemeerminnen, dubbelzinnigheden, bijgeloof, tragedies, moedige avonturen en zeemansdromen en natuurlijk over het eten. Vaak verzon de shantyman ter plekke nieuwe coupletten. Het was in die tijd uit den boze om werkliederen aan wal of in een kroeg te zingen. Dat bracht alleen maar ongeluk. Bij liederen die na de arbeid werden gezongen, de matrozenliederen of forebitters, kon dat wel en kwartierliederen gaven ook geen bezwaar. Velen van ons zongen dit soort liederen al op de kleuterschool. Wat te denken van: "Daar was laatst een meisje loos" en wie brulde niet tijdens een schoolreisje: "What shall we do with the drunken sailor", of bij de zeeverkenners Clementientje (Oh my darling Clementine)? Een lied als "The good ship Venus" was echter minder geschikt. Hier twee strofen:
On the good ship "Venus"
You really must've seen us
Our figure-head
Was a whore in bed
And the mast a phallic genus.
The captain's daughter Mabel
To fuck she wasn't able
So the dirty shits they nailed her tits
right to the chartroom table
Met captain's daughter werd overigens de cat-o'-nine tails (de karwats) aangeduid.
Verwant: kaapstander, psalmboek. Bronnen "Afzien op zee" en "Spiegel der Zeilvaart".
Signaalhoorn Elk schip moet een signaalhoorn aan boord hebben. "Een mechanisch werkende geluidsinstallatie dan wel een geschikte scheepstoeter of hoorn" (art 4.01 BPR), zie luchthoorn.
SI-keuring De scheepvaartinspectie (thans ILT) voert veiligheidskeuringen uit voor beroepsmatig gebruikte schepen en zeegaande pleziervaartuigen kleiner dan 24 meter. Je zou kunnen zeggen de APK op het water. De voortstuwing (motor) wordt buiten beschouwing gelaten. Kijk voor nadere uitleg op www.ilent.nl.
Sintelen
Bij sommige overnaads gebouwde schepen, maar vooral bij klinkerbouw werd het werk in de naden met duizenden platte metalen plaatjes (sintels) vastgezet. Men maakte de naad eerst zeer wijd, sloeg deze vol werk, dekte dat af met een moslat en zette deze vast met ovale ijzeren plaatjes met oren, die zich bij inslaan vastzetten in het hout.
Sjouwerman Sjouwerman is de benaming van een type boot en een stoppersknoop.
Skûtsje Het skûtsje is van oorsprong een snel zeilend houten tjalkje van zo'n 12 meter lang uit het Friesland van midden 19e eeuw, speciaal ontwikkeld voor het vervoer van terpmodder over ondiep en nauw water. Toen men in de 19e eeuw ontdekte dat de eeuwenoude terpen zeer vruchtbare grond bevatten, ontstond een specifieke vorm van binnenvaart. Met de toenmalige tjalken, bolscheepjes, pramen en snikken begonnen de Friese en Groningse schippers terpaarde naar de armere zand- en veengronden te vervoeren. Om de een of andere reden werd snelheid belangrijk. De Friezen noemde die moddervaart niet voor niets Kleare kriich (pure wedstrijd). Zo zou het skûtsje ontstaan zijn.
Sleepschip Sleepschepen waren grote motorloze schepen speciaal ontworpen om gesleept te worden. Het waren de voorlopers van de huidige duwbakken. In de overgang van zeil- naar motorvaart aanvankelijk vooral (Rijn)aken en samoreusen waarvan het zeiltuig verwijderd was en waarvan de schipper de dure ombouw naar motoraandrijving niet verantwoord achtte. Later speciaal voor dit doel gebouwde ijzeren schepen (sleep- of vrachtkanen) met een extra groot roerblad en zeer groot meest horizontaal geplaatst stuurwiel, want in kanalen met lage bruggen diende de bovenkant van het stuurhuis verwijderd te worden en was een vertikaal stuurwiel te hoog.
Slemphout Ook wel doodhout. De klos hout, of meerdere klossen, in de hoek die wordt gevormd tussen de kiel en voor- of achtersteven van een houten scheepsromp [voor- en achterslemphout] ter versteviging en opvulling van de verbinding kiel-stevens. Dient tevens als drager voor steekspanten. Op ijzeren schepen heeft slemp- of doodhout dezelfde betekenis gehouden, hoewel het woord hier in het bijzonder betrekking heeft op het scherpe gedeelte van de romp onder de schroefas, dus het opgevulde gedeelte tussen kiel en schroefsteven. Het werkwoord slempen betekent heden ten dage "grond met water doordrenken voor een stevige aansluiting", maar ook brassen in de betekenis van overdadig eten en drinken.
Zie ook binnenvaarttaal.
Slepen Het zal ooit een keer voorkomen dat je het schip van een pechvogel naar veilige haven wilt slepen. Dat is lastiger dan je denkt. Het ligt voor de hand daarvoor een achterbolder te nemen en vaak kan dat ook niet anders. Eigenlijk zou het trekpunt ongeveer in het midden (de midscheeps) van je boot moeten liggen, want de roerwerking wordt enorm tegengewerkt door de sleeptros die de achterkant van de "sleepboot" in rechte lijn wil houden. Echte sleepboten hebben het vastmaakpunt, de beting, dan ook net achter het midden. Op smalle vaarwateren kan je het beste twee korte kruislings aangebrachte lijnen nemen (plaatje 1) of het te slepen schip, mits niet te groot, langszij binden (popoffen) met op ieder schip een lijn van voor naar achter plus voor en achter een lijn dwarsover (plaatje 2). Uiteraard niet zuinig zijn met fenders.
Op ruim water is echter een enkele lange sleeplijn van minimaal drie scheepslengten de beste oplossing. De sleeplijn wordt vastgemaakt aan een achterbolder, waarna de lijn naar het midden van de spiegel getrokken wordt met een spruit naar de andere bolder (plaatje 3). Zo voorkom je dat de "sleepboot" scheef getrokken wordt. Verder is het op ruw water aan te bevelen in het midden een dreg o.i.d. te bevestigen. De lijn komt dan door het gewicht met een ruime bocht omlaag te hangen en als de gesleepte boot een golf pakt, zal de lijn eerst strak komen te staan, waardoor de ruk aan het dekbeslag gedeeltelijk opgevangen wordt. De slechtere manoeuvreerbaarheid is hier minder belangrijk, maar vraag het gesleepte schip in ieder geval bij een bocht naar de buitenkant te sturen. Denk eraan dat bij het beleggen van de lijn het trekkend deel aan de onderkant van bolder of klamp komt met de slagen kruislings daarboven. Als je het andersom doet is het door de trekkracht onmogelijk de lijn in noodgevallen los te krijgen.
Bij grote schepen voert de sleepboot als dagmerk een gele cilinder met zwarte banden en het gesleepte schip (sleepschip) een gele bol, Art 3.9 BPR, maar dit artikel geldt niet voor kleine schepen die slepen of gesleept worden. In het BPR is een klein schip een schip met een lengte van minder dan 20 meter. Een professionele sleepboot van minder dan 20 meter wordt - mits hij een groot schip sleept - daarom beschouwd als een "groot" schip. Als watersporter (minder dan 20 meter) hoef je bij slepen geen tekens te voeren; sterker nog, het mag zelfs niet. Verwant: hulploon.

1) kruislings aangebrachte lijnen

2) langszij binden (popoffen)

3) lange sleeplijn met spruit

Een waardevol boekje over slepen is NAUTISCHE TECHNISCHE SLEEPTRAINING van Scouting Zuid-Holland uit 1996. Het is als PDF bestand te downloaden en staat boordevol goede tips over het slepen van meerdere boten en slepen in het algemeen. Begin op pagina 54. De gedateerdheid is niet van belang, hooguit waar het sommige verwijzingen naar het BPR betreft. Dat is in 2004 herzien.
Slikbak en Slikslee Bij de zeedijkvisserij in Friesland werd naast de haringboot voor open water op het droogvallend wad, maar ook op kwelders in Zeeland, gebruik gemaakt van slikbakken en sliksledes, of zoals je wilt -sleeën. De benaming slijkbak komt ook voor. De bakken en sledes hadden een licht oplopende bodem naar voor- en achterzijde. Het was de manier om schelpdieren of zeekraal te vervoeren en jezelf sneller te kunnen verplaatsen.
Slingeren Eén van de drie rotatiebewegingen van een schip.
Slip Omdat de scheepsschroef nu eenmaal niet in een vaste massa draait krijg je bij inschakelen te maken met een uitgestelde reactie van je schip, de slip van de schroef. De duur is per schip verschillend en heeft te maken met het gewicht en vorm van de romp en uiteraard met de grootte, aantal omwentelingen en spoed van de schroef. De slip is omgekeerd evenredig aan het wieleffect. Een kleine sneldraaiende schroef met weinig spoed geeft meer slip dan een grote schroef met veel spoed en weinig omwentelingen. De uitdrukking "op slip liggen" wordt gebruikt om aan te geven dat het schip vaarklaar is, nadat voor- en achterspring zijn losgenomen en het aantal meerkabels tot een minimum is beperkt. Verwant wieleffect, klarenzie.
Sloep Klik op zeevaart en/of visserij. Zie ook bootjeschaos in Amsterdam. Op geen enkele sloep is een correcte vlagvoering te bekennen. Wel soms de vlag van Amsterdan aan een gebogen stok. Zelfs de rondvaartboten van Amsterdamse "Reederij P. Kooij" varen zonder natievlag.
Slof Was een vrij groot open Rijnschip.
Sluiphaven Een vluchthaven? In zekere zin. Van Lennep spreekt over een door rotsen en geboomte bedekte haven, waar zeerovers of sluikers (smokkelaars) zich bergen. Sluiphaven was tevens een oude benaming voor het vooronder van een schip, ook wel zak genoemd.
Sluislicht De doorgang van een schutsluis of beweegbare brug wordt geregeld met rode en groene lichten.
De lichten kunnen aan bakboord, stuurboord of beide zijden staan.
Het kan gebeuren dat de sluisdeur opengaat zonder dat er een schip uitkomt of reeds openstaat met het licht toch op rood. Vaar niet naar binnen. Rood betekent altijd "invaart verboden". Het kan best zijn dat de sluismeester vergeten is het licht op groen te zetten, maar het kan ook zijn dat er een andere reden is. In zo'n geval is een aandachtsein of marifooncontact de enige juiste weg.

In bedrijf

enkel rood
in- of uitvaart verboden.
rood groen
in- of doorvaart verboden,
gereed maken om te varen.
enkel groen
in-, uit- of doorvaart toegestaan.

Buiten bedrijf

dubbel rood
invaart verboden.
(geen bediening)
dubbel groen
sluis staat aan beide zijden open, doorvaart toegestaan.
Sluitingen Sluitingen, sluitings of leuvers, om touwen, staaldraad of ketting ergens aan te bevestigen zijn er in vele soorten en modellen. De meest gangbare soorten met hun benaming zijn hier te vinden.
Sluizen
(het schutten)
Het "sluizen", het passeren van schutsluizen geeft nogal eens moeilijkheden en frustraties. Krachttermen (achteruitbidden) tekenen een slechte schipper. Stuur- en aanlegfouten maak je zelf, geef nooit een ander de schuld.
Zorg dat fenders aan beide zijden uithangen en de meerlijnen die gebruikt gaan worden opgeschoten (in lussen) klaar liggen. Gebruik daarvoor lijnen waarbij aan één zijde een groot oog gesplitst is (paaloog). Als je moet wachten vaar dan zo ver mogelijk aan de wachtsteiger naar voren. Volgens artikel 6.28 van het BPR moet de sluis in volgorde van aankomst worden ingevaren. Als je ergens halfweg aan de steiger ligt vraag je erom dat een andere schipper uit frustratie niet alleen voor je gaat liggen, maar ook eerder naar binnen vaart. Bij erg drukke sluizen is het echter verstandig dat de eerste twee tot drie schepen naast elkaar afmeren, daarachter de volgende enz. Doe je dat niet en de wachtsteiger ligt vol, dan zal het laatst aangekomen schip langszij het voorste schip gaan liggen en (als de schipper het niet netjes doet) als eerste of tweede worden geschut. Vaar in de sluis ook zo ver mogelijk naar voren tenzij de sluismeester anders aangeeft en sluit goed aan op het voor je liggende schip. Vaar de sluis - zeker als een sluisbrug open staat - in een vlot tempo binnen. Als de sluismeester niet aangeeft aan welke zijde je moet gaan liggen kies dan als volgt:
Heeft je boot een rechtsdraaiende schroef, neem dan bakboordzijde en bij een linksdraaiende schroef stuurboordzijde. Je maakt dan gebruik van het wieleffect van je schroef. Zie ook afmeren.
Staat er veel wind dwars op de sluis, kies dan, zeker bij opschutten, de zijde waar de wind vandaan  komt. Het wegvaren van hogerwal is straks een stuk gemakkelijker.
Vastleggen
De gemakkelijkste manier van schutten is met één lijn (de draad) aan de middenbolder. Doe dit echter niet als je de sluis niet kent en nog niet weet hoe snel geschut wordt. Soms kan het in een sluiskolk aardig te keer gaan. Pak met beide handen de uiteinden van de opgeschoten meerlijn stevig tussen duim en wijsvinger. De tussenliggende lussen laat je losjes op de andere vingers van de naar elkaar toegebrachte handen rusten. Nu werp je de gehele bundel met beide handen tot ver achter de haalpen (sluisbolder). De uiteinden blijven uiteraard stevig tussen duim en wijsvinger van beide handen vast. Met wat oefenen op een stil plekje is de handigheid zo verkregen. Het aangesplitste oog leg je om de bootbolder. Het andere eind trek je rustig naar je toe tot de lijn achter de haalpen haakt en beleg deze een aantal slagen op de bootbolder. Zet de lijn nooit vast! Als voldoende handigheid in het werpen is verkregen kan het oog ook eerst om de bootbolder gelegd worden, waarna met het andere uiteinde stevig in de hand de lijn om de haalpen geworpen wordt. Beroepsschippers zie je wel het paaloog om de haalpen werpen en de enkele lijn op het schip beleggen, maar met omlaag schutten in een sluis zonder verhaalpotten is het met flink verval erg lastig het oog weer van de hoge haalpen af te krijgen.
Motor uitzetten
In de sluis moet de motor worden afgezet om hinder door uitlaatgassen te voorkomen. Er wordt dan vaak verwezen naar BPR art 6.28 lid 9e. Toch zegt het artikel niets over uitzetten van de motor: Een schip mag, zodra het is gemeerd en totdat het aan de beurt is om uit te varen, geen gebruik maken van zijn mechanische middelen tot voortbeweging. Voor sommige oudere/historische schepen met middeldruk motoren is het uitzetten bijna ondoenlijk, want het voorbereiden tot herstart, incl. verwarmen kost al gauw meer dan tien minuten, met soms een sluisvullende rookwalm :-) Uiteraard heeft de sluismeester het laatste woord.
Schutten
Als het schutten begint verminder je het aantal slagen tot één en laat bij zakken de lijn onder spanning rustig vieren of haal bij stijgen de lijn in. Trek het schip niet vast tegen de sluiswand. Als tijdens schutten door een moment van onachtzaamheid (kletsen met een andere schipper b.v.) een lijn toch vast loopt raak dan niet in paniek. Meestal is het snel vieren van de andere lijn voldoende om de vastgelopen lijn te lossen. Pas in het uiterste geval moet een scherp mes uitkomst bieden.
Bij sluizen die een verbinding vormen tussen zoet en zout water staat stroom. De stroom loopt van zoet naar zout en het is verstandig als je de stroom mee hebt eerst achter vast te maken, zodat een afzwaaiend voorschip met de motor stationair in vooruit weer bij de wal gebracht kan worden.
Uitvaren
Het uitvaren geschiedt in volgorde van binnenkomst tenzij de sluismeester anders aangeeft. Dit kan het geval zijn bij gezamenlijke schutting met beroepsvaart. Als b.v. wordt omgeroepen "Pleziervaart eerst", is het de bedoeling dat de jachten die naast het voorste grote schip liggen als eerste uitvaren. Daarna het grote schip en dan pas de jachten erachter. Als daar ook weer een groot schip ligt met jachten ernaast, moet hetzelfde gebeuren. Het is dus bij zo'n aanwijzing niet de bedoeling dat ALLE jachten zich als eerste naar buiten wurmen. De linker afbeelding is naar een voorbeeld uit Waterkampioen nr 17 van 2000. De rechter foto een claustrofobische ervaring van het sluizen van klein naast groot.

Veilig door de sluis.
Een filmje van Waterkampioen.
Hoog of laag?
Je hoort opvarenden vaak vragen: "Gaan we omhoog of omlaag?". Kijk naar de puntdeuren van de sluis. De kant waar de punt van de V-vorm naar toe wijst is de hoge kant. Bij hefdeuren kijk je of de sluiswand nat is, zo ja, dan ga je omhoog. Op waterkaarten kijk je naar de richting van het sluissymbooltje » of «.
Berucht
Een van de lastigste sluizen in Nederland is de kleine kolk van de Noordersluis bij Utrecht, waar het Merwedekanaal het Amsterdam-Rijnkanaal kruist. Het schutten op zich verloopt niet anders dan bij andere sluizen, maar de snel (tot 18 km/u en harder) varende grote schepen op het AR-kanaal kunnen bij geopende zuidelijke sluisdeuren een plotselinge rijzing en daling in de sluiskolk veroorzaken. Het niveauverschil tot een paar decimeter in enkele seconden gaat gepaard aan een enorme zuiging en zorgt voor ronduit gevaarlijke toestanden. Niet zelden knappen meerlijnen of beuken boten met geweld tegen elkaar. Het is zaak ledematen binnenboord te houden, niet handmatig te gaan afduwen en zeker niet een reling te grijpen om je staande te houden. Dat heeft iemand al eens een paar vingers gekost! Ook de oversteek bij de Noordersluis en Zuidersluis wordt door veel schippers als gevaarlijk ervaren. Het is duvelsgoed uitkijken en na de oversteek af te raden vast te maken in de wachtkom. De langsvarende schepen geven zoveel zuiging en golfslag dat het beter is op de motor te blijven dobberen. In 2002 zei sluismeester Cees van Dijk van de Noordersluis dat ze alleen maar water in het AR kanaal hebben laten lopen omdat het anders zo stuift als die snelle jongens voorbij komen...
Bedieningstijden
Bedieningstijden van bruggen en sluizen zijn op de site van Rijkswaterstaat te vinden. Je kan daar een pdf-bestand downloaden of een applicatie starten waarmee gezocht kan worden op brug, sluis of vaarweg. Tevens zijn marifoonkanalen en telefoonnummers vermeld. De informatie wordt maandelijks ververst.
Aanrader: het artikel sluizen van collega Pieter Klein op Binnenvaarttaal dat in finesse uitlegt hoe een schutsluis werkt.
Verwant: koppelsluis, trapsluis, spaarsluis, waaiersluis, getijdesluis.
Slijter Ja hoor..., wie zal niet weten wat een slijter is. In scheepstaal is het echter ook de benaming voor een schip dat rijp is voor de sloop (verzuipschuit), of de aanduiding voor een scheepssloperij.
Smak De smak was een kustvaarder, waddenvaarder en binnenvaartuig voor de vaart op Frankrijk, Engeland en Scandinavië en wel gezien als het kleinere zusje van de kof. In de Nederlanden ook gebruikt als beurtvaarder. Smakken waren reeds in de vaart in het begin van de 16e eeuw.
Smaldeel Smaldeel is een nog niet zo oude (eigenlijk pas in gebruik na WO-II) en typisch Nederlandse benaming voor een gedeelte van de oorlogsvloot ook wel aangeduid als "eskader" in omvang varierend van 3 tot niet meer dan 10 schepen. De betekenis is "onderdeel of gedeelte van" en wordt zowaar ook gebruikt bij de luchtmacht. Zo is er b.v. sprake van een "smaldeel vliegopleidingen" of een "smaldeel helikopters". In NAVO verband spreekt men over "task forces". De luchtmacht kent meer benamingen uit de scheepvaart. Het vakjargon "kist" komt ook uit de scheepvaart. Het is gewoon een ander woord voor schip. (waar gaat die kist naartoe?) [TvhW]. Verwant: flottielje.
Smarten Om schavielen van touw tegen te gaan kan de bedreigde plek omwikkeld worden met repen (zeil)doek, een stuk opengesneden slang of ander stevig materiaal: de smarting. Oude benaming: slabbing of schurftplatting. Bij het omwikkelen met een reep doek dient rekening gehouden te worden met afwateren. De slagen worden overlappend "naar de hemel toe" gelegd. Bij dikker touw is vooraf trenzen noodzakelijk. Ook werd als bescherming wel gebruik gemaakt van een koker van bamboe, hout of ijzer en tegenwoordig van kunststof slang. Zo'n (half)ronde koker heet een schotsman.
Smeerreep
Het eind waarmee je bij het zetten van een rif, de rifleuvers/reefkousen in het voor- en achterlijk al dan niet door een klaploper naar de giek toehaalt. De smeerreep wordt voor de zekerheid vaak nog geborgd met een steekbout of bindsel tegen onverwacht breken of losraken. Uit de handleiding tot scheepsbesturing van J. Franch uit 1825: "Men steekt op de nokken van de onder raa's aan iedere zijde een staartblok, door dit blok vaart een rif schenkel, zijnde met het eende einde in de leuver van het onderste rif ingebonden, en in het andere einde is eene kous gesplitst, men neemt de klaplooper, haakt het eene blok aan het ezelshoofd, en het andere in de kous van de rifschenkels, men geit het zeil en haalt de rifschenkel voor, en ook de buikgordings, dan entert het volk uit, en reeft even als bij een marszeil, eerst den steekbout te loefwaart, dan aan lij, dan het rif met kleine broekings opgenomen, en de rifsijzings met platte knoopen vastgeknoopt, zorgdragende, dat de marszeils schoten niet ingeknoopt worden".
Snars
(Beer)
Ook wel snoes, beer, jut of dovejut. De "beer" gaf visserschepen als b.v. schokker, bons of hengst een markant vooraanzicht en werd dan veelal gebruikt als geleider voor de reep van het vistuig. Tegenwoordig gewoon boegrol of ankerrol genoemd. Het is de constructie, die bestaat uit twee zijplaten met daartussen een rol, waarover de ankertros of ketting loopt. Een moderne snars kan zelfs kantelen.
Snauw De snauw was een lang, laag, klein en vooral snel schip met scherpe boeg uit het eind van de zeventiende eeuw, dat voor de kust- en binnenvaart werd gebruikt, maar ook als adviesjacht bij de oorlogsvloot. De snauw voerde achter de grote mast onder de mars een dunner rondhout [snauwmast of dodeman], waaraan het snauwzeil kon worden gehesen.
Snelheid Een toerenteller is met behoorlijke nauwkeurigheid als snelheidsmeter te gebruiken Zie kilometerraai.
Snelle
motorboot
Het BPR kent voor "snel" twee begrippen. Een snel schip en een snelle motorboot. Een snel schip is groot motorschip, dat met een snelheid van meer dan 40 km per uur ten opzichte van het water KAN varen. Een snelle motorboot is een klein schip dat, bij gebruikmaking van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, sneller dan 20 km per uur ten opzichte van het water KAN varen. Het begrip is dus niet gerelateerd aan het vermogen van de motor en ook niet aan het feit of daadwerkelijk met die snelheid wordt gevaren. Een kleine opblaasboot zal b.v. met 3,68 kw (5 pk) al harder dan 20km kunnen varen; een grotere boot heeft daar veel meer voor nodig. Bij de ANWB, afdeling watersport 070-3145020 is de brochure "Snel motorbootvaren in Nederland" te verkrijgen. In deze informatie is een overzicht opgenomen van de wateren waar het varen met onbeperkte snelheid en waterskiën is toegestaan en onder welke voorwaarden.
Zie ook de folder Regels en vaargebieden voor snelle motorboten van Rijkswaterstaat.
Praktijkles in een snelle motorboot bij o.a. Vaarschool Muste in Diemen.
Voor hellingen per plaats of vaarweg zie: Trailerhellingen.
Zie ook het trefwoord plané.
De volgende algemene regels zijn van kracht:
- De bestuurder moet tenminste 18 jaar zijn en dient in het bezit te zijn van een Klein vaarbewijs, dat op eerste vordering getoond moet worden. Voor Westerschelde, Oosterschelde, IJsselmeer, Markermeer, Waddenzee, Eems en Dollard is Vaarbewijs II noodzakelijk. Het is niet meer (1-1-2011) toegestaan zonder papieren onder toezicht te varen van iemand die wel het vaarbewijs heeft. De boete voor het varen zonder geldig klein vaarbewijs bedraagt maar liefst € 420,- 
- De bestuurder moet de verplicht aanwezige dodemansknop gebruiken, zodat bij onderbreking van de besturing, bijvoorbeeld bij onwel worden, de motor uitgeschakeld wordt, maarr..dat geldt niet voor een gesloten binnenbesturing, want de regelgevers hebben bepaald dat je daar niet onwel kan worden.
- De bestuurder van een snelle motorboot moet tijdens het varen zijn gezeten op de voor hem/haar bestemde zitplaats. Wanneer hij/zij staande stuurt is hij/zij verplicht een reddingsvest te dragen. Ook dit geldt niet voor het sturen vanaf een gesloten binnenbesturing.
- De snelle motorboot dient voorzien te zijn van een registratienummer (het Y-nummer, aanvraag bij postkantoor). Dit nummer moet van bepaalde afmetingen zijn en duidelijk leesbaar op beide zijden van het vaartuig aanwezig zijn. Het bijbehorende registratiebewijs dient ook op eerste vordering te worden getoond.
- Voor iedere opvarende moet een drijfmiddel aan boord zijn.
- De stuurinrichting dient deugdelijk te zijn.
- Er moet tenminste één brandblusapparaat aan boord zijn.
- De uitlaat dient deugdelijk en geluiddempend te zijn, zodat geen geluidshinder veroorzaakt wordt.
Zie ook: boetes op het water en consoleboot.
Snik De snik of "snikke" was een scheepje van ongeveer 15 meter lang met luiken. De benaming is al heel oud. In 1311 wordt te Wismar een snicka vermeld en nog verder teruggaand komen we bij de drakar en de sneckar van de Noormannen. Het feit bewijst slechts hoe hardnekkig sommige van die oude scheepsbenamingen zich door de eeuwen heen hebben weten te handhaven [Petr].
Snurrevaad Snurrevaad is een Deense benaming voor een moderne vorm van grond-ankerzegenvisserij. Bij Nederlandse vissers beter bekend als snurrevisserij of "snorren". Het is een vismethode waarbij twee lange zegentouwen aan een "puntzaknet" (lijnen van 3 km lang) in een groot vierkant op de zeebodem worden uitgelegd. De methode kan alleen overdag gebruikt worden bij een vlakke bodem en goed zicht. De vis die de lijn ziet liggen zal deze vreemd genoeg niet oversteken en binnen het vierkant blijven. Wanneer de lijnen nu door het voor anker liggend schip langzaam worden binnengehaald wordt het vierkant steeds kleiner, waarbij de vis uiteindelijk onbeschadigd in het net terecht komt dat zich binnen het vierkant bevindt. Verwant: flyshooter, jiggen, pulsvisserij.
Solenoid Een solenoid is een elektromagneet (spoel) waarvan de kern met kracht mechanisch naar binnen getrokken wordt. Deze eigenschap wordt bij dieselmotoren gebruikt om de brandstoftoevoer te sluiten en de motor te laten stoppen. De solenoid wordt dan ook wel stopmagneet genoemd. De brandstofafsluitklep kan dan met een drukknop (stopknop) op het dashboard of terugdraaien van de contactsleutel gesloten worden, waardoor een lange trekkabel overbodig is. Bij gebruik van een trekkabel gebeurde het nog wel eens dat de motor niet meer gestart kon worden omdat vergeten was de kabel terug te duwen en de brandstofklep dus gesloten bleef.
Solenoidspoelen zijn vooral bekend van de electro-mechanische flipperkasten van voor 1977, waarbij de pinball bij elke hindernis met een een ping of bel naar een willekeurig andere hindernis werd gekaatst om door de schuinte van de kast met wat geluk uiteindelijk bij de flippers terecht te komen en met de juiste flipper en veel ervaring naar een goede plek bovenin teruggeschoten kon worden. Hoe vaker dat lukte hoe meer punten. Bij een misser verdween de bal in het opvangbakje.
Somp Somp, zompe, zoomp of reggeschip, ook wel praam. Het is de Overijsselse naam voor een varkenstrog (varkenszoomp), maar duikt als aanduiding voor dit scheepstype - dat ontstaan zou zijn uit de veel oudere pot - voor het eerst rond de 17e eeuw op. De zomp is een eigenzinnig sloepvormig, maar platbodemd open rivierscheepje van ca 12 meter met een naar binnen gebogen voorsteven en een naar achter taps toelopend vlak. De rechte opgeboeide boorden (zijkanten) met zijzwaarden zijn afneembaar en verbonden d.m.v. krombouten.
Sopers P.J.V.M. Sopers was een bewonderaar van de oude Nederlandse scheepsbouw. Hij heeft zich in zijn tijd door veel speurwerk en interviews op de hoogte gesteld van verdwijnende binnenschepen. Hij maakte naast zorgvuldige beschrijvingen ook foto's, opmetingen en tekeningen. Helaas was bij zijn overlijden in 1941 nog niets gepubliceerd. De aantekeningen werden door H.C.A. van Kampen bewerkt en uitgegeven onder de naam "Schepen die verdwijnen". Inmiddels behoort dit tot de standaardwerken over onze scheepvaarthistorie en wordt regelmatig geciteerd.
Sorglijn Oude benaming voor de borglijn van een aangehangen roer, ook wel roerstrop. Bij grote schepen werden wel talies toegepast en heetten dan stoottalies.
Spannings verlies
Een te dunne stroomdraad geeft vooral bij gelijkstroom onnodig spanningsverlies en is door warmteontwikkeling gevaarlijk. Een zeker verlies is niet te vermijden, elke stroomdraad heeft weerstand. De toe te passen dikte van stroomdraden is te berekenen, waarbij je bijvoorbeeld uitgaat van een acceptabel verlies van rond de 5%. (Het classificatiebureau Germanischer Lloyd spreekt over maximaal 5% voor navigatieverlichting en 7% voor overig gebruik).
De volgende formule wordt gehanteerd waarbij 0,0175 staat voor de koperfactor (soortelijke weerstand bij 15° C).
Voorbeeld kajuitlamp 24 Watt bij een spanning van 12V, afstand tot schakelpaneel 8 meter.
Bereken eerst de stroomsterkte I met de formule Ampère(I) = Watt / Volt, dus 24 / 12 = 2
Acceptabel verlies 5% van 12V = 0,6V.
Draaddoorsnede wordt dus: [2 x 8 x 2 x 0,0175] / 0,6 = 0,93mm.
Bij de eerstvolgende standaard doorsnede betekent dit een draaddikte van 1mm.
Bij zwaar verbruik kan de vuistregel: draaddoorsnede = stroomsterkte (A) gedeeld door drie gehanteerd worden. Zie ook onderstaande tabel van ASA met draaddiameters en maximale stroombelasting in ampères.
diameter in mm één-aderig twee-aderig drie- en vier-aderig
1,5
2,5
4
6
10
16
25
35
50
70
12
17
23
30
41
54
71
86
106
132
10
15
20
25
35
45
59
71
88
110
8
12
16
21
28
38
50
61
74
92

Op de site van het Ms Sunshine is een handige applicatie te vinden om de juiste kabeldikte te berekenen.  Kies in het menu voor "kabeldikte". Na invullen van de gevraagde gegevens is merkwaardigerwijs geen klik beschikbaar. Het laatste (derde) veld moet beantwoord worden met <enter>.

Spanten Het geraamte van een vaartuig. Bij houtbouw werd dat op twee manieren toegepast. Bij overnaadse bouw werden de spanten in de romp geplaatst nadat de huid gevormd was. Bij karveelbouw (gladboordig) werden eerst de spanten opgericht, waartegen naderhand de huid werd aangebracht. Bij grotere schepen konden de spanten niet uit een stuk gezaagd worden. Vanaf de bodem sprak men over een buikstuk, twee sitters en twee oplangen. Het grootspant is het voornaamste en breedste spant dat de wijdte of de breedte van het schip aangeeft en meestal ook de holte of diepte. De langsscheepse verbindingen heten strooklatten of senten. De dwarsscheepse balken waar de dekplanken op rusten heten zwalpen.
Spantenbier Spantenbier is te vergelijken met het ritueel van pannenbier in de huizenbouw met dit verschil dat spantenbier wordt gedronken bij het begin van de bouw en pannenbier bij het eind, althans het moment dat het hoogste punt van een gebouw is bereikt. Bij houten schepen begon de bouw met het leggen van de kielbalk. Daar werd dan eerst het grootspant op gesteld. Het stellen ervan was een uiterst nauwkeurige zaak, dat onder persoonlijk toezicht van de werfbaas plaats vond en door de beste vaklui werd uitgevoerd. Een kleine afwijking zou het schip scheluw en dus ongemanierd kunnen maken. Dat hierbij niet op 't oog gewerkt werd maar met winkelhaken van geweldige omvang is dan ook duidelijk. Stond het grootspant eenmaal, dan was er spantenbier en wapperde de vlag op de inmiddels ook aangebrachte scheg. Bij de aanbesteding werd er rekenig mee gehouden, want we vinden in een oud bestek o.m. "[...] en nog 3 Halv-vaten beste Bier tot een Drink-gelag".
Speeljacht Deze oude (Amsterdamse) benaming geeft geen specifiek scheepstype aan, maar werd in de 17e en 18e eeuw gebruikt voor pleziervaartuigen, min of meer voortgekomen uit het statenjacht, hoewel het spelevaren op het IJ en de Amstel eigenlijk met allerhande roei- en zeilvaartuigen geschiedde. Op afbeeldingen zien we naast forse stadschaloupen een diversiteit aan schuiten, steiger- en weischuiten, melkschuitjes, boerenschouwtjes, boeiertjes, jollen, noem maar op.
Spiegel Platte achterkant van een schip, ook wel bord of achterbord. De naam is vroeger ontstaan doordat dit gedeelte met glasruiten bezet en met lijstwerk opgesierd, op een afstand volkomen de gedaante ener grooten spiegel vertoonde. Positieve spiegel: spiegel die naar het wateroppervlak naar binnen loopt. Negatieve spiegel: spiegel die naar het wateroppervlak naar buiten loopt.
Spil Een spil is een horizontaal geplaatste windas, ook wel braadspil om b.v. het anker te lichten of gewoon een stuk rondhout (Spaanse spil) "dat matrozen gebruiken bij het stroppen van blokken en het inbinden van kousen" [vL]. Scheepsjongens werden wel voorover op het spil gebonden om gebritst te worden.
Spinnaker
Waar de jager of vlieger als voorste zeil bij een voor-de-windse koers op de boegspriet van b.v. een schoener wordt bijgezet voor meer stuwkracht, wordt een spinnaker bij moderne zeiljachten als voorste zeil bijgezet. De naam zou afkomstig zijn van het Engelse jacht "Sphinx", waarop dit type zeil voor het eerst werd gebruikt. "Sphinxer" werd verbasterd tot spinnaker. Het is een groot, bol gesneden, driehoekig zeil dat met behulp van een spinnakerboom vliegend wordt gevoerd aan de zijde waar het grootzeil niet staat. (te loevert) Er zijn vele vormen en soorten, die door de manier waarop ze gesneden zijn verschillen in bolling, breedte en hoogte. Het zeilen onder spinnaker vergt ervaring. Doordat het zeilpunt zich sterk naar voren verplaatst, is de kans op uit het roer lopen, of een Chinese gijp behoorlijk groot. De spinnakerboom [spi-boom] is het rondhout waarmee de spinnaker wordt uitgehouden, waarbij het ene uiteinde tegen de mast, en het andere in de halshoek [onderhoek] van de spinnaker steunt. Als lengte wordt meestal de afstand mast - boeg, of mast - onderzijde voorstag aangehouden. Het rondhout waarmee op dezelfde wijze een fok wordt uitgehouden heet fokkeloet.
Spits Ontstaan uit een doosvormig houten Belgisch binnenscheepje, dat in Walonië pointu, of péniche en in Vlaanderen en Nederland spits, dan wel penis of sigarenkistje werd genoemd. De Fransen zouden het een péniche flamande [vlaamse boot of aak] noemen, maar die benaming werd in Walonië ook gebruikt om een houten waal aan te duiden [HdeG]. De oorspronkelijke spits is afgeleid van dit plompe scheepje, maar kreeg spitse stevens. Later verdween dat kenmerk en werd de spits een stalen motorschip van 350 ton met  stompe voor- en achtersteven (bolle kont).
Spitsgat
Of spitsgatter. Uit Scandinavië afkomstige vorm van de achtersteven. Onder water een rechte sterk achterover hellende spits toelopende roersteven, in oorsprong met vissermanroer; boven water overgaand in een gekromde achtersteven. Een wat vollere en rondere vorm met iets meer overhang, een beetje het idee van een lepelboeg, noemt men een kano-achtersteven. Zo'n steven heeft meestal een ondergehangen roer. Een boot waarvan zowel de voor- als achtersteven spits is wordt wel double-ender genoemd.
Splitsen
Touw met elkaar verbinden door de strengen (kardelen) uit elkaar te draaien en op een bepaalde manier in elkaar te vlechten, vroeger splissen of splitten genoemd. Bij een oogsplits worden aan het eind van een driestrengs lijn, de kardelen losgedraaid en het touweind, de tamp, in een ronding van gewenste grootte naar zichzelf teruggebogen. Let daarbij goed op dat er geen kink in de kabel komt, d.w.z. laat de lus uit zichzelf terugvallen. Op het aanrakingspunt wordt over een lengte van zo'n 20cm het touw tegendraads ook in kardelen, al of niet met behulp van een marlpriem of splitsijzer, losgewrongen. De ruimte die aldus ontstaat heet een "tier". Je laat nu de tampkardelen daar losjes overheen vallen, met aan weerszijde van het 20cm stuk, een kardeel. Je begint met het kardeel dat bovenop viel tegendraads onder de corresponderende streng door te halen. Daarna met de draad mee de andere kardelen, steeds tegendraads doorsteken in een volgende tier. Bij een goede splits maak je het doorsteekrondje driemaal. Het is verrekte moeilijk zonder demonstratie uit te leggen; laat het dus een keer voordoen. In Waterkampioen nr 17 van 2001 staan afbeeldingen. Zeer verwant met de oogsplits is de Spaanse takeling, sjouwerman, hondeneind of hondepunt die voor de sier, of tegen rafelen wordt toegepast als geen bindselgaren voor een gewone takeling voorhanden is. De knoop wordt ook gebruikt als verdikking om een touw te beletten door een gat te schieten of als knuttel aan een puts. Het is eigenlijk terugsplitsen zonder oog. Je begint op dezelfde manier als bij de oogsplits met losse kardelen, maar fixeert die eerst met een kruisknoop. Buig één kardeel tot een lus, haal een tweede kardeel daardoor en sla het derde kardeel om de lus en tussen het tweede kardeel door terug. Trek de drie kardelen nu vast tot een knoop. Je kan daarna gaan "terugsplitsen" als bij de oogsplits. Kijk op KNOOPenzo, de site van Theo Slijkerman voor uitleg van diverse knopen en knoopwerken met veel foto's en instructietekeningen om af te drukken. Een tijdelijk oog werd ook wel gemaakt door het touw (of staaldraad) eenvoudig om te buigen en met een sluit- en popbindsel aan zichzelf vast te maken. Men noemde dit een strontje.

oogsplits

terugsplitsen zonder oog

tijdelijk oog (strontje)
Spoed Hoek waaronder de bladen van een scheepsschroef zijn geplaatst. De spoed wordt uitgedrukt in de theoretische afstand die een schoef in een vaste massa (zonder slip dus) bij één omwenteling voorwaarts zou bewegen. Door de spoed bij een gespecialiseerd bedrijf te laten vergroten of verkleinen wordt de weerstand en dus het stuwvermogen in het water beïnvloed. Het achteruit gestuwd schroefwater zorgt tevens voor druk op het roer, waardoor ons schip bestuurbaar blijft.
Als je mazzel hebt staan diameter en spoed op de schroef ingeslagen.
Voorbeeld: R 17/15 betekent Rechtsdraaiende schroef met een diameter van 17- en een spoed van 15 duim. Dit houdt in dat indien de schroef één omwenteling in een vaste massa zou maken, hij 15 x 2,54cm = 38,1cm vooruit zou gaan. Ook wordt wel de notatie 17x380R gebruikt. De spoed is dan in mm aangegeven. Voor watersportverenigingen zou het interessant kunnen zijn een spoedmeter aan te schaffen. Zo'n apparaatje is voor rond 200 euro verkrijgbaar.
Een ander begrip is de rake (schuinte). Het is de graad van achteroverhellen van de schroefbladen, welke mede bepalend is voor het verminderen van schroefgeluid. Het beste rendement van een schroef wordt overigens verkregen met een zo groot mogelijke diameter en spoed, gepaard aan een laag toerental. Helaas is dit zelden te realiseren, het blijft dus schipperen.
Verwant: slip, klapschroef.
Sportboot
Sportboot? Geen idee... Het RTL programma jotvizjun (YachtVision, inmiddels omgedoopt tot VaarTV) gaf echter uitkomst. Je weet wel, het tenenkrommende programma met Vivian Slingerland, Epco Ongering en ene "Ferdinand" die altijd weer bedrijven de gelegenheid gaven hun peperdure sloepjes met gebogen vlaggenstok en supersnelle jachten met een vanaf prijs van 750 duizend euro (zeg maar drie Ferrari's) te presenteren. We weten nu dus dat een sportboot veel power heeft, veel brandstof verbruikt, heel hard kan varen en heel veel golven veroorzaakt. Da's sport! In de jaren dat YachtVision bestond hoorde ik pas vanaf 2007 (mondjesmaat) dat voor snelle motorboten een vaarbewijs nodig is, maar het feit dat er nauwelijks gebieden zijn waar snelvaren is toegestaan werd achterwege gelaten. De branchevereniging Hiswa heeft over het begrip "watersport" overigens dezelfde visie. Zie foto. Verwant: watersport?
Sportvisser

Sportvisser is natuurlijk een verkeerd woord, tenzij je het vangen van vissen met een stevige ruk aan de haak door de bek SPORT noemt. Geen probleem want vissen hebben geen bewustzijn, dus van pijn is geen sprake. Een haak in de bek? So what? Ooit een vis horen gillen? Het gevecht van inhalen is toch eerlijk en sportief en we zetten het visje toch weer terug? Oh ja, het verwijderen van de weerhaak is soms lastig bij zo'n spartelend visje. Da's heus geen pijn hoor. Een karpervisser vertelde dat het vissen geweldig rustgevend is en hij een grote karper na terugzetten graag nog eens ving.
Sportvisserij en pleziervaart klikt niet altijd. Schippers ergeren zich aan de enorm lange hengels. Soms vraag je je af, of de visser niet beter met een kort hengeltje aan de overkant kan gaan zitten. Vissers ergeren zich aan de pleziervaarder die met ongewijzigde snelheid langs en niet zelden over zijn tuig vaart. Daarom de volgende tips:
Schipper: Matig je snelheid en passeer (indien mogelijk) met een ruime bocht. Het hoeft niet, maar de sportvisser zal je dankbaar zijn.
Sportvisser: Haal de hengel even op en zorg er voor dat je goed zichtbaar bent want de schipper ziet je meestal niet, terwijl ook de hengel geheel “wegvalt” in de achtergrond. Dat geldt vooral voor oevers met hoog opgaande begroeiing.

Situatie 1: juni 2002, het vaarwater Hoge Vaart in Flevoland. We varen van Zuid naar Noord. Nabij de afslag van de Larservaart zie ik duidelijk zichtbaar een aantal sportvissers. Ik rminder vaart en ga er met een ruime bocht omheen. Omdat het motorgeluid vrijwel wegvalt zien de sportvissers me pas tijdens voorbijvaren. Ik krijg een opgestoken duim.
Situatie 2: mei 2006, het Winschoterdiep ter hoogte van Hoogezand. Strak stuurboordwal varend ging ik over een vissnoer wat geroep van de kant opleverde. Ik was verbaaasd en ook wel beschaamd. Ik had de visser niet gezien.
Situatie 3: mei 2008, het vaarwater De Deelen in Friesland. De Noordelijke oever is met riet begroeid. Ik vaar in het midden van de ondiepe vaarweg met achter me een andere pleziervaarder. Opeens een harde stem: "Kan je niet uitkijken klootzak" terwijl een lange fiberhengel omhoog gehaald wordt. Inmiddels voorbij roep ik: "Sorry, ik had u niet gezien". (Het vissersplekje was een stukje platgetrapt riet). De man bleef schelden, waarbij het woord hufter nog het vriendelijkst was. Ik kan daar niet zo goed tegen.
Later bleek dat de bemanning van het andere scheepje de hengel ook niet had gezien. Hoe maak ik een sportvisser duidelijk dat een vishengel op zonlicht weerkaatsend water onzichtbaar is? Hoe maak ik 'm duidelijk dat hij degene is die op vaarwater moet uitkijken en niet de schipper?
Situatie 4: november 2011, de Waal. De waterpolitie heeft vijf amateurvissers in roeibootjes bekeurd omdat ze in potdichte mist een visstekje zochten. Een duwstel kon één van de bootjes ternauwernood ontwijken [Schuttevaer nov. 2011]. Kan het nog dommer en gevaarlijker?

Aansprakelijkheid: Schade aan vistuig op vaarwater is vrijwel altijd voor rekening van de hengelaar en schade veroorzaakt door een in de schroef vastgelopen vissnoer kan door de schipper geclaimd worden. Zeker wanneer de hengelaar geen voorzorgen heeft genomen om schade te voorkomen (goed zichtbaar en hengel ophalen). Denk verder aan ondiep water waar het schip niet goed kan uitwijken en aan druk bevaren water zoals Margrietkanaal of Winschoterdiep, waar kleine boten de walkant zullen en moeten aanhouden.

Sprenkel De Dikke Van Dale spreekt naast andere betekenissen over "een lus van een ankertros om een prop van een rijzen zink- of kraagstuk, dienend om de tros na het zinken weer te kunnen aflichten". In de zeilvaart is een sprenkel een rondhout of ander hulpstuk op of bij het draaipunt van een strijkbare mast om bij het maststijken of -hijsen voldoende spreiding te houden tussen voorstag en mast.
Spriettuig
Een tuigage waarbij het zeil dat met rakbanden aan de mast is verbonden, bij de tophoek wordt uitgehouden door een schuin rechtopstaand rondhout, de spriet of boom, die vanaf de mastvoet omhoog loopt. Omdat de spriet over de gehele lengte schuin omhoog langs het zeil loopt, staat het zeil slechts over één boeg goed. Over de andere boeg zal de spriet de bolling van het zeil tegenhouden. Het spriettuig was dus onhandig om mee te zeilen, want het zeil moest bij laveren over de spriet gezet worden. Het spriettuig schijnt evenals het driehoekige latijnzeil van Phoenicise of vroeg Griekse oorsprong te zijn. Het was een klein zeil aan de voormast dat gebruikt werd om het schip beter onder controle te krijgen. Geleidelijk aan - zoals blijkt uit afbeeldingen - begon die korte voormast meer en meer voorover te hellen en daaruit zou best de boegspriet kunnen zijn ontstaan. (Hendrik Willem van Loon).  Een gaffeltuig, waarbij het zeil aan de bovenzijde (bovenlijk) aan een rondhout, de gaffel, is gehangen kent dit bezwaar niet. Het sprietzeil wordt bediend door een schoot en twee gaarden of geerden. Het zijn de zijdelingse lijnen vanaf de nok van de spriet. Tot ver in de 19e eeuw voerden vrijwel alle kleinere vaartuigen nog een spriettuig. De Hoogaars van de garnalenvissers uit Arnemuiden zelfs tot in de 20e eeuw, maar nadat er in 1924 velen in een zware storm vergingen werd sindsdien het veiliger gaffeltuig gevoerd.
Spring Lijn die vanaf het voorschip naar achter (voorspring) en/of vanaf het achterschip naar voor (achterspring) op de wal of ander schip wordt uitgezet. Het "rijden" langs kade of ander schip wordt hiermee voorkomen. Bij druk bevaren water is het verstandig een lange spring te gebruiken. Een voorspring kan bij wegvaren (ontmeren) ook gebruikt worden als hulpmiddel om de achterzijde van het schip gemakkelijker van lagerwal te krijgen om daarna achterwaarts weg te varen. In dat geval spreekt men over een steekeind. De methode wordt bij hogerwal tijdens meren gebruikt om het achterschip bij de wal te krijgen.
Springvloed Zie getijwater.
Spruit Een vertakking (splitsing) in twee of meer delen van een ketting of lijn. Het woord wordt ook gebruikt om een eind touw of staaldraad, waarvan beide einden zijn belegd, mee te duiden. Zie ook magerman.
Spudpaal
Een spudpaal is een paal of dikwandige buis die bij werkschepen gebruikt wordt om op de werkplek stevig verankerd stil te kunnen liggen. De palen, meestal één op het voorschip en één op het achterschip steken als masten boven het dek uit en kunnen op de werkplek door het dek (soms in vrije val) naar beneden gelaten worden, zodat het schip stevig vast komt te liggen. Dit heeft weinig met watersport te maken zul je zeggen, ware het niet dat Hollandia Spudpalen telescopische spudpalen voor de pleziervaart levert. Je kan gewoon vanuit de stuurstoel met een simpele druk op de knop binnen luttele seconden volautomatisch afmeren. De spudpalen zijn ontworpen in samenwerking met TNO en DSM en kunnen ook op bestaande schepen vanaf 10 meter worden ingebouwd. Bovendeks zijn ze onzichtbaar en benedendeks worden ze netjes weggewerkt in een kast of ombouw. Denk er wel aan dat "spudden" hetzelfde is als ankeren. Op plaatsen waar een ankerverbod geldt mag ook niet gespud worden. In het BPR van 2016 wordt via een bord zelfs aangegeven waar spudpalen wel en alleen nog toegestaan zijn.
Spuigat Een gat in de verschansing, dek of waterloopklos voor de afvoer van regen- en buiswater. Ook als spijgat of spiegat. Verwant: Het loopt de spuigaten uit.
Squat Squat is het effect waarbij een vaartlopend schip inzinkt of vertrimt in smal en/of ondiep vaarwater. Deze UKC (Under Keel Clearance) verhoudt zich kwadratisch met de vaart door het water en is een typisch verschijnsel van grote, snelvarende schepen zoals passagiers- en containerschepen, maar ook pleziervaarders ervaren het in ondiepe slootjes:
Een varend schip verplaatst het water dat voor zijn boeg in de weg zit, naar achter zijn hek. Dus ontstaat er omstroming van de scheepsromp. Deels onderlangs, deels langs de boorden. Volgens één van de hydrodynamische wetten betekent stroming ook drukverlaging. En drukverlaging betekent waterspiegelverlaging. Oftewel, de druk rondom en onder een varend schip neemt (wat) af; en meer naarmate de snelheid hoger is. En de waterspiegel daalt. Het schip vaart eigenlijk in iets wat op een inslagkrater lijkt: Buitenom een ring van een verhoogde waterspiegel, gevolg van de drukverhoring door de botsing van het varende schip met het stilstaande water, maar daarbinnen een (extra) verlaagde waterspiegel door het snelle omstromen! En uiteraard zakt het schip mee omlaag, zonder dat het dieper komt te liggen! Dat is squat.
In ondiep water moet zich (per seconde) eenzelfde hoeveelheid omstromend water door de nauwere ruimte tussen zee- en scheepsbodem (en -boorden) persen, moet dus sneller stromen, veroorzaakt dus sterkere water-botsingen dus grotere druk-fluctuaties, rondom het schip meer drukverlaging, waardoor het schip dus (duidelijk) ook meer zal zakken! Dàt kan zelfs zo veel worden dat het schip zich op de bodem vastzuigt, en (bijna) tot stilstand komt! Vervelend als het zandgrond is, zoals hier, maar levensgevaarlijk (voor schip en alles en iedereen aan boord) als er toevalling een rotspuntje net boven het zand uisteekt.....
Zo heeft de Queen Elisabeth II in 1992 door een squat van ca. 2 meter, zware bodemschade opgelopen bij Cuttyhunk Island, terwijl  men volgens de zeekaart en rekening houdend met een squat van 60 cm voldoende water onder de kiel had. Maar... het schip voer op dat moment 24 knopen (ruim 44km/u). Gelukkig scheurde de rotspunt net niet door de binnenbodem, anders was het schip onherroepelijk "een paar meter....." gezonken!
Ziehier ook de oorzaak van aanvaringen van twee schepen die elkaar bij het inhalen te dicht naderen. Ook dan begint het tussen beide rompen extra hard te stromen (venturi effect) en dus te zuigen! En dan is er op een gegeven moment geen tegensturen meer aan. Die zuigkracht is (veel) groter dan de kracht die het roer kan opwekken....! En grappig (...): ook aan boord denkt men vaak dat door extra gas te geven de zaak te redden is. Ja, heel even wordt de roerwerking inderdaad beter, maar al gauw neemt het effect van de snelheidsvergroting over, en wordt de zuiging nòg groter!
Verwant: oplopen, hekgolf. Bron: AAdC.
SS en MS SS is de gebruikelijke duiding voor een stoomschip. Het wordt geschreven en uitgesproken als Het SS scheepsnaam, maar ook wel als De SS scheepsnaam. Hetzelfde geldt voor MS (motorschip).
Staandemast Alles over de staandemast route op www.staandemast.nl.
Staatsie
Of statie. Staatsie heeft met praal of plechtig te maken en geeft in het woordenboek als verklaring "sierstuk achter aan het bovenboord van schepen" We mogen dus aannemen dat het gebruik van statie (halte, station) verkeerd is. Staatsie in de binnenvaart is de constructie waarbij het boeisel grotendeels naar achteren en naar boven strookt, waarbij de onderzijden over de hekbalk lopen en de bovenzijden elkaar midscheeps raken, waardoor een driehoekige opening ontstaat, het staats- of hennegat, waar doorheen de helmstok binnenboord komt. Een staatsietjalk wordt ook wel hektjalk genoemd. Een staatsiepaviljoen had zowel een staatsie als een verhoogd achterdek. Een schip zonder hek of staatsie werd wel een draai-over-boord genoemd omdat het helmhout bij een grote roeruitslag tot helemaal buitenboord geduwd kon worden.
Staatsietrap
In de zeevaart vinden we staatsie terug in staatsietrap. Het is de langszij hangende en opgetuigde houten of metalen trap waarlangs men het schip min of meer comfortabel kan betreden of verlaten. De trap is scharnierend verbonden aan een boven- en onderbordes en voorzien van minstens één leuning. De trap en onderbordes worden uitgevierd door een trapdavit. De naam valreep wordt ook gebruikt, maar is evenals statie met één a eigenlijk onjuist. De valreep is een klimladder van beugels of klampen, die aan de scheepshuid is bevestigd en oorspronkelijk niet meer dan een afhangend (val) touw (reep)  met knopen was. Maar.... Er zijn ook publicaties die een verschil in linker- en rechterzijde aangeven. De valreep(trap) zou aan bakboord hangen en de staatsietrap aan stuurboord.
Stafsteven
Een stafsteven, ook wel staafsteven, bestaat uit een dikke stalen strip, haaks op de voorsteven, waartegen de gangen van de boeg geklonken werden en zo een karakteristieke voorsteven vormt. Verwarring met een stevenbalk is snel gemaakt. De "stafconstructie" is soms zo zwaar uitgevoerd dat het aan een stevenbalk doet denken. Die zal echter breder zijn en geen kopse kanten (vooruitstekende strip met aangeklonken platen) hebben.
Wanneer de boegplaten opgesloten werden door een rondgezette plaat sprak men over een plaatsteven, maar die benaming werd ook wel gebruikt voor een lichte (lees plattere) stevenbalk. Verder was er nog de doossteven, volgens BVT een holle immitatie van een stevenbalk, die mogelijk voor het zicht, of als aanvaringsbuffer, tegen de stevenplaat of andere samenvoeging van de plaatvlakken was gezet.
Stag
Onderdeel van het staand want. De (staal)kabels die masten en stengen in langsscheepse richting ondersteunen. Stagen worden strak gespannen en een daaraan gehangen zeil heet stagzeil of lul (ik kan er ook niets aan doen). Zie ook pardoen en lullen. De zeilen lopen met ringen over de stag. De ringen of hoepels heten stagzuigers of stagleuvers. Op een langsscheeps getuigd schip met een lange mast wordt ter ondersteuning van de masttop wel een diamantverstaging toegepast. Zo'n mast heeft twee korte diamantzalingen die met elkaar een hoek van 90 tot 120° naar voren maken. Het voorstag is onder de zaling bevestigd; de diamantstagen lopen vanaf de masttop over de uiteinden van de zalingen naar beneden.
Stakelen Het laten ontbranden van een stakellicht, meestal een handstakellicht, een in de hand gehouden toorts (staak) met een helder pyrotechnisch licht. Het wordt gebruikt als noodsein (rood of wit) en vroeger om een loods (blauw licht) te vragen. Ook vissersschepen gebruikten stakellicht om de aandacht van naderende schepen te trekken wanneer gevaar dreigde voor hun vistuig of voor een aanvaring. Aanwijzingen voor het gebruik staan in de BVA (Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op zee). Het BPR (BinnenvaartPolitieReglement) kent het stakellicht niet. Wel spreekt art 3.30 (noodtekens) over "vuurpijlen", het z.g.n. ernstvuurwerk. Zie ook beduvelen.
Stampen Voorwaarts rollen van het schip (pitching) doordat het tegen de golven in vaart, ook wel paaltje(s) pikken genoemd. Daarbij kan een spanning in het langsverband of voorschip ontstaan die "hijgen" of "hijgspanning" genoemd wordt. Stampen is één van de drie rotatiebewegingen. De benaming vinden we terug in stampstag en stampstok. De stampstag is een extra voorstag van boegspriet naar fokkemast om bij de hevige opdoffers van het stampen beide rondhouten tegen zwiepen en rukken te beschermen door ze stijf te houden. Hetzelfde geldt voor de stampstok, de naar beneden wijzende boegspriet uithouder, die de stagen van kluiverboom en jagerboom steunt, spreidt en ook stijf houdt.
Standpijp Standpijpen zijn vaste huiddoorvoeren in het vlak (de bodem) van het schip voor aanzuiging van buitenwater voor koel- en/of dekwaspomp. Om veilgheidsredenen moet een standpijp het liefst tot boven de waterlijn reiken, het punt waar de aanzuigleiding wordt aangesloten. In de pleziervaart worden ook wel kortere standpijpen onder de waterlijn gebruikt. Bij dit minder veilige systeem is een afsluiter noodzakelijk. In het verleden werden standpijpen ook gebruikt voor afvoer van toilet en gootsteen. Het is echter niet meer toegestaan op buitenwater te lozen. Een andere fraaie toepassing op kleinere boten is de afvoer van buis- en hemelwater. Op het laagste punt van het gangboord wordt een pijp met behoorlijke diameter aangebracht die door het schip naar het vlak (of de kim) loopt en zo een open verbinding vormt. Hiemee wordt voorkomen dat water via spuigaten langs de romp loopt en lelijke strepen veroorzaakt. Bij een zelflozende kuip met hoge vloer kunnen afhankelijk van de constructie ook standpijpen zijn toegepast.
Statenjacht Staatenjagten, staatsiejachten of transportjachten waren kleine handzame zeilschepen waarmee in de 17e en 18e eeuw hooggeplaatste personen werden vervoerd. Een vroege vermelding dateert van 1599 toen de tweede retourvloot onder Van Neck uit Indië terugkeerde. De magistratuur van Amsterdam liet zich in een sierlijk gebouwd zeiljacht naar de Mauritius roeien om de admiraal te verwelkomen. De zeelui werden van hoog tot laag "met groot geclanck van trompetten ontvangen en van Stadts weghe met wijn beschoncken, ende men luyde van blydschap alle klocken" [Chb2].
Staverse jol De Staverse jol is een buitenbeentje onder de vissersschepen van de Zuiderzee. Het type werd pas vanaf omstreeks 1860 in Stavoren gebouwd, maar heette toen nog geen Staverse jol. Het is eigenlijk onbekend hoe die eerste jollen er uit zagen. En waarom heetten ze jol? Ze leken waarschijnlijk het meest op zwaar gebouwde glad- en hoogboordige sloepen, hoewel ze toen nog overnaads (zonder uitstekende delen) werden gebouwd.
Steekeind Zie spring.
Steigerschuit Een steigerschuit is volgens oude beschrijvingen een over het algemeen open bootje voor personenvervoer uit Amsterdam [17e eeuw]. Verder weinig bekend. Waarschijnlijk wordt niet een bepaald type bedoeld, maar elk bootje dat vanaf een vaste ligplaats (steiger) personen naar een, waarschijnlijk niet te verre, gewenste bestemming vervoerde of als vaste verbinding (veerdienst) gebruikt werd. Misschien te vergelijken met een hedendaagse watertaxi.
Steilsteven Een schip met een recht, scherp toelopend voorschip, een verticale steven, ook wel bijlboeg of scherpsteven genoemd, hoewel in het jargon scherp alleen voor jachten, in de betekenis van "vaartuig voor de pleziervaart", wordt gebruikt (Maritieme Encyclopedie) en dan meestal voor hellende stevens. Mede door de eenvoudige bouwwijze hadden veel schepen in het begin van de ijzerbouw steile stevens. Over de term steilsteven zijn de meningen verdeeld. Gaat het om een groep van schepen met steile stevens (Loomeijer en Martens hebben het over vrijwel alle stoom- en motorschepen) of om één type?
Steken Het gebruik van knopen en steken, zie knopen, maar in scheepvaarttaal nog veel meer:
1. Bijvieren, uit laten lopen. Een tros of ankerketting steken.
2. Diepgang van het onderwaterschip. Het schip steekt zoveel cm of meter diep.
3. Met elkaar verbinden. Twee lijnen op elkaar steken.
4. Voor een zeilschip: zo hoog mogelijk aan de wind gaande houden bij slecht weer. Recht tegen de wind in steken.
5. Bijliggen.
6. De slaggaard steken.
Steng
De verlengstukken van een mast heten steng. De eerste verlenging marssteng, de tweede bramsteng. De verbindingssteun tussen mast en steng of volgende steng heet ezelshoofd, een constructie die rond 1570 door Wouter Krijnsz uit Enkhuizen werd uitgevonden. De achterwaartse en zijdelingse verstagingen van een steng heten pardoen. De gaten in de top van een steng waar de draairepen van de ra's door lopen heten homber- of humbergaten, ook wel tuingaten [NW]. De vierkante enigszins tapse bovenkant van een mast of marssteng waarover het ezelshoofd past heet dobbelsteen. De zware hardhouten of ijzeren pen, waarmee de steng rust op onderliggende langszaling heet slothout. Het slothout wordt in het slothoutgat van de hiel van de steng gestoken.
Met de toepassing van het ezelshoofd konden stengen geheel of gedeeltelijk geschoten worden, d.w.z. de steng kon in een lagere stand door het ezelshoofd zakken. Stengen bestonden vóór die tijd ook al, maar konden niet geschoten worden en werden mogelijk ook niet zo genoemd, want in een geschrift uit 1497 wordt bij de grote mast gesproken over een groottopmast met daarboven een topmast. Later werd dat resp. grootmarssteng en grootbramsteng. Bij een bezaansmast (barkstuig) met één topmast wordt de benaming steng nauwelijks aangetroffen. Men spreekt gewoon over topmast.
Zie ook paalmast en windjammers.
Sterren schieten Of sterbestek. Het met behulp van een sextant bepalen van de hoek, die hemellichamen op een bepaald tijdstip met de kim maken. Men doet een hoogtemeting van twee of meer sterren en/of planeten. Een goede waarnemer maakt vier hoogtemetingen bij heldere hemel. De hoogtelijnen zullen elkaar ongeveer in één punt snijden. Dit punt benadert de ware plaats van het schip op de gemiddelde tijd tussen de waarnemingen. Omdat sterren en horizon (kim) tegelijkertijd zichtbaar moeten zijn, zal het sterrenschieten rond de schemering moeten plaatsvinden. Een veel betere methode dan b.v. het zonsbestek met een jacobsstaf, octant of kwadrant van Hadley.
Hein Simpel zag d'Oudstuurman Zweêr,
Op zeekren avend, met een Sextant in de weer.
Hij vroeg hem wat hij deed: "Ik was aan 't Sterrenschieten."
"Hoe'? met dat koopren ding'?" "Ja, kijk; hier loert men door."
Hein - 't oog aan 't glas! Een ster verschoot er voor,
En hij borst uit: "Mag dàt geen kaerlswerk hieten?
Gij, die 't verstaat, troft niet-met-al! en ik
Schiet raak met d'eerste mik!"

A.C.W. Staring [1767-1840]
Stevelen Een sleepschip kon zonder mechanische aandrijving en zonder sleepboot de rivier afzakken of stevelen. Het was dezelfde wijze waarop de vroegere plompe bovenlanders dat deden. De helling van de rivierbodem gaf het schip tengevolge van de zwaartekracht vaart en geholpen door gunstige weersomstandigheden als een bakstagwindje na verloop van tijd meer snelheid dan het stromende water, waardoor gestuurd kon worden. Sommige schippers noemden het hekelen. Met rustig weer werd wel vier kilometer door het water gehaald, waarbij dan nog zes kilometer stroomsnelheid kwam. Wanneer men op deze manier de Rijn of de Waal kwam afzetten was vergevorderde stuurmanskunst wel aan te bevelen. Soms gebruikte men een drijfanker of andere middelen om niet dwars in de stroom te komen. Het omgekeerde heette slijkeren. Het bij zachte wind voor de wind stroomopwaarts varen, waarbij een grote breefok werd gezet. Ondenkbaar en inmiddels verboden bij het huidige scheepvaartverkeer. Verwant: stevelduct.
Stevenbalk Een stevenbalk is een zware balk van hout of staal die verticaal aan de voorsteven is aangebracht ter afsluiting van de gangen of stalen plaatvlakken die daar samenkomen. De stevenbalk dient tevens als aanvaringsbescherming.
Verwant: stafsteven.
Stiffening Het Engelse woord stiffening werd ook wel op Nederlandse schepen gebruikt als aanduiding voor de vereiste hoeveelheid lading of ballast om kapseizen van een ongeladen hooggetuigd schip te voorkomen.
Stokanker
Een "ouderwets" stokanker, in de zeevaart wel admiraal(s)anker genoemd heeft twee armen met puntige handen en een "stok" die loodrecht door de schacht dwars op de armen is geplaatst. Het anker was (en is nog steeds) vooral geschikt voor gebruik op stromend water met stevige grond, zoals getijwater en rivieren. De werking is als volgt: Na het uitbrengen sleept het anker door de stroom over de grond, waarbij de stok in de bodem hapt. De ankerketting zal zich spannen, waardoor de armen kantelen en een van de handen zich als een spade diep in de grond zal graven. Dreumelse en Heerewaardense vissers gebruikten wel een éénhander. Dat was een stokanker waarvan één hand was afgezaagd om te voorkomen dat de scheepvaart last zou hebben van die vrije hoog naar boven stekende hand [TrN]. Ook bekend als katanker of walanker. Het embleem, sieraad of borduursel van een stokanker waarvan de te korte stok niet haaks op de armen staat maar in hetzelfde vlak ligt noemt men een kinderanker.
Verwant: ankeren
Stootwil Of stootkussen, zie fender.
Straf Zie straffen aan boord.
Stralen Bij een stalen schip kan de romp, opbouw en of dek "gezandstraald" worden. Dat gritstralen verwijdert alle roest en oude verf- en teerlagen. Professionele bedrijven zorgen voor een optimaal schoon, geruwd en vetvrij oppervlak dat een goede hechting geeft voor een verfsysteem. Vaak bieden zij ook de mogelijkheid om het onderwaterschip daarna te voorzien van een coating van meerdere lagen epoxyprimer. Hierna hoeft de jachtschilder alleen nog een hechtingslaag en antifouling aan te brengen. Helaas geeft de methode nogal wat overlast en millieubelasting. Een nieuwe methode is het sponsstralen. Deze methode combineert het absorberende vermogen van urethaanspons met de reinigende en snijdende kracht van conventionele straalmiddelen. Het is schoon, droog, stofarm en bovendien recyclebaar.
Strevel Ouderwetse scheepsbenaming voor de horizontale latten, nu buizen, van het frame van een zonnetent.
Strijkbare mast Een strijkbare mast was nodig voor schepen die regelmatig onder vaste bruggen door moesten. Het was geen sinecure. Schippers hadden liever een vaste mast. Om het strijken mogelijk te maken liep de meestal met een bonk ijzer (wegerij of wigten) verzwaarde mastvoet door een sleuf in het voordek. Die sleuf heette uitwip en was afgedekt met een kokerluik. Wanneer het vooronder als slaapruimte werd gebruikt was dat een geaccepteerde handicap. Want om te kooi te gaan moest je onder het contragewicht doorkruipen en bij gestreken mast was het soms zelfs onmogelijk om via het luik binnen te komen [BOZ]. Een andere methode was het gebruik van bokkepoten, rondhouten die doorliepen tot het fokkestag en als juk diende bij het strijken en zetten van de mast.

mast met contragewicht (wegerij)

mast met juk (bokkepoten)
Stuck van Aghten De gouden munt florino (later gulden) werd reeds vanaf 1300 aangetroffen in de Nederlanden. Het algemeen gebruik is vanaf ± 1550. De VOC stelde in 's Compagnies boeken de gulden gelijk aan 20 "lichte stuiver", waarbij drie gulden een rijksdaalder maakten. Daarvoor en tegelijkertijd, zeker tot de in de 18e eeuw, werd betaald met de Rosenobel, een Engelse gouden munt met een waarde van elf gulden en elf stuivers en het Stuck van Aghten, een Spaanse zilveren munt (Spaanse mat) met een waarde van omtrent veertig stuivers. Er werd door zeelui en met name de goedbedeelde boekaniers met stucken gesmeten: "Ick heb 'er een ghesien op Geomaica (Jamaica) die vyffhondert stucken va Aghten aen een hoer ghegeven heeft om alleen haer schaemelheyt te sien...".
Bron o.a.: Dick Dreux en NvW.
Stuurboord
***
Rechter zijde van het schip, kijkend in de richting van het voorschip; navigatielicht: groen. De begrippen bakboord en stuurboord worden alleen voor de linker en rechterzijde van een boot gebruikt en niet voor het links of rechts van vaarwater.
Een handig ezelsbruggetje dat veel mensen gebruiken is: GRAS = Groen Rechts Aan Stuurboord.
Men denkt dat de benaming stamt uit de tijd dat gestuurd werd met een roerspaan (roeispaan) welke aan de rechterkant van het schip zat. Dat was dus STUURboord. Je stond dan met de rug, oud middennederlands: bac (Grote Van Dale), naar de linkerzijde; BAKboord. Zie ook: zijroer.
Stuurlastig Het achterschip ligt dieper dan de kop, het schip is lastig op koers te houden, ook wel "heklastig". Bij harde wind zal het schip lijgierig of laf (slap) op het roer zijn. De kop van het schip zal zich van de wind af willen draaien. Als een schip vanaf het ontwerp een achterzijde met meer diepgang heeft, spreekt men over (enige of grote) stuurlast. Het schip stuurt dan gemakkelijk; o.a. bij sommige vissersschepen. Verwant: koplastig.
Stuurmansgoed Stuurmansgoed of "special cargo" is in de zeevaart de benaming voor goederen van hoge waarde die tijdens het vervoer speciale aandacht krijgen. Bijvoorbeeld opbergen in een brandvrije kluis.
Stuurwiel In het Escorial, het abdijcomplex van Filips II van Spanje, is een muurschildering van 55 meter lang te bewonderen die de verschillende slagen van het Spaanse leger toont waaronder de slag bij de Azoren van 1582. Daarop wordt een Spaanse galjas afgebeeld met 38 riemen, 114 roeiers en een stuurwiel. Dat was vrij uitzonderlijk, want pas aan het eind van de 17e eeuw kwam in de Lage Landen het gebruik van stuurwiel of stuurrad (in de binnenvaart "haspel") in zwang. Tot die tijd werd gestuurd met een helmstok of bij meerdekschepen met een kolderstok, waarbij de laatste slecht een kleine roeruitslag mogelijk maakte. Met het stuurrad was een veel grotere uitslag mogelijk, waardoor het schip wendbaarder werd. Die grote uitslag gaf wel een probleem. Bij niet bezeilde koersen en storm was de roerdruk bij zeeschepen zo groot dat het voor de roerganger haast ondoenlijk was om het schip te laten wenden. Het rad werd dan ook manshoog uitgevoerd met naar buiten stekende spaken, waarop veel kracht gezet kon worden. Toch lukte het de roerganger niet om bij zwaar weer op te werken. Hij kreeg dan hulp van een maat, de "blindeman", om kracht bij te zetten. De grote barken en clippers uit de 19e eeuw waren zelfs uitgerust met meerdere stuurwielen op één as of tandwielkast voor bediening door meerdere blindemannen. Verwant: stuurreep, haspel.
Stuwdruklager Een stuwdruklager dient niet alleen om de schroefas te ondersteunen, maar ook om de stuwkracht direct over te brengen op het schip en niet naar de motoropstelling.
Sulfatering Het langer dan 2 maanden laten staan van ontladen loodaccu's (10,8 volt of lager) veroorzaakt sulfatering. Er treedt een verharding van de accuplaten op wat blijvend capaciteitsverlies oplevert. Dit proces start reeds beneden een (rust)spanning van 11,4 volt, maar treedt ook op wanneer accu's nooit goed doorgeladen worden. Het is voor de levensduur van een accu van belang met enige regelmaat tot de eindspanning van 14,4 volt door te laden...
Sumwing De Sumwing is een innovatie voor boomkor- en pulsvisserij. Dat is het  vissen op platvis (bodemvis). Een boomkor bestaat uit een groot visnet (de kor) welke wordt opengehouden door een "boom". De boom is een zware stang die over de bodem wordt gesleept met twee sloffen om 'm los van de grond te houden. De Sumwing is een watergevulde boom met vleugelprofiel. Hij is daardoor lichter en heeft minder weerstand, maar blijft door het profiel ook zonder sloffen los van de bodem. Het resultaat is minder bodemberoering en significante brandstofbeparing.
Verwant: flyshooter, jiggen, snurrevaad.
Swath

De Swath, "Small Waterplane Area Twin Hull" heeft net als de catamaran twee rompen. Maar doordat de rompen dieper onder water steken vanwege het beperkte volume van het schip boven het wateroppervlak ondervindt het schip minder invloed van golven, zelfs in hoge zee en bij hoge snelheden. Het grootste deel van het deplacement nodig om het schip drijvende te houden bevindt zich immers dieper onder water, waar de golven minder effect hebben. Het grote voordeel van SWATH-schepen is dat ze ook bij zware zeegang heel rustig in het water liggen. Het is daarom een vorm die vaak wordt gekozen voor schepen die ook bij hoge golven moeten kunnen doorwerken, of die mensen moeten laten overstappen van en naar andere schepen (loodsen). Door hun stabiliteit zijn ze ook bijzonder geschikt als onderzoeksschepen, die vaak bewegingsgevoelige apparatuur aan boord hebben. Bij ruwe zee kunnen SWATH-schepen sneller varen dan enkelrompschepen.
De schepen zijn niet of nauwelijks geschikt als vrachtschip, want het nadeel is dat lading een grote verandering in diepgang teweeg brengt. Een verschuiving van het zwaartepunt, door het verplaatsen van een gewicht aan boord, geeft een grote verandering in slagzij of trim. Hierbij bestaat zelfs het gevaar dat de drijvers boven water komen, of dat het schip te diep in het water zakt.

 

  A     B     C     D     E     F     G     H     I     J     K     L     M     N     O     P     Q     R     S     T     U     V     W     X     Y     Z  

Heel graag op- of aanmerkingen.

Op alle materiaal (layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke toestemming.

Mocht je ondanks alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.

verantwoording