kennisbank voor pleziervaart
         en scheepvaarthistorie
 
 

Hé, dat wist ik niet...
  Tips en wetenswaardigheden
Gebruik het zoekveld wanneer je iets niet kunt vinden.
  A     B     C     D     E     F     G     H     I     J     K     L     M     N     O     P     Q     R     S     T     U     V     W     X     Y     Z  

P

Paalkist
Oorspronkelijk de kist, later het fonds, waarin het paalgeld of ankergeld (ankerasie) werd bewaard. Uit dit fonds werden de te nemen veiligheidsmaatregelen voor de scheepvaart, als het leggen van bakens en het plaatsen van vuurtorens bekostigd, maar ook het onderhoud van de palen die de havenafscheiding vormden en waaraan de grote schepen konden vastleggen. Enkhuizen had het recht van paalkist voor de toegangswegen tot de Zuiderzee; het moest de bakens, tonnen etc. onderhouden, maar mocht daarvoor van alle binnenkomende schepen zekere betaling eisen. Het werd daarom ook wel baken-, vuur- of tonnegeld genoemd. Uit: Beschryvinge van de Oostindische Compagnie van Pieter van Dam. Bakengeld is in de 19e eeuw afgeschaft.
Amsterdam verzorgde bebakening op de Zuiderzee tot 't Val van Urck en had een zeer lang havenfront van dicht naast elkaar staande palen. Die paling was het beschutte deel van het IJ met een dubbele rij palen, waarbinnen de schepen veilig konden liggen en waarvandaan de kostbaarheden van de Oost-Indiëvaarders werden overgebracht naar de spijkers (VOC-pakhuizen). Het liep langs het huidige Oosterdok, wat nu doorsneden wordt door de IJtunnelpier en de Prins Hendrikkade. Bij de Nieuwe Brug over het Damrak werd daartoe reeds in 1561 het Paalhuis gebouwd waar de schipper zijn paal- of havengeld moest afdragen. Nadat in 1617 op Urk een vuurbaken was geplaatst werd in het paalhuis voor zeeschepen ook vuurgeld geïnd. De doorvaartopeningen in de dubbele rij palen werden 's avonds bij het luiden van de poortklok afgesloten door een drijvende boom met ijzeren pennen. In de vroege morgenuren bij het luiden van de klok werden ze weggehaald. Overdag werd ook wel een hoge ketting gebruikt waar jollemannen, en melk- en steigerschuiten met gestreken mast ongehinderd onderdoor konden, maar passage met staande mast onmogelijk was.
Bron: o.a. SdZ 5-92.
Nota bene: Op de door de H. Staten Gener. der veenichde Nederlande geoctrooieerde afbeelding "Amstelodamum" uit 1606 is te zien dat sommige openingen (doorgaten) onbelemmerde doorvaart hebben terwijl bij andere een hoge ketting is gespannen. Ter linkerzijde van de grote plaat (16672 x 3172 pixels) is zelfs een drijvende nachtboom met pennen te zien. Dit alles verluchtigd met onvoorstelbaar veel schepen in alle soorten en maten. Nogal onwaarschijnlijk. Dat klopt, want de in opdracht van de "Heeren" door kaartenmaker Willem Jansz Blaeu vervaardigde plaat heeft alle mogelijkheden, soorten schepen en gebeurtenissen zoals toen gebruikelijk in één beeld gevangen. Dezelfde methode zien we bij penschilderijen en grisailles van Willem van de Velde (de Oude). Vaak wordt een en hetzelfde schip in verschillend aanzicht afgebeeld.
Paalmast Een paalmast is een mast, waarvan de verschillende onderdelen, de ondermast en de stengen, niet uit afzonderlijke delen, maar uit één stuk kernhout van een boomstam bestaan. De zeer fraaie, snelle chebek van de Middellandse Zee met twee of drie masten en het Hollandse katschip zijn voorbeelden, men noemde schepen met paalmasten polakker-getuigd of kortweg polakschip. Er waren zelfs schepen waarvan de gehele mast uit één stuk bestond.
Naarmate masten groter werden en het steeds moeilijker werd aan geschikte bomen te komen ging men over op samengestelde of gekluchte masten. De mast werd uit afzonderlijke delen hout samengesteld. In eerste instantie gekuipte masten, waarvan de delen net als bij een ton door kuipbanden bij elkaar gehouden werden, of in vroeger tijden door woelings. Een hoogwaardig stukje vakmanschap, weersbestendige lijmen bestonden immers nog niet. Men gebruikte bij voorkeur goed gewaterd kwartiers hout dat minder krimpt of scheluw trekt. "Kwartiers" hout betekent dat de planken van buiten naar binnen richting kern uit de stam zijn gezaagd. Naarmate de lijmsoorten beter werden kon men volhout gelijmde masten maken. Zo'n mast bleek stijver te zijn dan een paalmast. In het midden van de 19e eeuw kwam een derde versie, de hol verlijmde mast, hoewel op de plaatsen van het mastbeslag nog steeds volhout werd toegepast om de bevestiginggsbouten genoeg houvast te geven. Verwant: mast en rondhout schaven.
1. paalmast
2. gekuipte mast
3. volhout gelijmde mast
4. hol verlijmde mast
5. hol verlijmde mast
Paalmuts Een paalmuts is een metalen gegalvaniseerd "hoedje" tegen inwateren op houten meerpalen,  -steigerpalen, -remmingwerkpalen en -dukdalven. Zoals gewoonlijk in scheepstaal komen we meerdere, meestal streekgebonden, benamingen tegen: paalhoedje, bolderhoedje, -muts, -deksel en zelfs olifantenkop. Hieronder een paalmuts met haalpen. Ze zijn vaak wit geschilderd.
Verwant: remming, dukdalf.
Paaltje pikken Paaltje pikken of paaltje lopen. De klappen en/of trillingen die een schip te verduren krijgt in vrij korte en steile golfslag.
Kleinere schepen kunnen dan heftig gaan stampen. Het voorschip richt zich daarbij soms hoog op en valt over het golfdal om met een dreun neer te komen. Met deze neerwaartse beweging kan het golfdal onder de romp a.h.w. afgesloten worden, waarbij een luchtblaas onder het schip ontstaat. Deze "hap lucht" wordt vervolgens naar achteren en de zijden afgevoerd, waarbij nog meer trillingen (een gromeffect) kunnen ontstaan. Een schip met grotere lengte zal minder stampen, maar zich wel "kop voor" dwars door de volgende golfkam boren. Bij een stompe bovensteven krijgt het schip daarbij een forse opdoffer. Uiteraard zijn gecombineerde situaties mogelijk.
De genoemde dreun en opdoffer laten zich horen en voelen door een fikse uitdempende trilling. Beide gevallen kunnen grote vervorming en krachten in het bodem- en dwarsverband van het voorschip veroorzaken, welke "hijgen" en "hijgkrachten" genoemd worden en waartegen "hijgverband" wordt aangebracht. In het voorschip komen dan extra dwarsbalken, stringers, zwaardere huidplaten, extra zaathout en wrangen en hogere spanten met smallere (max 61cm) tussenruimte.
Bronnen: Me3 en AAdC
Paard Paard is het loopstag onder de marsera's waar de matrozen op staan bij het opdoeken of uitbrengen van de zeilen, ook wel hengst genoemd. In de 17e eeuw paardelijn of  paarellijn. Winschooten verklaarde de woorden als volgt. Paard, paardelijn of hengst, omdat je er net als bij een paard op kan steunen. Paarellijn, omdat de lijn is als een parel, het puikje van een lijn van het fijnste hennep. De verticale hangers waarin het paard hangt heten springpaarden en de laatste bocht is het nokpaard. Peert. Zo noemen de zeevaarenden een touw, dat aan beide einden van de ree slap vastgemaakt is; het heeft veele knopen, waarop de bootsgezellen staan als ze het zeil inhaalen [NvW].
Zie ook: windjammer, jackstay en uitenteren.

Matrozen staan bij opdoeken op het paard


Matrozen aan het werk bij een neergehaalde bovenra.

Paard wordt ook gebruikt als benaming voor de vertikale met leer beklede balk aan het onderbordes van een staatsietrap die het stoten van de sloep opvangt en tevens voorkomt dat die onder de staatsietrap schiet [LtzB].
Pactouw Nee, geen paktouw. Pactouw was de benaming voor particuliere handelsgoederen die door schepelingen - met name op China-reizen - aan boord meegenomen mochten worden. Van het Franse pacotille. Een andere benaming voor dat "klein koopmanschap" was voering. Er werd enige laadruimte in het schip voor beschikbaar gesteld. Zoals gewoonlijk liep dit natuurlijk uit de hand en moest er paal en perk aan gesteld worden. De vrije voering mocht niet verder dan een bepaald bedrag gaan. Ook was er de maatschudding. Het overblijfsel uit zakken en vaten en het restant na lossing van graan, vlas of hennep. Deze maatschudding werd gedeeld door schipper en bootsvolk en soms ook met de lossers van het schip. [MG]
Page Oude benaming voor een scheepsjongen bij de krijgsmacht ter zee, vergelijkbaar met een hutjongen bij de koopvaardij, ook wel hockeling (beginneling). De page was de laagste in rang aan boord, als je tenminste van rang kon spreken. Hij kwam nog onder de halfwas of loop, de half- of lichtmatroos. Zie ook bramzijgertje. Op de jongens was altijd wat te vitten. Altijd een grauw of een snauw, nooit een woord van waardering. Zolang je geen volmatroos was had je alleen maar plichten en geen rechten. Je werd voor de rotste klusjes ingezet: zo werd je immers zeeman. Lichtmatrozen en hutjongens mochten niet roken en zeker niet met de ouderen meepraten. Ze moesten altijd klaar staan als er iets werd gecommandeerd, zelfs als ze wacht-ter-kooi (slapen, vrije tijd) hadden. Volgens overlevering verdiende de page wel 18 hele guldens per jaar en wellicht is hieruit de benaming achttienguldensgast voor een grote dekzwabber ontstaan.

In de visserij van Zuid-Holland en Zeeland kende men de koffiekoker, kofjekokertje of kleine joon (jooj). Het was het jongste bemanningslid (al vanaf 11 jaar) dat koffie en pap kookte, vis bakte en de afwas deed, gewoon een manusje van alles, zoals een ketelbinkie op de grote vaart. Na twee jaar kon het kofjekokertje ketellapper worden en weer twee jaar later inbakker. De inbakker was verantwoordelijk voor het opschieten van de beug in de bakken. Elke stap duurde twee jaar. Na inbakker werd hij kok en weer twee jaar later bovenman om te eindigen als volmatroos. De besten konden zelfs stuurman of schipper worden.

Jaagschuiten, meer in het bijzonder snikkevaarders hadden ook zo'n knechtje in dienst. Het was de snikkejongen. Hij mende het eigen of gehuurde jaagpaard, want de jaagschuiten maakten geen gebruik van huurjagers.

Scheepswerven kenden jochies vanaf elf jaar als nagelpieper of nageljongen. Ze zorgden voor het heetstoken van de klinknagels op een kolenvuurtje. Dat was geen sinecure, want de nagel mocht niet te koud zijn maar ook niet te heet gestookt worden omdat die "verbrandde" nagels bij klinken tijdens afkoelen hun goede krimpeigenschap kwijt waren. Dat gaf nagelziekte. Ook was er de pikjongen of kalfaatjongen. Hij was het hulpje, dat de pik (pek) maakte en warm hield bij het kalfaten.
 
Bronnen o.a.: [VvdM], Het lot van de MD3 Anna, Pieter Klein.
Pakketboot Ondanks het feit dat de VOC bij het uitbreken van de vierde Engelse oorlog in 1780 op sterven na dood was en door de staat geholpen moest worden om niet failliet te gaan werd nog in 1788 opdracht gegeven om tien bewapende pakketboten te bouwen. De VOC had naast de reguliere vloot, behoefte aan snellere verbindingslijnen tussen factorijen en vaderland. De pakketboot was dan ook ontworpen om zeer snel te zeilen en gebaseerd op de snelle oorlogsbrik van een paar decennia eerder.
Pakschuit Pakschuiten waren trekschuiten die uitsluitend goederen vervoerden, Ze hadden het volgens Petrejus moeilijker dan de trekschuiten voor personenvervoer.
Paling of aal? Dit onderwerp omdat ik een visliefhebber ben. Nee, niet het vissen, maar het eten.
Hoe heet die vis eigenlijk; paling of aal? Volgens "insiders" zit het zo.
De paling zet op grote diepte haar eitjes af in de Sargasso-zee, nabij de Bermuda-eilanden, hoewel de plek nooit bewezen is. De larven trekken met de Golfstroom mee, richting Europesche kust. Dat duurt drie jaar. Inmiddels zijn ze uitgegroeid tot glasaaltjes. Ze zoeken de binnenwateren op met de bedoeling daar vele jaren te blijven. Tot in de meest afgelegen slootjes zijn ze te vinden, al moesten ze die soms gedeeltelijk over land bereiken. In deze periode zijn ze geelachtig van kleur en worden, althans in rivierengebied, aal genoemd. Eenmaal geslachtsrijp verandert de kleur. Op de rugzijde grijs-zwart, de buik wit. De ogen worden groter, noodzakelijk voor de aankomende trektocht door zee. In deze gedaante worden ze schieraal (schier in de betekenis van snel) of paling genoemd. De trek naar zee vindt plaats in regenachtige herfstnachten. Waar de fuiken of een dichtzet de doorgang belemmerden werd toen veel gevangen. De paling die de zee bereikt moet flink gaan zwemmen, ditmaal tegen de stroom in, terug naar de verre Sargasso-zee. Aangenomen wordt dat daar na de paaitijd de paling sterft.

Op die manier is het naamsverschil dus duidelijk, maar een reclamebord "Gerookte aal" of "Gerookte paling" zal over het algemeen hetzelfde aanprijzen. De benaming verschilt van plaats tot plaats. Een kaartje in "Terminologie van Riviervissers in Nederland" laat zien dat de benaming "aal" vooral in de Noordelijke provincies wordt gebruikt. Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en het Oostelijk deel van Gelderland. Beneden de rivieren en in Zeeland zal men over "paling" spreken. In de overige provincies worden de namen aal en paling naast elkaar gebruikt zonder verschil in betekenis. Het onderscheid tussen aal (geelachtig en mager) en paling (grijs-zwart met wit, geslachtsrijp, vet en klaar voor de trek) wordt alleen in het rivierengebied gebezigd: "Want aal die het zilverkleed of het trekkleed heeft aangenomen is paling". De visserman spreekt verder over bekwame paling of flauwe paling als aanduiding voor snel- of traag bewegende paling.

Wild gevangen paling, in de wandeling "IJsselmeerpaling", is verreweg het lekkerst, maar komt steeds minder voor. Door onze kustbescherming is het voor de glasaal vrijwel onmogelijk naar binnenwater te komen. Volgens natuurbericht.nl  is het aantal glasaaltjes sinds de jaren 70 afgenomen tot 1% van het oorspronkelijk niveau. Een schepje daar bovenop is het op grote schaal wegvangen van dit weinige broed voor de kweek. Het is tot op heden onmogelijk om paling in gevangenschap te laten voortplanten. De palingkweek is dus afhankelijk van wilde glasaal. Het wegvangen van duizenden kilo's glasaal voor de kweek is vele malen erger dan reguliere palingvangst. Wilde paling wordt nog maar mondjesmaat aangevoerd en zelfs geimporteerd uit o.a. het Lough Neagh in Ierland, terwijl wij voorheen juist veel exporteerden. Het was Zuiderzeepaling aangevuld met ingekochte paling uit de Oostzee.
Aan de huidige wilde paling hangt inmiddels een stevig prijskaartje. Het alternatief is de minder smakelijke kweekpaling. Het eenzijdige productievoer en mogelijk ook het troosteloos bassinzwemmen zou de oorzaak zijn. De viskweker kan niet anders omdat het natuurlijke organische voer van rivier- en slikbodem niet is na te bootsen. Bij grote afname worden kweekpalingen bovendien vaak gerookt in computergestuurde rookkasten, waar ze eerst door een pekel- en rooksmaakbadje zijn gegaan. Dat ze er grijsachtig uitkomen is niet van belang, want het velletje laat gemakkelijk los en het zeer vette spul met waterige smaak wordt alleen gefileerd verkocht. Kleinere bedrijven roken wel "ambachtelijk" en leveren aan de betere vishandel, maar de smaak blijft toch vlakker dan die van wilde paling.
Er gloort hoop. Op 17 juni 2015 schrijft de Volkskrant: Het wemelt in het IJsselmeer van de jonge glasaaltjes. Een teken dat het visvriendelijk migratiebeleid werkt. Een hoax?
 


Van glasaal....

tot smulmaal...

Bronnen o.m: [VdA], [TrN].
Verwant: haring, kibbeling, makreel, garnaal, pangasius, talhout, palingschuit.
Naamsverwant: Paling van Amsterdam.

Palingboot Het palingbootje voer langs de fuikvissers om hun vangst op te kopen en deze levend en wel in een bun naar visafslag of vismarkt te brengen. Het stalen scheepje heeft veel weg van de motorpakschuiten uit het begin van de vorige eeuw.
Palingschuit
(palingaak)
Schuiten die levende paling naar Engeland vervoerden. De schepen werden palingaak of op z'n Fries ielaeck genoemd. Het waren geen vissersschepen, maar handelsschepen en eigenlijk werd de naam gebruikt voor elk type schip dat deze handel bedreef. Slechts een klein gedeelte betrof Zuiderzeepaling en dan alleen buiten de visafslag om ingekocht. Er moest wel winst gemaakt worden. De meeste paling werd daarom voordeliger aangeschaft en geladen bij de Oostzee om daarna rechtstreeks naar Engeland vervoerd te worden.
Pand Pand is de benaming van een door sluizen, stuw of waterkering begrensd stuk kanaal of rivier. Van boven naar beneden spreekt men van hoger- naar lager pand.
Pangasius Pangasius of kortweg Panga is evenals Tilapia een verzamelnaam voor zoetwatervis uit Vietnam. De vis is zeer goedkoop en wordt als stralend witte filets door supermarkten aangeboden. Hier geldt weer eens de uitspraak van keurmeester Martin Gouda van het RijksInstituut voor Visserij Onderzoek: "Veel consumenten zijn net meeuwen, ze eten alles". De pangasius die van huis uit een grondsmaak heeft wordt langs de sterk vervuilde Mekongrivier gekweekt met ruimhartig gebruik van antibiotica. Voorafgaand aan invriezen worden de filets in een bad met citroenzuur gewenteld, waardoor de grondsmaak verdwijnt en 10 procent vocht wordt opgenomen. Het resultaat is een mooi wit, mager, graatloos, nogal nat filetje dat kraak noch smaak heeft, maar toch (juist daardoor?) goed verkoopt. De keuringsdienst van waarde ontdekte in 2015 dat in meer dan de helft van 15 gekochte verpakkingen zelfs 30 tot 40 procent water was toegevoegd, terwijl het niet op de verpakking was vermeld! Over nat en smaakloos gesproken.
 
En dan nog deze van de HEMA. Pas op, dit is een mopperstukje.
Pardon? Een kogelbiefstuk van "rundvleesproduct"  met 91% rundvlees?
De HEMA voegde aan die "malse" biefstuk water, zout, voedingszuren en aroma toe. In hemelsnaam WAAROM? Water is bepaald geen vriend van sappig bruin bakken. Bovendien is "Hollands" ook al geen argument. Het lekkerste doorregen vlees van uitgemolken Hollandse koeien gaat naar het buitenland. Vrijwel elke superrmarkt verkoopt alleen nog "mager". Magere speklappen? Mager stoofvlees? Niet doen. Magere speklappen zijn geen speklappen. Knapperig bakken (daar gaat het bij speklappen om) is onmogelijk. Mager stoofvlees betekent onherroepelijk droogpruimen. Dat wordt geen mals draadjesvlees. Waar komt dit mager syndroom toch vandaan? Een speklap kan niet mager zijn. De woorden spek en mager gaan niet samen en goed stoofvlees behoort doorregen te zijn. Bijna elk vlees trouwens. Vraag het aan je slager. (als je die nog kan vinden)

Zie ook: Pangasius De Nieuwe Groene Leugen. Verwant: garnaal, haring, kibbeling, makreel, paling,

Panje Panje is de benaming voor geteerd zeildoek dat vooral voor dekkleden en huiken gebruikt werd, maar ook als rugbescherming voor vissers die hun schuiten op het strand of de wal trokken (op het hout hielpen) [vL].
Papegaaistok Een papegaaistok is een boegspriet die uitsteekt over de achterboeg (achtersteven of hek). Gebruikelijk bij zeilschepen met een ver naar achteren, of zelfs op het hek staande (bezaans)mast. Dit stuk rondhout, ook wel druilboom, dient om de schoot van een buiten het schip uitstekend zeil op te vangen en te leiden.
Parallel schakeling Door 2 of meer accu's parallel te schakelen wordt het vermogen (Ah) bij elkaar opgeteld. Het voltage blijft 12V. Parallel schakelen betekent dat de pluspolen doorverbonden worden en dat de minpolen doorverbonden worden. Stel 2 accu's van 12V 120Ah. Resultaat bij parallel schakelen: 12V 240Ah. Gebruik bij parallel schakelen accu's van hetzelfde merk en capaciteit. Het liefst ook van dezelfde productiedatum. Verwant: serieschakeling.
Pardoen Pardoen of perdoen. Oud woord voor een bakstag als ondersteunig van een steng. Samen met het stengewant dat niet verder loopt dan de marsrand zijn pardoens de steunkabels die de achterwaartse en zijdelingse verstaging vormen en helemaal naar beneden lopen om evenals de onderwanten op rusten te worden stijfgehaald.
Parlevinker
 
 
Een parlevinker was een bevoorradingsscheepje voor hoofdzakelijk mondvoorraad, zeg maar de dagelijkse boodschappen. Voor zover bekend was er geen vlagvoering om de parlevinker aan te roepen. Het scheepvaartforum spreekt over "gewoon naar je toe wenken". In havens werden vaste rondje gevaren met een bel of een toeter. Parlevinkers (zoetelaars, kaaidraaiers) zijn verdwenen. Toen parlevinkers vanaf 1 januari 2003 geen belastingvrije pakketten meer mochten verkopen stopten de meeste van deze ondernemers. Van de laatste twee hield de "Marjan" uit IJmuiden het eind juli 2005 ook voor gezien, eigenaar Jos Cornelissen ging met pensioen en kon geen opvolger vinden. De enig toen overgebleven parlevinker "Time is Money" uit Belfeld stopte eind april 2008. De scheepjes waren nog steeds te herkennen aan een groen-wit geblokte rand boven of aan het boord ten teken dat het om een verkoper ging. Zo is verder in havenverordeningen vastgelegd dat bunkerboten een groen-wit geblokte rand boven een ononderbroken blauwe band moeten hebben; opkopers een rood-wit geblokte rand en roeiers een zwart-wit geblokte rand. Roeiers en vastmakers brengen trossen uit van grote zeeschepen naar boeien en meerpalen.
Part
Touwwerk dat door een talie of takel is geschoren noemt men een reep of runner. Bij een reep worden parten benoemd. Het deel waaraan getrokken wordt heet het halende part, het deel waarmee het blok vast zit heet het vaste part en het deel of de delen tussen de blokken worden lopende parten of loper(s) genoemd.
Patoka De Patoka was het eerste bevoorradingsschip voor zeppelins voor een noodzakelijke tussenstop bij overtocht van de oceaan. Zie USS Patoka,
Patrijspoort
In vroeger eeuwen was een batterij(s)poort de vierkante geschutspoort in de scheepswand die kon worden geopend en waardoor de loop van een kanon naar buiten werd gestoken. "De Poorten, daar door de Vuur, en Vlamspuwende Ysere en Metaale Draaken, ten Stryden werden uitgevoerd" [v.Yk]. Het woord patrijspoort dat in geen enkele andere taal voorkomt is waarschijnlijk een "recente" verbastering, want in een woordenboek uit 1775 komt het nog niet voor. We vinden wel de benaming sabord. Patrijspoorten zijn kleine ronde openslaande ramen met een rand van koper of brons, aanvankelijk (begin 19e eeuw) voorzien van patentglas dat slechts een flauw licht doorliet. Een patrijspoort kan door zijn ronde vorm, geringe afmeting en knevelsluiting enorm veel waterdruk verdragen. Zeker de exemplaren met blindeerklep die op zeeschepen gebruikt worden (zie plaatje). De laatste jaren worden wel randen van aluminium of roestvast staal toegepast en in de moderne jachtbouw zelfs rechthoekige vormen met kunststof rand. Van de waterdrukbestendigheid moet dan echter niet te veel verwacht worden. Er zijn ook patrijspoorten die niet open kunnen, de benaming hiervoor is "lichtrand". Over het algemeen is het bij zelfbouw of restauratie moeilijk om een juiste maat patrijspoort te vinden. In Amsterdam aan de Javakade 73 ligt de spits Formosa  waar Petra Munneke de scepter zwaait. Haar handelsonderneming Chateauroux is gespecialiseerd in oude en nieuwe patrijspoorten. Geen vaste openingstijden, dus wel even van te voren een afspraak maken 020-4185663 of 0626-222586. Verder zijn er volgens mijn informatie slechts enkele bedrijven in Nederland die patrijspoorten op maat vervaardigen o.a. Het Anker in Schelluinen en constructiewerkplaats Van Wingerden in Vuren 0183-631555.
Paviljoen
Paviljoen is de benaming voor het verhoogd achterdek bij sommige binnenschepen, waaronder zich de woonruimte (paviljoenroef) bevond, waardoor paviljoenschepen een lage kruiphoogte hadden. Het dak van de half in het dek verzonken ruimte kwam niet boven de verschansing uit om zo een lage doorvaarthoogte te realiseren. We kennen b.v. paviljoentjalken en paviljoenaken. Vaak waren dat schepen die ook nog een staatsie hadden. Het is de constructie waarbij het boeisel grotendeels naar achteren en naar boven strookt, waarbij de onderzijden over de hekbalk lopen en de bovenzijden elkaar midscheeps raken, waardoor een driehoekige opening ontstaat, het hennegat, waar doorheen de helmstok binnenboord komt. Dat soort tjalken en aken werd staatsie-, staatsiepaviljoen- of staatsiedek genoemd.
Wanneer het achterdek niet verhoogd was, maar toch een roef herbergde sprak men over een dektjalk. Mogelijk ook dek-aak, maar die benaming ben ik niet tegengekomen. Deze nog lagere schepen hadden vaak een draai-over-boord. Het helmhout kon boven het dek bij een grote roeruitslag tot helemaal buitenboord geduwd worden.
Pavoiseren
Pavoiseren is een traditionele bezigheid bij maritieme-, en visserijfestiviteiten. Vlaggetjesdag als opening van het haringseizoen is een sprekend voorbeeld. De in de (thuis)haven liggende schepen worden versierd met seinvlaggen en wimpels aan lijnen vanaf de boeg over de toppen van de mast(en) naar de vlaggestok op het achterschip. De bedoeling is dat de vlaggen enigszins gegroepeerd worden in rood, wit en blauw, waarbij geen natievlaggen worden gebruikt (in Scheveningen deed/doet men dat wel). Schepen pavoiseren nooit als ze varen. Op binnenwater mag dat zelfs niet. Art 3.07 BPR. Bij de visserij volgde op vlaggetjesdag meteen buisjesdag. De vloot zeilde (vaak nog gepavoiseerd) uit voor de nieuwe teelt en iedereen die zich maar bewegen kon, deed het varend volk uitgeleide. Zodra de schepen uit het zicht waren werden de vlaggen binnengehaald.
Peilglas
Het gebruik van een peilglas is een ouderwetse maar zeer betrouwbare methode om het vloeistofniveau van een tank af te lezen. In principe gaat het om een doorzichtige buis die aan de onder- en bovenzijde met de tank verbonden is. Het is een praktische toepassing van communicerende vaten. Het afleesbuisje moet niet te dun zijn want dan treed capillariteit op. Soms wordt voor betere afleesbaarheid een drijvertje gebruikt. Het is dan zelfs mogelijk het niveau op afstand uit te lezen via een vlottertransmitter. Voor kleurloze vloeistoffen en gassen zijn er z.g.n. reflex peilglazen. Door gebruik van een prisma reflecteert het licht. Op het grensvlak van de vloestof wordt het licht bijna geabsorbeerd, waardoor een heldere vloeistof donker aftekent en een gas juist lichter. De uitvinding wordt toegeschreven aan Richard Klinger die later ook de befaamde Klingeritpakking bedacht.
Peilhuisje Rijkswaterstaat mat vroeger op 75 plaatsen langs de kust de eb- en vloedstanden. Het registreren gebeurde met een peilschrijver. Lees hier meer.
Peiling
Wanneer je op ruim water buiten de vaargeul een rechte koers vaart kan het gebeuren dat een ander schip een kruisende koers volgt. Door het andere schip te peilen (ook wel aanvaringspeiling of achtergrondspeiling genoemd) kan je vaststellen of het voor- of achterlangs zal gaan of dat beide schepen bij ongewijzigde snelheid op ramkoers liggen. Voor een peiling is het van belang dat je vanaf hetzelfde punt op dezelfde manier kijkt. Dat wil zeggen langs een bolder of een raamkozijn b.v. Elk vast punt op het schip is geschikt. Wanneer de volgende peiling naar voren schuift, zal het andere schip voorlangs gaan. Verschuift de peiling naar acteren dan gaat het achter langs. Wanneer de peiling hetzelfde blijft bestaat er gevaar voor aanvaring en zal één van beiden vaart moeten minderen of uitwijken. Art 6.17.7 van het BPR zegt hierover: "Indien de koersen van twee kleine motorschepen elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat van bakboord nadert voorrang verlenen aan het schip dat van stuurboord nadert". Dus net als bij het wegverkeer wordt voorrang verleend aan rechts. Verder geldt in deze situatie art 6.17.3: "klein wijkt voor groot".
Pelorus
Pelorus is een veel voorkomende scheepsnaam in de zeevaart en verwijst naar het handige nautisch hulpmiddel dat inmiddels in onbruik is geraakt. Je zou de pelorus een soort dochterkompas kunnen noemen met dien verstande dat niet het magnetische noorden wordt aangewezen, maar de te varen koers. Zodra het schip op het reguliere kompas de juiste koers voorlag werd de pelorus op nul gesteld . Het was dan voor de roerganger veel gemakkelijker om koers te houden. De pelorus gaf elke afwijking van de gewenste koers op simpele wijze aan met graden plus of min. Volgens overlevering was de persoon Pelorus de navigator van Hannibal. [Schut] De pelorus hiernaast komt uit de collectie van het Marinemuseum Den Helder.
Een klik op het plaatje voert naar Maritiem Digitaal met een grotere afbeelding van "pelorus met cardanische ophanging". In de omschrijving spreekt het Marinemuseum over een "metalen peiltoestel".
Dat lijkt me niet juist, want een peiltoestel is een instrument waarmee objecten gepeild kunnen worden. De pelorus doet dit nadrukkelijk niet.
Verwant: bochtaanwijzer.
Péniche De benaming peniche werd gebruikt voor een bepaald type driemast zeevaartuig en voor een spits, een Belgisch binnenschip.
Penteren De Dikke Van Dale omschrijft het overgankelijke werkwoord penteren als: "door middel van een penter uit het water lichten" en de penter zelf als: "een toegespitst ijzer aan een ring waarmee balken uit het water worden gelicht". Het is het aanhaken of vastmaken van iets onder of in het water  (boomstam, visnet, boomkor, anker e.d.) om het te bezorgen. Verwante woorden zijn penterbalk (kraanbalk, hijsbalk), penterbak (schuit in balkengat), penterhaak (ijzeren haak als werktuig om balken uit het water te halen) en penter of pentertalie (takel).
Perkoenpaal

Perkoenpalen zijn rondhouten palen die een ouderwetse walbeschoeing van horizontale planken aan de waterzijde ondersteunen. Ze steken net boven water of bevinden zich afhankelijk van het waterpeil zeer gevaarlijk daaronder. Bij het naderen van zo'n wal om te meren moet dit in gedachten worden gehouden, want de palen kunnen lelijke beschadiging veroorzaken. Ze komen gelukkig in deze vorm steeds minder voor. Perkoenpalen bestaan nog steeds als beschoeing. Ze worden dan strak tegen elkaar tegen de walkant ingedreven met aan de waterzijde een platte sloef of sloof (afdekplank) Zo'n perkoenbeschoeiing is een stuk "aanlegvriendelijker". Een andere toepassing is het creëren van een bufferzone zoals op het plaatje. De perkoenpalen worden een stukje uit de wal gezet en dienen om afkalving van m.n. veengrond te voorkomen door een natte "rustige" zone tussen water en oever.
Verwant: damwand.
Petrejus Petrejus, Egbert Willem (geb. 28.2.1898), van 1956 tot 1964 conservator van het Maritiem Museum "Prins Hendrik" te Rotterdam. Auteur van de volgende maritieme werken: Model van de oorlogsbrik "Irene" (Hengelo 1946); De bomschuit, een verdwenen scheepstype (Rotterdam 1954); Scheepsmodellen, binnenschepen (Bussum 1964); The Dutch flute (Lausanne 1967); Oude zeilschepen en hun modellen (binnenschepen, jachten en vissersschepen), (Bussum 1971); Nederlandse zeilschepen in de 19e eeuw, (Bussum 1974). Bij de beschrijving van oude binnenvaartschepen en oude vissersschepen heb ik dankbaar gebruik gemaakt van zijn publicaties.
Peur Een peur is een tros van zware kettingen die wordt gebruikt om de snelheid van een groot schip bij het van stapel lopen (van de helling lopen) af te remmen, ook wel stopketting genoemd. In de visserij is een peur, poor of poer een vislijn waaraan een tros van zeepieren of aardwormen is geregen. De bundel wordt bij de bodem in zachte beweging gehouden om de vis te lokken. Werd o.a. gebruikt voor de vangst van bot en aal.
Pikbroek Een pikbroek is een matroos. Er kan zowel een leerlingmatroos mee worden bedoeld als een oudgediende, want de oorspronkelijke betekenis zou een luiaard zijn. Een matroos die met z'n luie kont/broek op dek zit en dus pik (pek), de zwarte kleverige teer tussen deknaden, aan zijn broek krijgt. Men kende op scheepswerven ook de "pikjongen", dat was wel een leerling. Hij was het hulpje, dat de pik maakte en warm hield bij het kalfaten van schepen. De benaming van het Friese Pikmeer bij Grou heeft een andere oorsprong. "Dat woordje pik komt naar alle waarschijnlijkheid van peke of pik, de oude naam voor mattenbies", aldus het Grouster Shantykoor De Pikbroeken.
Verwant: page, shanty, vette pik.
Pikhaak
Tja, wie kent 'm niet. De pikhaak is de onmisbare bootshaak aan boord, een stok met aan het eind een haak en aan het andere eind meestal een verdikking, de druif. Een handig middel voor het vasthouden aan de wal, afduwen, of oppikken van in het water gevallen voorwerpen. Omdat aan de haak vrijwel altijd nog een rechte pin (vlint) is aangebracht verdient het geen aanbeveling de pikhaak te gebruiken bij het afhouden van -of vastmaken aan een ander schip, tenzij het een moderne versie met kunststof haak betreft. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de haak ook wel duivelsklauw genoemd werd. Soms wordt onderscheid gemaakt tussen bootshaak en pikhaak. De een zou korter zijn dan de ander. Zoals vaak in scheepstaal schieten we daar weinig mee op, want het kan voor zowel bootshaak als pikhaak gelden. In de binnenvaart wordt meestal gewoon over "haak" gesproken.
Pilferage Pilferage is een scheepvaartterm voor diefstal uit de lading. Het her en der openmaken van verpakking en het stelen van een gedeelte van de inhoud. Een andere term is baratterie van het Engelse barratry, waarmee men doelt op acties van een schipper die de belangen van de eigenaar van het schip of lading op onrechtmatige wijze schaadt.. Een graadje erger dus. Het gaat dan om diefstal uit lading, brandstichting, smokkelen, tot eigen voordeel afwijken van de route en alle andere handelingen die het verlies of bezitneming van schip en/of lading tot gevolg kunnen hebben.
Pinas In de latere Middeleeuwen, werden nogal protserige spiegelschepen gebouwd, die opvielen door een hoog, vaak rijk versierd [rinkelwerk] hakkebord. Het waren volschepen, fregatten en galjoenen. De wat kleinere voorlopers noemde men jacht of pinasse. Volgens de Maritieme Encyclopedie worden de benamingen door elkaar gebruikt. De prachtige replica van de Duyfken is zo'n pinas of jacht.
Pink Naast de oudere visserspink, was het pinkschip (pink) een 18e eeuwse koopvaarder met een smal hoog achterschip en meestal een fregattuig met verlengde boegspriet. Een tussenvorm van fluit en fregat en als de pink een galjoen had (volgens overlevering alle VOC-pinken), leek het silhouet zelfs heel sterk op een fregat.
Pinnemaker Een pinnemaker of pennemaker was een veerman. Tot in de 19e eeuw bestond het "pinnemakersgilde" als vereniging van schippers die pontveren over de Lek bedienden. Het overzetveer tussen Vreeswijk en Vianen werd "pinnemakersveer" genoemd. De benaming lijkt te maken te hebben met het innen van veer- en passagegeld. (Utrechts archief). De Historische Kring Nieuwegein spreekt over "Pinegelt", het geld voor vrachtloon, het vervoer van koopwaren en goederen, maar ook over het daadwerkelijk vervaardigen van pinnen. Dat waren houten pennetjes waarmee schoenlappers de zolen vast maakten. In het Zuiderzeemuseum is nog zo'n paar schoenen te zien. Het vervaardigen van zoolpinnen was een uitgelezen bezigheid voor veerlieden in wachttijd. Er kon ieder moment mee gestopt worden en het materiaal nam niet veel ruimte in. Oorspronkelijk heeft Vianen 20 pinnemakers gehad, waarvan de helft op Vreeswijk en de andere helft op Gorinchem voer. Vreeswijk zou 16 pinnemakers gehad hebben. Volgens overlevering werd bij aanbod van passagiers voor de gunning van een overtocht door de schippers gedobbeld: "smakken om de beurd".
Bron o.a. Historiche Kring Nieuwegein Museum Warsenhoeck. Zie ook het uitgebreidere artikel pinnemakersveer op binnenvaarttaal.
Pint Pint is een oude inhoudsmaat van 0,6 liter. Twee pinten was een mengel en vier pinten een stoop (2,425 liter).
Piratenvlag De piratenvlag is het meest bekend als zwarte vlag met wit doodshoofd en gekruiste beenderen. Zie Jolly Roger.
Pisbak De pisbak is de ruimte achter de kluisgaten waar de ankerkabel in ligt. Oorspronkelijk een getimmerde bak of vloer met opstaande randen die achter de kluisgaten was aangebracht. De naam wordt nog steeds gebruikt voor wat we tegenwoordig kettingbak noemen. De pisbak was en is voorzien van spuigaten zodat druipwater van de ankerkabel en/of -ketting en inkomend water van de kluisgaten kan worden afgevoerd. De pisbak diende in de VOC-tijd ook wel als stal voor varkens die meegevoerd werden voor consumptie. De Partij voor de Dieren bestond nog niet...
Verwant: koebrug.
PK/Kilowatt Het vermogen van een scheepsmotor wordt bij nieuwe motoren in kilowatts aangegeven. Veel watersporters gebruiken echter nog de vertrouwde PK eenheid. Nou ja, "vertrouwde"? Naar mijn weten kon je afhankelijk van de meetwijze verschillende waarden om de oren krijgen: De indicateurpaardenkracht bij stoomboten (IPK), de vliegwiel- of  rempaardenkracht (REM PK), of de effectieve paardenkracht (EPK), die in de scheepvaart ook wel AS-PK werd genoemd naar het vermogen dat op de schroefas wordt overgebracht.
Voor een snelle ruwe omrekening kan je de volgende vuistregel hanteren.
kW naar pk: tel bij de kW's één derde van het getal.
pk naar kW: verminder het pk-getal met één vierde.
Wil je zuiver omrekenen, gebruik dan 1 pk = 0,736 kW of 1 kW = 1,36 pk
Voor een scheepsdiesel wordt als benodigd voortstuwingsvermogen om de rompsnelheid te kunnen halen wel de vuistregel van 4 tot 5kW per ton gewicht gehanteerd, hoewel het koppel eigenlijk belangrijker is. Voor buitenboordmotoren is 3kW per ton gebruikelijker.
Voor een startmotor is per kW ongeveer 1000 watt accucapaciteit nodig. Bij 12 volt is dat 83 ampère (bij 24 volt de helft). Een "normale" accu van 55 AH kan zo'n 450 ampere (CCA) startstroom leveren, genoeg voor een startmotor van 5kW.
Verwant: koppel en vermogen en elektrovaren.
Plakhout Plakhout is een geringschattende benaming voor fineer, triplex, e.d, maar ook als gangbare aanduiding voor een bouwwijze van boten waarbij multiplex in een mal wordt geplakt, zoals bijvoorbeeld bij de Kolibri. Het hout wordt strook voor strook met lijm in de vorm in een mal gelegd en vervolgens aangedrukt. Dit geeft een zeer sterke constructie, waarbij de romp in één geheel kan worden gemaakt zonder stroken te zagen en overnaads te lijmen zoals bij een Waarschip.
Plané Door de speciale rompvorm kan een schip bij opgevoerde snelheid in plané gaan, planeren. Het schip verplaatst veel minder water en glijdt er praktisch over, waardoor hoge snelheden bereikt kunnen worden. Het geeft een strak kielzog met een lang laag golfysteem, waarvan de tweede top ver achter het hek ligt. Een planerend schip veroorzaakt dus weinig golfslag en geen zuiging. Helaas gaat deze rompvorm meestal ten koste van de bestuurbaarheid op lage snelheid. Het zoeken naar een juiste rompvorm en trim had in de twintiger jaren nogal wat voeten in de aarde. De Deense ontwerper John Plum was succesvol, sommige navolgers hadden minder succes met trim en camber (dwarsscheepse welving). Een planerend schip moet overigens niet verward worden met een snelvarend jacht dat met brullende motor tegen de planeergrens vaart. De diep ingezonken kont veroorzaakt juist wel veel golfslag, zuiging en overlast.
Verwant waterverplaatsing.

geslaagde plané

minder geslaagde plané

Planeeren: Zoo noemen de boekbinders het drukpapier door lymwater haalen, en maaken dat men er op schryven kan [NvW].

Platbodem Typisch Hollands schip met een plat vlak, zoals botter, schouw of aak, maar ook oude zeegaande schepen als fluit en galjoot. Er waren echter veel meer typen "platbomers" (platboomd, platbodemd of rogbord schepen).
Kenmerken:
- Gebouwd zonder kielbalk maar meestal met kielplank, dikker dan de overige planken van het vlak.
- Het vlak is in dwarsrichting plat (vlak of bijna vlak), in ieder geval rechtlijnig, dwars van iedere zijde van de middellijn
- De kimmen zijn evenals bij een knikspant hoekig tegen het vlak geplaatst.
- Het tuig is meestal een gaffeltuig. (gebogen of rechte gaffel).
De rompvorm leent zich tot goedkope constructie.
Zo kennen we uit de visserij: botter, grundel (soms geen gaffeltuig) , hoogaars, jol schokker en schouw.
Zie ook het overzicht rond- en platbodem jachten, oude scheepstypen.en gaffelzeil.
Platgat(ter) Een platgatter is een zeiljacht waarvan het achterschip bestaat uit een platte spiegel welke op de hartlijn de waterlijn raakt. Meestal met aangehangen roer. Door de spiegel sterk achterover te laten hellen kan een platgat een goede mate van zeewaardigheid hebben. [ME5].
Platvis Als wetenswaardigheid. Wat zijn platvissen? Alle soorten hebben zeer smakelijk vlees. Daar ben je als vis klaar mee. Wanneer je geluk hebt ben je na vangst amechtig dood gegaan aan zuurstofgebrek of doodgedrukt in het net, maar "vers" betekent dat je nog levend net als paling van je ingewanden wordt ontdaan. Geen probleem want je kan immers niet gillen, dus van pijn is geen sprake. Een logica die ook door sportvissers wordt aangehangen. Een haak in de bek? So what? Het gevecht van inhalen was toch eerlijk en sportief en we zetten het visje na verwijderen van de weerhaak toch weer terug?
- Bot
- Dwergtong
- Griet
- Heilbot
- Lange schar
- Rog *
- Schar
- Schol
- Schurfvis
- Tarbot
- Tong
- Tongschar
- Witje
*) De rog hoort eigenlijk niet thuis in dit rijtje want het is geen geen "platvis", maar wel een platte vis. "Echte" platvissen worden geboren als rondvis en pas een paar weken later getransformeerd tot platvis. Van de rog is vooral het stevige vlees van de vleugels smakelijk. Het zoet doet denken aan kreeft of krab.
Plecht Voor- of achterdek. Zie ook klapmuts.
Plei Bij een rivierdelta de vooruitstekende landpunt tussen twee armen van de rivier. [JvG].
Pleit Een pleit is een vroeg Middeleeuwse binnenvaartschip. De platte pleyte kwam vooral voor in Vlaanderen en de Zeeuwse wateren, maar werd ook ingezet als vrachtschip voor de Rijnvaart.
Pleziervaart  Definitie van de Maritieme Encyclopedie [1970]: De vaart met pleziervaartuigen, waarop de eigenaar of huurder louter voor eigen genoegen vaart.
Pleziervaartuigen die groter zijn dan 20 meter en waarvoor het product van lengte, breedte en diepgang ten minste 100 m³ bedraagt zijn sinds 2009 "certificaatpichtig". Zie het Nederlands Bureau Keuring Binnenvaart (stichting NBKB). Tja, 't is Nederland, dus regeltjes, regeltjes en ........
Verwant: watersport, motorboot, sportboot en als absolute aanrader varendoejesamen.
Plimsoll
Heeft niets te maken met watersport, maar toch vermeld als maritieme wetenswaardigheid.
De republieken Genua en Venetië schijnen, evenals de Hanze, in de Middeleeuwen reeds dwingende voorschriften te hebben gesteld ter voorkoming van te diep afladen van de schepen, maar deze voorschriften zijn nooit algemeen toegepast. Tot de "Merchant Shipping Act" in 1876 werd het afladen overgelaten aan het beleid en de goede zeemanschap van de kapitein. Deze werd, indien niet zelf eigenaar, sterk beïnvloed door de reder.
Samuel Plimsoll (1824 - 1898), een Engels parlementslid voortgekomen uit het gewone volk, hij was kolenboer, keerde zich tegen het misbruik van reders die onverantwoordelijk diep geladen maar hoog verzekerde schepen naar zee stuurden, zonder zich te bekommeren om het leven der opvarenden. Met zijn boek Our Seamen (1872) en zijn spraakmakende optredens in het Lagerhuis, wist hij publieke belangstelling op te wekken, hetgeen tot gevolg had dat in 1876 voornoemde act werd afgekondigd. Deze verplichtte de reders op hun schepen een merk aan te brengen dat de maximum diepgang aangaf waartoe een schip in zout water mocht worden geladen (Plimsoll merk). In Nederland uitwateringsmerk of maximum-diepgangsmerk genoemd, een merk dat aan stuurboord- en bakboordzijde ter halve lengte blijvend en duidelijk op de huid is aangebracht. Het geeft aan tot welk vrijboord een schip onder bepaalde omstandigheden mag worden afgeladen. Hiermee is dus de minimum uitwatering of wel het minimum vrijboord bepaald, van groot belang voor de zeewaardigheid van een schip.

Het Plimsollmerk wordt voornamelijk bepaald door de deklijn en een punt onder het midden van de deklijn op een afstand gelijk aan de voor het schip toegestane minimum zomeruitwatering, verticaal gemeten vanaf de bovenkant van de deklijn. Rond dit punt wordt een ring ingehakt met een buitenmiddellijn van 300 mm, die gesneden wordt door een horizontale lijn waarvan de bovenkant door het middelpunt van de ring gaat. De cirkel en alle lijnen behorend tot het uitwateringsmerk hebben een dikte van 25,4 mm (een inch). De uitwateringslijnen die de minimum uitwatering onder verschillende omstandigheden, jaargetijden en vaargebieden aangeven, zijn horizontale lijnen, 230 mm lang, loodrecht staande op een verticale lijn, 540 mm vóór het middelpunt van de ring.

De volgende uitwateringslijnen kunnen voorkomen (Nederlandse aanduiding):
Z - zomer zeewaterlijn. Deze lijn gaat eveneens door het middelpunt van de cirkel.
W - winter zeewaterlijn.
WNA - lijn voor de Noordatlantische Oceaan in de winter.
T - tropen zeewaterlijn.
ZW - zomer zoetwaterlijn. De afstand tussen Z en ZW is de extra inzinking die het schip in het lichtere zoetwater krijgt. Op een rivier kan men daarom veelal tot dit ZW-merk laden, daar het schip tot het zomermerk opkomt als het de riviermond heeft verlaten.
TZW - tropen zoetwaterlijn.

Bij speciale lading kunnen bovenstaande merken voorafgegaan worden door een extra letter (komt nauwelijks nog voor).
H - toevoeging voor houtvaart. De maximum diephang bij vervoer van deklasten hout onder verschillende omstandigheden en voor verschillende vaargebieden en jaargetijden. Voor verkrijging van het houtuitwateringsmerk moet het schip aan bepaalde voorwaarden voldoen. Een deklading hout geeft het schip aanvullend drijfvermogen, dus extra bescherming tegen de zee, waardoor een gereduceerde uitwatering kan worden toegestaan.
C - toevoeging voor passagiers- en troepenschepen, pelgrimsschepen en schepen met grote aantallen dekpassagiers.
D - toevoeging voor schepen die passagiers vervoeren in ruimten welke daarvoor zeer tijdelijk zijn ingericht.

Op zeilschepen behoeven alleen de uitwateringslijnen voor zoetwater en voor WNA te worden aangegeven. Het uitwateringsmerk (waartoe de deklijn ook behoort) moet in wit of geel op donkere achtergrond of in zwart op lichte achtergrond worden aangebracht aan beide zijden van het schip op een door de Scheepvaartinspectie goedgekeurde wijze. Wanneer de berekening van de uitwatering door de Scheepvaartinspectie is gedaan, worden naast de ring en boven de middellijn links een S en rechts een I geplaatst, wanneer de berekening door een erkend particulier bureau is gedaan, wordt de naam van het bureau op overeenkomstige wijze aangeduid door niet meer dan vier letters. Bijv. zoals op de afbeelding L en R: Lloyd's Register.
Bron: o.m. Maritieme Encyclopedie. Verwant inzinkingsmerk en woorden als ijkmerk en ijkplaat.

Pluut De pluut, pluit of pluiter was een visserschip dat veel weg had van een schokker, overnaads gebouwd, met zware rechte stevenbalk, kleiner dan de schokker, slanker, minder zeeg en een breder vlak.
Polyester repareren Schade aan polyester schepen kan tot op zekere hoogte zelf gerepareerd worden. De beschadigde plek of scheur goed laten drogen, ontvetten (aceton) en uitslijpen of fresen. Voor vulling kan glasvezelmat en polyesterhars gebruikt worden. Denk eraan de harder in de juiste verhouding aan de hars toe te voegen. Maak niet te veel in één keer aan. Gebruik voor het aanmaken een wijde bak, want de chemische reactie ontwikkeld veel warmte, die in een nauw potje niet weg kan, waardoor de hars bloedheet wordt en veel te snel uithardt. De reparatieplek insmeren met hars, het op maat gemaakte stukje mat in/op de beschadigde plek duwen en met een kwastje al deppend goed verzadigen. Eventueel meerdere lagen aanbrengen. Een volledige uitleg en materiaallijst is te vinden op de site van PolyesterShoppen. Veel mensen zweren bij het - duurdere - epoxy. Het krimpt niet, hecht beter en er komen geen schadelijke dampen vrij. Epoxyhars hecht echter niet aan glasvezelmat; gebruik in plaats daarvan geweven glasdoek. Beschadiging van de buitenzijde kan/dient afgewerkt te worden met een laagje gelcoat in de juiste kleur, meestal te verkrijgen bij de bouwer van het schip. Na afloop schuren met fijn waterproof schuurpapier en cleaneren/polijsten met Commandant nr 4. Zie ook de onderwerpen verweerde verf en craquelé. Verwant: osmose.
Poon In een poon en zeker de robuuste Zeeuwse, zie je de oervorm van de tjalk met kenmerken van de oude pink of bom. Een bezaansgetuigde éénmaster met een kenmerkend gebogen, van boven naar binnen vallende puntige voorsteven en platte berghouten die doorlopen tot voor- en achtersteven.
Pogge De pogge, ook wel mot, mutte of muttetjalk genoemd was een Duits vrachtbootje met paviljoen. De mutte werd reeds in de 18e eeuw vermeld en voer hoofdzakelijk op de Eems. Kleine typen van 15 tot 30 ton werden in Oostfriese en Oldenburgse veengebieden gebruikt, grotere vervoerden lading naar de Weser en de Elbe. Zij werden vooral in Oostfriesland en Oldenburg gebouwd.
Polakker Polakker is volgens Arne Zuidhoek een nogal  mistige term. Het zou betrekking kunnen hebben op de rompvorm, het zeilplan, het masttype of de naam van een zeilschip. Hij vertelt: De woordherkomst van polakker is obscuur. Polakker kan gewelddadig betekenen of "Poolse ruiter". Een polakker romp is ondiep en voor en achter redelijk conclaaf (afgesloten). Een polakker tuig had betrekking op een tuigage van twee of drie paalmasten. zonder zalingen. De tuigage was uiterst eenvoudig en licht hanteerbaar; de zeilen konden snel en gemakkelijk worden geborgen door de ra's te laten zakken, desnoods tot op het dek. De ra's werden tot vlak bij elkaar gestreken, zodat de zeilen vanaf de onderliggende ra konden worden behandeld; daarom waren er in de tuigage geen paarden aanwezig. Over het algemeen waren de zeilen hoog en smal. De polakkertuigage werd op de meest uiteenlopende scheepstypen gevoerd. In ons taalgebied kennen we het eigenlijk alleen als masttype. Zie: paalmast.
Bron o.a. Zien en weten.
Pollepelen Geringschattende benaming bij motorbootvaarders voor het manoeuvreren met twee schroeven om langszij steiger of kade te komen.
Ponton Eigenlijk pontondekschuit, want ponton betekent niets anders dan drijflichaam. Het is een kistachtige breed en plat vaartuig, zonder zeeg en voorzien van een groot werkdek voor het vervoer van zware of omvangrijke lading. Pontons zijn bestemd om te worden gesleept, met aan boord de nodige werktuigen als lierinstallaties, bokken en kranen, en/of een generator.
Pontveer Pontveer of pont is een andere naam voor veerpont.
Poptalie
Een poptalie is een talie (takel) om het staand want stijf te zetten.
Verwant: jufferblok.
Potdeksel Zie: gangboord.
Potschip Potten en puyen kwamen uit Overijssel, waren vrijwel identiek en kwamen al in de 14e eeuw voor. Het waren rond en bol gebouwde schepen met overnaadse gangen en bolstaande luiken, vooral gebruikt voor het vervoer van turf, hoewel de naam lijkt te zijn ontstaan door het vervoer van gebruiksaardewerk zoals potten en pannen.
Potviskop Een potviskop is de indrukwekkende en hypermoderne boegvorm van sommige zeeschepen. Zie X-bow ship.
Praaien Praaien komt van prejen (vèrspreken) Het zich met een ander schip in verbinding stellen door aanroepen (geluidsinstallatie, praai-installatie), seinen, of marifoon. Vroeger maakte men gebruik van een roeper, spreektrompet of spraakroer (megafoon). Met "praaien" wordt bij de marine ook het geven van commando's (b.v. roer- en stuurorders) bedoeld.
Praam Een praam is een platboomd laag schip met aanvankelijk een lichte zeeg, welke later verdween, met kenmerkende rechtopstaande, soms zelfs naar binnen vallende, spitse steven en spitse kont (gelijke bouworde) . Het vlak was niet zelden van goedkoop vurenhout (onder het motto: "een vlak verrot toch niet") met een fijn soort veenmos (sphagnum) tussen de naden. Ze waren zonder binnenwegering, "zoo dat men de inhouten in het ruim bloot ziet" [PleC].
Praktijk vaarschool Kijk voor motorboot praktijkvaarscholen bij opleiding.
Voor zeilscholen op zeilschool.pagina.
Preekstoel Een preekstoel is het afzonderlijk, of soms enig aanwezige, stuk reling op de voorplecht van het schip. Op de achterplecht spreekt men van een hekstoel.
Presenning Presenning of brezeling. Dekkleed over de luiken van een vrachtschip om de lading tegen inwateren te beschermen. Wordt ook wel persenning genoemd, hoewel dat eigenlijk de benaming is van de naad tussen dekdelen. Het woord zou een verbastering van het Franse préceinte zijn. Presenningen worden gesjord, of geschalkt, d.w.z. met ijzeren (schalk)latten en houten keggen vastgezet. In de zeevaart ook wel afkeggen genoemd, terwijl men bij de marine over schalmen spreekt ("schalmen" als werkwoord en niet als kettingschakel). Als een laadruim van een binnenschip op gebruikelijke wijze is ingedeeld kennen we de volgende benamingen. Langsscheepse schotten (luikhoofden) heten denneboom of den, dwarsscheepse schotten heten schild. In langsscheepse richting ligt midden over de luikopening een schaarbalk (scheerbalk, scheerstok, schaarstok) en dwarsscheeps, maar soms langsscheeps over schaarbalk en denneboom liggen draagbalken, de z.g.n. merkels, die bij extra ondersteuning op b.v. zeetjalken ook wel vosseboom werden genoemd. Ze hebben de vorm van een U (voorzien van een goot) of omgekeerde T om regen en/of buiswater af te voeren. Het geheel van luikranden, het draagvlak voor de luiken, wordt ook wel den genoemd.
Presenteren "Presenteren van het anker". Het laten vallen van het anker als hulpmiddel bij manoeuvres op rivieren en nauw vaarwater of in een haven wanneer machine of roerinstallatie weigert en de boot gestopt moet worden. Het zal bij pleziervaarders niet gauw voorkomen.
Prikkenbijter Bij de hoekwantvisserij (beugvisserij) op schelvis en kabeljauw beschikten de schepen over kleine karen (prikkebakken) waar aasvissen in zoet water bewaard werden, om op het laatste moment in mootjes gesneden aan de beug geprikt te worden. Er bestond geen beter aas dan stukjes verse rivierprik. Eerder gedode prik was niet geschikt vanwege de los geworden structuur van het visvlees. De prik of negenoog (officiele naam lamprei) heeft de vorm van een kleine paling. Het waren "ronde prikken", want de uitgepaaide "platte prikken" hadden te los vlees om "gehoekt" te worden. Een scheepsjongen was belast met het doodbijten van de uit de kaar geviste prik. Een dooie prik was gemakkelijker in stukken te snijden dan eentje die rond je vingers en handen kronkelende. Het baantje van prikkenbijter was niet aangenaam. Met de hoektanden gaf hij het visje even achter een wit plekje op de kop een knauw, waarna onmiddellijk het doel werd bereikt. Bij elke beet spoot echter een beetje bitter vissenbloed in zijn mond, zelfs tot in de keel. Volgens overlevering ontving hij daarom na afloop van zijn beulswerk vier vijgen of andere lekkernij [Menno Smit]. Prikkenbijter werd natuurlijk als prikkebijter geschreven. Meer op de blog van arjaentje en de blog van John Faasse.
Verwant: hoeker.

 
Prinswerk
Prinswerk is een typische scheepsdecoratie die werd gebruikt op bepaalde Nederlandse vissersschepen en pleziervaartuigen, bestaande uit een smalle rand van afwisselend rode, witte en blauwe driehoeken. Het beroepsmatig aanbrengen van prinswerk werd gedaan door een prinser en  kon voorkomen op de beide klampen van het roer waarop de helmstok steunde en op de hennebalk (plaatje), maar ook op de bedelbalk en boven de toegangsdeur van het vooronder. Het Scheepvaartmuseum Amsterdam toont het model van een Smakschip met prinswerk over de gehele lengte van het boeisel. Het lijkt echter een interpretatie van de modelbouwer. In plaats van prinswerk werd op de balken of de kajuitfries ook wel kunstig snijwerk of een spreuk of rijmpje aangebracht, al of niet in kleur. Verwant: prinsegeus.
Propeller Propeller is een andere naam voor scheepsschroef.
Proportionele boegschroef Elektrische boegschroeven hebben over het algemeen slechts één stand, voluit, en produceren daarbij een irritant gierend geluid (een bak herrie). Doseren kan alleen met korte pulsen. Veel pleziervaarders zouden graag een proportionele regeling van de stuwkracht hebben. Dat is inmiddels mogelijk. Er zijn meerdere leveranciers die zo'n "boostcontrol", "speedcontrol" of "electric motor controller" voor boegschroeven aanbieden. De boegschroef kan met gedoseerd toerental bediend worden en heet dan "proportionele boegschroef". Kijk b.v. bij asabootelectro, combinoord of alltrax.
Verwant: boegschroef, rooster.
Propulsieroer De speciale getordeerde vorm van dit roer is ontstaan in de binnenvaart en heeft zijn naam te danken aan een verbetering van de propulsie. Niet alleen een verhoogd voortstuwingsrendement, maar ook betere manoeuvreereigenschappen en koersvastheid door een verminderde wielwerking. Deze laatste eigenschappen zijn inmiddels ook in de pleziervaart ontdekt, waar het roer met succes wordt toegepast als remedie tegen ongemanierdheid (het voortdurend uit koers lopen). Een standaard toepassing is niet te verwachten vanwege de hogere kostprijs. Dit was de reden voor schipper Pier Bruinsma † om zo'n roer zelf te maken. Hij bereikte de gewenste tordering, het weserprofiel, door het roer uit verschillende - ten opzichte van elkaar verschoven - stroken op te bouwen. De naam "Weser" is ontleend aan de Duitse werf die dit ooit bedacht heeft. Hij noemt het "Een roer met een twist. Nu kan ik tenminste naar voren lopen om de mast te laten zakken terwijl het schip keurig op koers blijft".
Verwant: balansroer, schillingroer, roeruitslag, uit koers, vuistregel roerwerking en Piers vuistregel voor het berekenen van koelbuizen onder de boot..
   
Propulsieroer van Van der Velden "Weser-roer" van Bruinsma
Psalmboek Psalmboek of gezangboek. De steen, puimsteen (sponsachtige gestolde lava) of geel zandsteen, waarmee men op de knietjes het houten dek schuurde had de vorm van een psalmboek, of zoals de Engelsen zeiden een holystone. Een zwaarder "boek" (zo'n 25 kilo) was voorzien van een beugel met een stokhouder. Het werk kon dan staand gedaan worden. Bij dit eentonige karwei [psalmzingen, holystonen of kossokken] werd natuurlijk gezongen. Dat konden gewaagde zeemansliederen [shanties of fokselliederen] zijn, maar als de kapitein daar niet van gediend was werden luidkeels psalmen ten gehore gebracht, althans, zo wil de overlevering. Het "psalmen zingen" werd ook als straf voor lichtere vergrijpen gebruikt. Er mocht dan juist niet gesproken of gezongen worden.

Voorbij was de tijd van het psalmboek. Dit apparaat werd in 1953 op de City of Port Elizabeth in gebruik genomen.
Pulsvisserij Een betrekkelijk nieuwe vangstmethode is pulsvisserij. Er worden stroomdraden over de bodem gesleept, waardoor de platvis door een elektrische schok wordt opgeschrikt. De methode kent ongekende voordelen voor de visserman. Hij kan met beduidend minder branstof toe omdat geen zware kettingen (wekkerkettingen) over de bodem gesleept hoeven te worden. De bijvangst is ook minder want de bovenzwemmende visjes overleven het meestal. Merkwaardig is dat meer tong dan schol wordt gevangen. De schol is kennelijk behoorlijk "schokbestendig". Hogere spanning betekent grotere vis.
Verwant: flyshooter, jiggen, snurrevaad.
Punter Een punter is een slank platbodemd open vissers- en gebruiksbootje voor de binnenwateren, maar ook de Oostwal van de Zuiderzee. Voerde een sprietzeil zonder giek en toont verwantschap met de grundel. Ogenschijnlijk zeer eenvoudig gebouwd. De zijkanten bestaan uit slechts één gang (plank) met daarop een zetboord van ook weer één plank. Juist deze bouwwijze vraagt echter vakmanschap en een moeizaam tijdrovend proces van scheluw branden, passen en schaven om de zijden goed sluitend langs vlak en stevens op maat te krijgen.
Puts Een puts is een emmertje met in het midden van het hengsel een oog, waarin een touw, met aan het eind een sjouwerman, is gesplitst. Het putsen van water vergt enige behendigheid. Onder het varen dient de puts in de vaarrichting te water geworpen te worden en zodra de lijn rechtstandig naar beneden loopt weer opgehaald te worden. Als je daar langer mee wacht is het risico groot, dat de inmiddels volle puts uit je handen wordt gerukt. Stilliggend maakt het weinig uit hoe de puts geworpen wordt. Eenmaal te water laat een kort zijdelings rukje aan het touw de puts kantelen, waarna hij met een ferme zwier in één vloeiende beweging omhoog gehaald kan worden.
Vroeger kende men houten zout- en zoetwaterputsen en hoge smalle zeildoekse slagputsen (amiraaltjes). De zoutwaterputsen waren van onder breed; de zoetwaterputsen smal met twee tegenover elkander staande duigen die langer dan de overige waren, om er de strop (het touwen hengsel) door te halen. Bij de zoutwaterputs was de strop strak over de bovenzijde doorgehaald. Dit verschil in stroppen had als reden dat het zoetwater "zindelijk" moest blijven, dus niet met de handen mocht worden aangeraakt; terwijl dit bij zoutwater van geen belang was. Verder werd bij zoutwaterputsen een halve sjouwerman als stopper gebruikt en bij zoetwaterputsen een hele. De zeildoekse putsen waren cilindervormig; de bovenrand meestal verzwaard met een met touw of zeildoek omwikkelde ring. De verzwaring was nodig om de opening van de puts eerder in het water te laten komen, waardoor hij meteen schepte. Vandaar de benaming slagputs.
Putting Een putting is het zwaar gefundeerde bevestigingsoog aan romp of dek voor het vastzetten van het want. Ook wel oogbout, rustijzer of slaper. Maar ook de vaste touw- of stangbevestiging onder een mars aan de mast of onder een rust aan de scheepswand.
Putvorming Putvorming of putcorrosie ontstaat door galvanische corrosie bij een onderwaterschip waar de beschermende coating is beschadigd. Het kleine oppervlak waar de beschadiging plaats heeft gevonden gaat dan als anode van een galvanische cel fungeren, waarbij de grote onbeschadigde beschermingslaag de kathode vormt. Het "anodegedeelte" krijgt kleine maar diepe putten. Dit komt vooral voor bij oudere schepen die niet goed onderhouden zijn. In zoet water duurt het vele jaren. In zout water kan het zomaar binnen een jaar gebeurd zijn.
Maar... het kan ook optreden bij een ligplaats aan een stalen damwand die voorzien is van een elektrische (kathodische) bescherming tegen corrosie. Als je stalen schip een vaste ligplaats heeft bij zo'n damwand zonder geleidend contact met die wand zal onherroepelijk aan de walzijde rond de waterlijn putvorming ontstaan door zwerfstromen. Het schip wordt gezien als een vreemd element en zal langzaam wegvreten, een effect dat op zout water nog wordt verergerd.
Verwant: anode, damwand.

 

  A     B     C     D     E     F     G     H     I     J     K     L     M     N     O     P     Q     R     S     T     U     V     W     X     Y     Z  

Heel graag op- of aanmerkingen
.

Op alle materiaal (layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke toestemming.

Mocht je ondanks alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.

verantwoording