|
| Aan - Als | "Aan de bak komen", "Schaften aan de
bak" of "Niet aan de bak komen", "Geen slag aan de bak
krijgen". De groep manschappen van één wacht heet een bak. Er werd per bak gegeten en de naam zou wel eens onstaan kunnen zijn doordat het voedsel werd opgediend in een grote houten bak waar men met z'n allen uit at. Het overdekte voordek waar gegeten werd heet(te) echter ook bak. Mogelijk is de naam dus een kwestie van de kip of het ei. Aan het hoofd zat de baksmeester. Hij regelde de verdeling. Wie niet aan de bak kwam (verscheen) kreeg geen eten. Volgens zeggen kon een bemanningslid ook aan de bak geweigerd worden wanneer hij - ondanks dat men wel wat gewend was - te erg stonk of b.v. vieze zweren, etterende wonden of luizen had. Dan werd hij geïsoleerd en moest de maaltijd maar elders of op het luizenplechtje nuttigen. Het luizenplechtje was het dekje tussen bak en galjoen. De ergste gevallen werden daar wel vastgebonden, opdat het buiswater ze schoon kon spoelen. - (Niet) aan de beurt komen. - (Niet) aan het werk komen. - (G)een kans krijgen. "Aanklampen". Het schip aan een ander schip bevestigen om het te enteren. - Iemand aanspreken (staande houden en aanspreken). "Aan lager wal raken". Als een schip aan lager wal geraakt, de walkant waar de wind op staat, is het - zeker voor een zeilschip - moeilijk daar weer weg te komen. - In armoedige omstandigheden terechtkomen. "Aan Neptunus offeren". Eigenlijk is Neptunus de Romeins mythologische god van het zoete water, doch al eeuwen v. C. door zeevarenden geclaimd en vereenzelvigd met de Griekse zeegod Poseidon. Neptunus wordt dan ook meestal als zeegod afgebeeld op een dolfijn, met een drietand in de hand. - Overboord kotsen. "Achterbaks". Bij zeegevechten werd wel een bak matrozen (zie "aan de bak komen") achterbaks gehouden om gedurende de strijd ineens als verrassing ingezet te worden. Het is evenwel mogelijk dat het Oudnederlandse bac = rug bedoeld wordt in de betekenis: "Achter de rug houden". Zie ook bakboord. - Stiekem, niet openhartig. - In het geheim, op de achtergrond. "Achter kaap kont liggen". - Zeemansuitdrukking voor overnachten bij de eigen vrouw. Ook als "achter de gebreide broek liggen". "Achteruit moeten komen" ook als "Stuurboord voor moeten komen". Bij de kapitein moeten komen. De kapiteinshut bevond zich in de kampanje, het verhoogde achtergedeelte van het schip. - Bij de chef/baas moeten komen. - Ter verantwoording worden geroepen. "Achteruit zeilen". - De toestand of de zaak wordt alleen maar slechter. - Iemand die achter blijft en later komt (achteruitzeiler). "Afblazen". Plassen, (overboord) urineren. "Afgang". Men sprak bij de marine niet van de trap naar kuildek, tussendek e.d, maar van de afgang naar.... De enige "trappen" aan boord waren de statietrap die aan stuurboord langs boord hing en de valreeptrap aan bakboord. Alleen als wetenswaardigheid, want onderstaande betekenis in ons spraakgebruik komt er niet vandaan. - Totale mislukking, terwijl op succes gerekend was. - Stoelgang. "Afknijpen". Een ander schip juist op 't randje de loef afsteken (wind uit de zeilen nemen). - Iemand behoorlijk hinderen of overmatig drillen. "Afnokken". Na het laden of lossen liet men de nok van de laadboom in de mik laten zakken. De "mik" of "bek" is een houder waar laadboom, mast of giek in rust. Van oorsprong de benaming van de steun waar het schietroer (geweer) opgelegd werd om te mikken. - Ergens mee stoppen. - Ophouden met werken. "Afpoeieren". Het beschieten van een vijandelijk vaartuig werd zo genoemd. - Iemand met een praatje wegsturen, afschepen, wegbonjouren. "Afschepen". De goederen/ lading in het schip brengen, maar ook het verschepen van veroordeelden naar overzeese gebiedsdelen. - Zich van iemand afmaken. - Iemand niet het antwoord geven dat hij verlangt. "Aftakelen". Een zeilschip dat voor langere tijd niet gebruikt zal worden, wordt afgetakeld, d.w.z. van alle tuigage (takelage) ontdaan. Omgekeerd: toetakelen. - Oud worden, lichamelijk slechter worden. "Aftuigen". Het af- en toetuigen heeft dezelfde betekenis als het af- en toetakelen van hierboven. In vroeger tijden afsmeren (VOC-glossarium) genoemd. Het van scheepstuigage ontdoen en voorzien. Het WNT: Woordenboek der Nederlandsche Taal vermeldt: "De betekenis beroven komt voor in 1899, afranselen verschijnt in de 20e eeuw. Mogelijk stamt de betekenis beroven van het homonieme werkwoord mnl. aftugen iemand door getuigenis voor de rechter zijn goed ontnemen". Het is dus bijna zeker dat onderstaande betekenis geen maritieme oorsprong heeft. - Beroven. - Afranselen. "Afwimpelen". Vlootmanoeuvres werden vanaf het admiraalsschip met vlaggen gestuurd. Het herroepen van een actie of beeindiging van manoeuvres werd met een specifieke wimpel "afgewimpeld". - Afwijzen, van zich weg houden. "Alfredje". "Dat is weer een typisch Alfredje" Het scheepsvlakratje dat meestal op een rood fietsje rondrijdt. Hij krijgt de schuld van alles wanneer de overige bemanningsleden van niets zeggen te weten. [tvhw] "Alles komt af, behalve pompen". Bij lekkage onder de waterlijn moet gepompt worden. Daar komt geen eind aan, want zodra men stopt zal het schip weer vollopen. - Iets dat altijd voortduurt. "Alles los, voor en achter". Het schip is klaar om te vertrekken. Alle meertrossen zijn ingenomen. Als commando: "voor en achter los"! - Vrij man na het verbreken van een relatie. "Als de buis geen haring vangt is de stuurman de schelm". De haringbuis werd tot in de 19e eeuw gebruikt voor de haringvangst. Zoals ook nu nog bepaalde de schipper waar de vleet ter nering ging. Bij een slechte vangst zou men dus hooguit hem de schuld kunnen geven en niet de stuurman. - De verkeerde persoon de schuld geven (de boodschapper krijgt de schuld). "Als het getij verloopt moet men de bakens verzetten" of "Als het getij verloopt verzet men de bakens". Getijstromen veroorzaken geulen en ondieptes. De geulen worden gemarkeerd door bakens of takken. Door sterke stroming en stormen is de situatie steeds aan verandering onderhevig. Geulen verlopen en de bebakening dient regelmatig aangepast te worden. - Zich aanpassen aan een veranderde situatie. "Als het regent in de kajuit, drupt het in de hut". In de VOC tijd was de hut het verblijf voor de scheepsofficieren, meestal gelegen onder het kampanjedek boven de kajuit, dat het verblijf voor de schipper of kapitein was. Natuurkundig gezien klopt de uitdrukking dus niet :-). - Als het de baas goed gaat, profiteren de minderen. "Als een vlag op een modderschuit". Men vond het ongepast als een modderschuit of strontschuit een natievlag voerde. - Dat past niet bij elkaar. Iets moois bij iets lelijks. |
| Baa - Bijd | "Baantjesgast". In de zeiltijd werden marinemensen die geen vakmatroos waren, maar timmerman, zeilmaker, bottelier, schrijver e.d, baantjesgasten genoemd. Ze werden wel soms bij de zeilrol geplaatst op de fokkera, waardoor de fok ook wel het oude mannenzeil werd genoemd. Alleen als wetenwaardigheid, want de benaming wordt nogal eens verward met baantjesjager, waarvan de betekenis hieronder. - Iemand die naar allerlei betrekkingen dingt. "Bagger". Bagger was de scheldnaam voor een marinier 3e klas, zoals zwabber de scheldnaam was voor een matroos 3e klas. De bagger zuigt het koper (koperpoetsen) en de zwabber zwabbert. De scheldnaam bagger is ontleend aan de bijnaam van de zuigvis (echeneididae), die zich in de tropen vastzoog aan de verkoperde huid van zeilschepen. In uitdrukkingen wordt bagger gebruikt voor iets dat slecht is. Men neemt aan dat bovenstaande betekenis bedoeld wordt en geen baggerslib. - Het werk is slecht uitgevoerd, het is bagger. - Het product is slecht, het is bagger. "Baksorder". De baksorder was een reglement welke de rechten en plichten van de aan de bak geplaatste schepelingen omschreef. Inmiddels ook als duiding van de daaruit voortgekomen tradities. De baksorder wordt toegeschreven aan admiraal Van Kinsbergen [1735 - 1819]. - opdracht van hogerhand "Bakzeil halen". Een zeil staat bak als de schoot aan loefzijde vast staat en de wind van de verkeerde kant in het zeil valt. Bakzeil halen is de zeilen zo brassen (de ra in de windrichting zetten) dat de wind er van voren inkomt en het schip dus stil blijft liggen of achteruit gaat. "To back the sails". - Terugkrabbelen. "Bederven". In vroeger tijd betekende het bewaren van voedsel hetzelfde als bederven. Zo ontstond de uitdrukking bederven voor een overschotje bij de kok. "Hé kok valt er nog iets te bederven?" Tegenwoordig zouden we zeggen: - Valt er nog iets te snaaien? "Beduvelen". Een "duvel" is een oud sein-instrument. De roodkoperen duvelpot lijkt veel op een klein model doofpot. Aan het deksel is een handvat aangebracht, dat binnenwaarts verlengd is. Aan het einde daarvan is een dot lappen bevestigd, die gedrenkt wordt in de zich in de pot bevindende terpentijn, waardoor een wit vlammend licht wordt ontstoken. In hoofdzaak werd de duvelpot gebruikt als officieel sein bij ten anker liggend schip, bij mist of bij nood. Bij lichtseinen was één duvel het contra- of begrepensein; twee duvels (d.w.z. het tweemaal achtereenvolgens ontsteken van de duvel) een verzoek om het laatste woord te herhalen en drie duvels een verzoek om het gehele sein te herhalen. Duvel is ook een verbastering van deuvel, de houten nagel of trunnel die gebruikt werd om de stroken van het vlak en de gangen van het boord op de spanten te bevestigen. E.e.a. als wetenswaardigheid, want in beide gevallen is de relatie met onderstaande betekenissen niet duidelijk. - Bijlichten in de zin van "helpen". De uitsmijter zal de klant wel even bijlichten (de deur uithelpen). - Bedriegen; voor de gek houden. (ook als "bij de wind brassen"). - Ben je beduveld? In de betekenis van "ben je niet wijs?". "Bekaaid". Een bekaaid schip was een schip dat veel van zonnehitte geleden had. Zie: fluitschip. "Bekaeit komen" werd ook gezegd van houten delen (krommers, kniestukken e.d.) die niet goed aansloten of pasten aan het schip. - Er bekaaid afkomen: er teleurgesteld/bedrogen afkomen. "Benepen". Een gestrand of anderszins vastgelopen schip is benepen als het niet vlot kan raken. - Klein, angstig, benauwd, kleinburgerlijk, bekrompen. "Beter een anker kwijt dan het gehele schip". Bij erge storm kan het noodzakelijk zijn het anker te kappen, omdat het schip anders verloren dreigt te gaan. - Iets opofferen om niet alles verloren te doen gaan. "Beunhazen", "Beunhaas". Twee betekenissen: 1) De visserman noemde het verwijderen van dode vis uit de bun beunhazen van verzopen vis. 2) Oost-Indiëvaarders die buiten de Compagnie om handelden heetten interloper (enterloper), dat in het Engels letterlijk beunhaas betekent, het equivalent van een lorrendraaier. - De regels niet in acht nemen. - Oneerlijk handelen. - Iemand die zijn baas concurrentie aandoet door voor zichzelf te werken. "Bolwerken". De oude betekenis van bolwerken was het op zee verplaatsen van scheepslading wanneer de stabiliteit in gevaar was. Ook wel verbinden (verstouwen, verzetten) genoemd. - Iets (niet) kunnen bolwerken: iets (niet) kunnen volbrengen/klaarspelen. "Botvangen". Indien bij het roeien door een onhandigheid de riem niet op het juiste moment in het water komt vangt men bot. De riem wordt door de snelheid van de roeiboot uit de handen gerukt en men slaat achterover. De letterlijke betekenis is over de bodem krabben. Bot is slib. Daar heeft platvis (bodemvis) als bot, tarbot en de reus onder de botten, heilbot, de naam aan te danken. - Geen succes hebben. - Een verzoek niet ingewilligd zien. "Botvieren". Van het Franse "bout". Witsen spreekt over botgeven. Een touw - tot het einde - laten aflopen, speciaal gezegd van de ankertros. - De vrije teugel laten; vrij spel laten. "Bram boven bram voeren", maar ook "mars boven mars voeren". De bovenste zeilen aan een steng heten bramzeilen Bij zeer hooggetuigde schepen kan een boven-bovenbramzeil gevoerd worden dat scheizeil heet en daar weer boven kan zelfs nog een zeil voorkomen. Marszeilen worden onder de bramzeilen gevoerd. - Zich groot en trots voordoen. - Pochen, branie maken. "Bij de vellen gemanierd". Een schip is "bij de vellen gemanierd" - het Latijnse velum betekent zeil -, als de stand en de hoeveelheid zeilen goed geregeld en verdeeld is, zodat het zich gemakkelijk laat besturen, niet zwaar stampt, noch wreed slingert. Ook nu nog spreken we van een "gemanierd" schip als het zich makkelijk laat besturen en zich voorbeeldig gedraagt in zware zeegang. Het omgekeerde, een schip waarbij zelfs op rustig water voordurend stuurcorrecties gemaakt moeten worden, is een "ongemanierd" schip. - Gemakkelijk in de omgang. "Bij de wal vaart men het zekerst". Voor een zeeman helemaal niet waar i.v.m. verraderlijke winden, grondzeeën en ondieptes, maar door landrotten gebruikt als: - Geen risico durven nemen. - Het niet hoog in je bol hebben "Bij de wind brassen". Tegenwinds zeilen. De zeilen van een vierkantgetuigd schip zo scherp mogelijk brassen, maar toch goed vol laten staan. De wind komt voorlijker dan dwars. De hoek die de wind met de kiellijn maakt is 60º. - Voor de gek houden. "Bijspijkeren". Een middel om de scheepshuid te beschermen tegen de gevreesde paalworm was de spijkerhuid. Het onderwaterschip werd over de gehele oppervlakte met duizenden spijkers met ronde of driehoekige koppen benageld, die na korte tijd een roestkorst op de romp vormden. Vanwege de remmende werking ging men in de loop van de achttiende eeuw over tot het leggen van een koperhuid. Aanvankelijk werden ijzeren spijkers gebruikt om de koperplaten vast te nagelen. Die veroorzaakten echter een sterke galvanische werking, waardoor ze oxydeerden en de platen van de romp vielen. Later heeft men koperen spijkers gebruikt. Bij beide methoden moest regelmatig bijgespijkerd worden. - Tekort aanvullen (geld, kennis). - Schade inhalen. - Opknappen. |
| Dan - Dwa | "Dan liever de lucht in". Deze uitspraak wordt toegeschreven aan buitengewoon luitenant ter zee der 2e klasse Jan Carel Josephus van Speyk. Zijn opdracht was om tijdens de Belgische opstand de Schelde bij Antwerpen te blokkeren. Op 5 februari 1831 geraakte kanonneerboot "No.2" van Van Speyk aan lager wal, waarop de Belgen aan boord sprongen. Liever dan zich over te geven liet hij zijn schip de lucht in vliegen. Hoewel naast de enteraars vrijwel zijn gehele bemanning omkwam wordt deze wanhoopsdaad in de geschiedenisboekjes als heldhaftig omschreven. Slechts enkele schepelingen kregen lucht van zijn plan en wisten bijtijds overboord te springen en hun hachje te redden, waardoor zijn laatste woorden en wijze van uitvoeren bekend zijn geworden. Hij sprak volgens hen: "Dan liever de lucht in" en wierp zijn sigaar in het kruidvat. Gelukkig hebben we vandaag de dag een heel ander oordeel over mensen die zichzelf opblazen. Nadien werd de marine een tijd lang (in ieder geval nog in het adelborsten-jaarboek van 1919) met een kleinerend "Jan Kaas" aangeduid. Heden ten dage is Jan Kaas een geuzennaam voor een marinier. Zie ook kanonneerboot. - Iets ten koste van alles niet willen doen, of toelaten. "Dat kan hij best scheren" maar ook als "Hij is nog niet ingeschoren". Het geleiden van touwwerk door takels heet scheren of doorscheren. - 1. Competent zijn voor een bepaald soort werk. - 2. Hij is nog niet op dreef (op gang). "Dat is een kink in de kabel". Een kink in de kabel is een valse (verkeerde, of te korte) slag of draai in een lijn, tros, ketting of staaldraad. Het woord zou komen van krink (kreuk). Een lijn met een kink loopt vast in het blok (katrol). Wanneer vanwege harde wind zeil gestreken moet worden en dat door de kink niet lukt, kan een gevaarlijke situatie ontstaan. - Stagnatie in de voortgang. - Er zijn moeilijkheden gerezen, er is iets verkeerd gegaan. "De admiraal heeft geschoten". De admiraal was de opperbevelhebber van de oorlogsvloot. Op zijn commando werd het vuur geopend. De benaming "admiraal" dateert van de kruistochten en is een verbastering van het Arabische emir el mar, generaal ter zee. In Nederland bestaat het woord alleen nog als aanspreektitel voor een vice-admiraal of luitenant-admiraal. De rang admiraal is sedert 1813 voorbehouden aan de koning. - De gastheer heeft zijn glas geheven ten teken dat de maaltijd kan beginnen. - Het startsein is gegeven. "De borst nat maken" ook als "Zich de borst nat maken" Met flinke zeegang en verkeerde wind moesten zeilschepen gehalsd worden. De mannen stonden in weer en wind aan de braslijnen, geitalies, toppenanten, halslijnen en schoten, of moesten uitenteren op de marsera's om zeil in te nemen. Naar huidige maatstaven een onvoorstelbaar zwaar werk, waarbij op z'n minst je borst doornat werd. Was het niet van het water dan was het wel van het zweet. - voorbereiding op veel en zwaar werk of onaangename toestanden. "De bramzeilen bijzetten". Barken en volschepen (windjammers) zijn vierkant getuigd. De bovenste zeilen heten bramzeilen en worden alleen bijgezet bij matige wind om een maximale snelheid uit het schip te halen. Bij hardere wind kan een gevaarlijke situatie ontstaan. Het bijzetten vraagt dan geweldig goed zeemanschap. - Alles doen om het doel te bereiken. "De breeveertien opgaan". Eén van de visgronden van de Noordzee was de zandbank Breeveertien, lopend van Scheveningen tot Texel, zo'n 30 mijl uit de kust en gemiddeld 14 vadem onder water. De naam had bij de inwoners van de kustplaatsen een slechte klank, want vele schepen zijn daar vergaan. - Verkwisten, verongelukken. - De verkeerde weg opgaan; in het bijzonder voor meisjes. "De fok uithouden". Tegen beter weten in de fok die geen zuchtje wind vangt uithouden. - Een irritant of nutteloos iemand de hand boven het hoofd houden. "De grote zee overgevaren zijn". Oude zeemansuitdrukking. - In gevaar verkeerd hebben. "De kous op de kop krijgen". Dat zei men van iemand die van een vergeefse zeereis berooid terugkeerde, zodat hij zijn kous als muts moest gebruiken. Carolus Tuinman zei als aanvulling daarop in 1726: "[...] en baarvoets moet lopen op zijn moeders velkousen en vaders schoenen van mensenleer, die niet snel afgelegd en versleten worden, noch van mode veranderen". - een mislukt plan. - niet krijgen wat verwacht wordt. "De kurkezak zijn". Een kurkezak was de eenvoudigste vorm van een stootkussen dat we tegenwoordig fender noemen. - Iemand die de klappen opvangt; de zwartepiet krijgt. "De naald in het spek steken". De zeilmaker gebruikte een stuk spek als speldenkussen om het roesten van de naalden tegen te gaan en het doorsteken van het zeil te vergemakkelijken. De naald ging minder stroef. Als hij klaar was stak hij zijn naald dus in het spek. - Ergens mee op houden; er de brui aan geven. - Met pensioen gaan. "De pijpleiding opzoeken". Vroeger aan boord van stoomschepen was het een wirwar van pijpleidingen. Het vergde heel wat tijd om daarin wegwijs te worden. - De inwerkperiode in een nieuwe baan. "De roef voor de den hebben". Sommige binnenvaartschepen hadden de roef (woonruimte) vóór de stuurhut boven het ruim (de den). - De zaak in de gaten houden. - Het goed voor elkaar hebben. - Riant wonen. "De stuurman zeilt van de plecht af". De roerganger raakt - door welke oorzaak dan ook - de koers kwijt. - De zaak niet meer meester zijn. "De vlag strijken". In een zeegevecht, maar ook in piraterij streek men de natievlag als teken van overgave. - Onderdoen voor iemand. In een debat het onderspit delven. "De wind uit de zeilen nemen" of "De loef afsteken". Wedstrijdzeilers willen de tegenstander nog wel eens hinderen door hem de wind uit de zeilen te nemen. De schipper manoeuvreert zijn schip zodanig aan loefzijde van het andere schip, dat zijn eigen zeilen de wind benutten, maar tegenhouden (afdekken) voor het andere schip. Het gebied vol luchtwervelingen aan de lijzijde van een zeil wordt afdekkingskegel of vuile wind genoemd. De kegel is voor-de-wind varend het grootst en kan wel een lengte van drie maal de masthoogte bereiken. - Iemand hinderen. "De wind van voren krijgen". Bij oude vierkant getuigde schepen was het moeilijk voortgang te boeken bij wind van voren. - Berispt worden, op je donder krijgen. - Teruggefloten worden. "De zee is zonder water". - Van overvloed naar niets. - Van rijk naar arm. - Alles vergokt. "De zeilen natten" of "Met natte zeilen". Natte zeilen vangen meer wind, waardoor meer snelheid wordt verkregen: "Kijk 'm z'n zeilen natten". Het nat gooien om het doek tijdelijk dichter en effectiever te maken gebeurde met een gieter. Dat was soort houten schop met lange steel. Zeilen werden vroeger bij voorkeur gemaakt van hennep of vlas vanwege de lange sterke vezels, maar konden minder dicht geweven worden dan katoendoek. - Opschieten, vaart maken. "De zon gaat tot God". Oudhollandse vissersuidrukking. Oorspronkelijk: "De son tot Gode gaet". - De zon gaat onder. "Dicht varen" of "Dicht kunnen varen op iets of iemand". In konvooivaart diende men elkaar in het zicht te houden. Een gat moest worden dicht gevaren. Een andere verklaring is "dicht" in de zin van gedicht. "Varen als een gedicht" is goed en veilig varen met een betrouwbaar en gemanierd schip. - Betrouwbaar zijn. - Zich op iets of iemand kunnen verlaten. "Door de kajuit aan boord komen", ook als: "Door de kajuitsramen aan boord komen". - Direct op een hoge positie terecht komen; oorspronkelijk: met protectie in het officierskorps worden opgenomen. "Door het kluisgat aan boord komen", ook als: "Kouwe gronder". De opening bij de voorsteven waardoor de ankerketting loopt heet een kluisgat. De verdikte rand rondom kluisbaard en een e.v.t. beschermingsplaat heet kluisbord. Iemand van voor de mast (gewoon bemanningslid) die het tot officier schopt. - Van onder opklimmen tot een verantwoordelijke positie. "Dove jut". Onder het uiteinde van de boegspriet verticaal naar beneden wijzende uithouder, om de stagen van de kluiverboom en de jagerboom naar onderen te steunen en te spreiden. Ook wel stampstok of Spaanse ruiter genoemd. De oorsprong van de benaming en de relatie met de uitdrukking is onduidelijk. - Iemand die net doet of hij het niet gehoord heeft. Oostindisch doof. "Dragende houden". Nicolaes Witsen zei daarover: "Het schip daer heen zetten, alwaer de windt heen wait, gezeit van dat de zeilen dan volstaen, en het schip schijnen te dragen: als dan haelt men de halzen na achteren toe, tegen de voorste Hooft-touwen, ofte men haelt de halzen stijf neder, tot aen het dolboort, met een loef-haek". Hij had het over bijliggen. - In slechte omstandigheden met weinig middelen toch jezelf staande houden. "Driemaal is scheepsrecht". Eigenlijk is het onduidelijk waar deze zegswijze vandaan komt. Prof. Fockema Andreae schreef in 1897: "Zooals bekend is, was driemaal in vele opzichten recht, waarbij evenwel vaak ex superabundantia een vierde kwam. Daar nu ook op zee driemaal in vele gevallen recht was (o.a. was de schipper verplicht drie maaltijden aan de schiplieden te geven), werd eene onbetamelijkheid onder het schaften gestraft met drie slagen met de gortspaan, wordt driemaal hoera geroepen, en wordt een lijk met een één-twee-drie, in Gods naam over boord gezet". N.B. Bij de marine was de derde tel "in Godsnaam". Men sprak één-twee, in Godsnaam. Zie ook in zijn kombaars genaaid. Van Lennep vertelt over de gortspaan het volgende: "Een onbetamelijkheid gedurende het schaften wordt met een kapje gestraft, dat zijn drie slagen, bij welke gelegenheid de kastijder, de volgende formule opzegt: Da's voor de bak (meteen een slag op de met zout bestrooide bakskist gevende). En dan bij de drie lijfslagen: Da's voor je gat - Da's voor je kwaad doen - En da's opdat je 't niet weer zult doen". In Friesland schijnt men viermaal is scheepsrecht te gebruiken, wat bij de binnenschippers zou komen van: " Driemaal is scheepsrecht en één voor de knecht". Bron: dbnl. - Zegswijze als vergoeilijking voor iets dat voor de derde maal gebeurt. "Droogwant maken". "Want" is de benaming voor al het lijnenwerk aan boord en onderdeel van de tuigage, maar ook de benaming voor visnetten. Op oude plaatjes kan men zien dat het wasgoed te drogen werd gehangen tussen de masten aan het want. Bij de marine noemde men dat ook wel passagieren aan het want en het opbergen van het drooggewaaide wasgoed ging als volgt: Het begin van de waslijn werd om de hals over de schouders van een schepeling gelegd, die zich hierbij als een tol ronddraaide. De aldus "opgewonden" man bracht het wasgoed naar de verblijven, waar hij weer werd "afgewonden". - Het opbergen van droog wasgoed. "Druiloor". De druil was een klein zeil aan de bezaansmast. Het diende als steunzeiltje om het schip minder te laten slingeren of achter het anker beter op de wind te houden. Bij vissersschepen om de kop in de wind achter de vleet te houden. Met een druil kon geen of nauwelijks voortgang geboekt worden. Mogelijk werd het zeiltje ook wel druiloor genoemd omdat het van verre leek op een oorschelp. Zie ook iets met een druil doen. - Een sukkel, een lusteloos/futloos mens. "Dure schepen blijven aan land". Duur kan hier gezien worden als kostbaar, maar ook als tijdsduur, als oud. Cats schreef: Dan nogh soo gebeurt het veel, dat duyre schippers veeltijts aen lant blijven. - Dure waar is slecht te verkopen. - Oude of teveel eisende meisjes blijven ongetrouwd. "Duvelstoejager". De duvelstoejager is een sliphaak waarmee het uiteinde van de ankerketting in de kettingbak wordt vergrendeld. Men kan de ketting in één handeling laten slippen door de haak te openen. Zie ook slampamper. Van Lennep heeft het in zijn Zeemanswoordenboek over een andere naam voor een zielverkoper, iemand die scheepsvolk werft.. - Iemand die voor allerlei diensten en ongeregelde werkzaamheden wordt gebruikt. "Dwarsbomen", ook wel als "Dwars in het water". Vrijwel alle schuiten op binnenwater waren uitgerust met vaarbomen. Bij het bomen wordt de vaarboom vanaf het voordek iets schuin naar voren in het water gestoken. Door de vaart van het schip wijst de boom weer schuin naar achteren wanneer men bodem heeft. Diegene die boomt plaatst de druif tegen schouder of borst. Met zijn gewicht, leunend op de boom loopt hij door het gangboord naar achteren waar hij met een ruk de boom uit de grond trekt, naar voren loopt met de boom en dit herhaalt. Wanneer het water diep is of de bodem te slap, is het bijna ondoenlijk gang in het schip te houden. Men kan onvoldoende afzetten en de boom verdwijnt te diep in de modder. Bij de minder ervaren schipper kan het voorkomen dat de vaarboom zó stevig vast zit, dat hij de boom zal moeten loslaten, omdat de vaart van het schip hem overboord trekt, of dat hij in de verkeerde richting duwt, waardoor het schip dwars komt te liggen en geen voortgang meer boekt. - Iemand tegenwerken. |
| Een - Erg | "Een bezem in de mast voeren". Het admiraalsschip van een oorlogsvloot voerde tijdens thuisvaart na een succesvolle patrouille of gewonnen zeeslag naast de vlag een bezem in de mast ten teken dat de zee was schoongeveegd. - Laten zien dat je de winnaar bent. - Duidelijk blij met het behaalde succes. "Een Blankenbergse rekening (maken)". Het Blankenbergse vissersgilde regelde de visserij volgens zeer strenge voorschriften. De afrekening van de visvangst was door de ingewikkelde regelgeving en toeslagen berucht om zijn ondoorzichtigheid. - Iets nodeloos ingewikkeld maken. - Een buitensporig hoge rekening. "Een diepgaand schip". - Een verkwistend persoon. - Iemand die veel noten op z'n zang heeft. "Een dokstukje hebben". Het is niet duidelijk waar deze (marine?) uitdrukking vandaan komt. Heeft het te maken met een (droog)dok? Wie kan hier meer over vertellen? De Taal van het Water van Jaap van der Wijk vermeldt "dokstukkie" als koosnaampje voor lieveling of schatje. Maar "dok" is ook een afgesloten stuk water en "dokken" betekent ook betalen... - Een stokpaardje hebben. "Een driedekker". Zeer groot linieschip. De Nederlandse vloot heeft slechts enkele van deze geweldenaars gekend, maar door de ondiepten voor de Nederlandse kust altijd nog kleiner dan de Engelse driedekkers. De Zeven Provincien [1665] van De Ruyter, de Eendracht van Van Wassenaer van Obdam en de Hollandia van Tromp. Ook de VOC bezat enkele van deze grote schepen, o.a. de Maersseveen met 78 stukken. Cornelis van Yk schrijft in 1697: "Scheepen met drie deks werden hier te landen zeer weinig ten oorlog en nooit ter koopvaart aangeleid". De driedekkers hadden vanaf 2000 ton waterverplaatsing, 100 tot 130 stukken geschut en een bemanning van 850 tot 900 koppen, maar tot 1300 koppen kwam ook wel voor. - Een bazige vrouw. "Een goed kapitein gaat niet zonder beschuit in zee". Ook tegengesteld als: "Zonder beschuit scheep gaan". Hoofdbestanddeel van de scheepsvoeding was scheepsbeschuit met daarnaast gedroogd, gezouten vlees, erwten en bonen. Een kapitein die zou vertrekken zonder een goede voorraad scheepsbeschuit was niet geschikt voor zijn taak... - Men moet een onderneming terdege voorbereiden. - Een goed begin is het halve werk. "Een goed zeeman wordt ook wel eens nat". - Een matig mens kan ook wel eens te diep in het glaasje kijken. "Een groot schip voeren". Bij de "Oostinjevaarders" werden de gezagvoerders van de grootste bodems grootschippers genoemd, dit ter onderscheiding van de cappeteyns van de kleinere schepen en de kustvaarders. - Een belangrijke zaak om handen hebben. - Zich belangrijk/gewichtig voordoen. "Een kop als een boei hebben". Een boei, onderdeel van de betonning, is groen of rood en vroeger ook zwart. De huidige betonning op binnenwater is herkenbaar aan vorm en kleur. De linkerzijde is spits of heeft een spits topteken met als hoofdkleur groen. De rechterzijde is stomp of heeft een stomp topteken met als hoofdkleur rood. Omdat rood het meest opvalt is daaruit de uitdrukking ontstaan. - Een hoogrode kleur hebben, meestal als teken van schaamte of ongemak in gezelschap. "Een schip met zure appelen". Een schip met zure appelen gaf geen nering. De lading was installig (geen marktwaarde). Hetzelfde gold voor door zeewater aangetaste artikelen en men kon een goede lading zelfs installig maken door er kwaad van te spreken. Zure appelen dus in de betekenis van iets onaangenaams. Ook gekend als "Een schip met grauwe erwten". Een oud volksgeloof zei dat zwaar weer (donderwolken, regen, hagel en storm) door de goden per schip werd aangevoerd. - Zwaar weer, een forse regenbui. - Een stevige huilbui. - Een ouder meisje met weinig huwelijkskansen, een ouwe vrijster. - In algemene zin: een periode van tegenspoed. "Een schip van bijleg". Een opgelegd schip is van alle tuigage ontdaan. Het is niet (meer) in de vaart en brengt niets op. Er wordt alleen maar geld bijgelegd. - Een project waar geld bij moet. "Een steek onder water geven". Kogelgaten onder de waterlijn werden niet altijd opgemerkt. Zie naar het lek liggen luisteren. - Bedekte onaangenaamheden zeggen. "Een zware bovenlast hebben" of "Een zware deklast hebben". Een schip dat teveel lading bovendeks heeft is onstabiel en niet meer zeewaardig. - Dronkenschap. "Ergens haring of kuit van (moeten) hebben". De kuit- of moedervis, wordt niet als goede haring beschouwd. Ze is ongeschikt om te kaken. De visserman moest zich daar van gewissen. - Van de hoed en de rand willen weten (weten wat er aan de hand is). - Weten of dit een goede of kwade zaak is. "Ergens piket op hebben". Bij de marine is piket de ondersteunende wacht. Piketdienst wordt uitgevoerd naast de normale wachtcyclus. Ook als benaming voor dienst op afroep, waarbij je niet aan het werk bent, maar wel beschikbaar moet zijn. Denk aan artsen, vroedvrouwen, politiemensen, brandweerlieden, storingsmonteurs e.d. Je hebt dan piketdienst waar (lang niet altijd) een vergoeding tegenover staat. - Ergens je zinnen op zetten. - Op verzoek aan de beurt komen. |
| Gee - Goe | "Geen anker of kabel kan het houden". Bij noodweer houdt geen anker, kabel of landvast. Het schip slaat los. Schadeclaims werden door internationale scheepsverzekeraars nogal eens afgewezen door zich te beroepen op een "Act of God". - Door overmacht overvallen worden. "Geen draad geven". Wanneer op een meerlijn of tros teveel spanning komt, kan "lucht" of "draad" gegeven worden door voorzichtig een of meerdere tornen af te nemen tot de lijn "schrikt" ook wel bijschrikken. - In het geheel niet reageren. "Geen land mee te bezeilen". - Slecht met iemand overweg kunnen. "Geen peil op kunnen trekken". Positiebepaling op zee werd gedaan door met een jacobsstaf of (later) sextant een peiling (peil) op zon of hemellichaam te trekken. Bij zwaar bewolkt weer was er echter geen peil op te trekken. - Er niet van op aan kunnen; niet weten waar je aan toe bent. "Geen scheeps verstaan". De schippers- /zeemanstaal niet begrijpen. - Geen verstand van zaken hebben. "Geen schuit zo dicht of er komt wel een lek in". Ondanks zorgvuldig breeuwwerk zullen houten schepen altijd lekken. Met name de waterlijn, of zoals men vroeger zei de streek van het schip die tusschen water en wind ligt en door krimpen en uitzetten het meest te lijden heeft. - Het is bijna onmogelijk iets geheim te houden. "Geen torn van iets of iemand hebben of krijgen". Een torn is een slag om de bolder, maar ook een wachtbeurt, b.v. een roertorn, of een terugkerend zeereisje naar een vaste bestemming. Een extra wachtbeurt, of eigenlijk extra werk buiten de wachtbeurt om, heet "torn toe". De relatie van de uitdrukking met de letterlijke betekenis is niet duidelijk. - Geen hoogte van iets of iemand krijgen. De bedoelingen niet begrijpen. "Gelijkwerk maken". Van oorsprong een uitdrukking uit de scheepsbouw, ook als vierkant werk maken of vierkant draaien. Alles keurig op zijn plaats. Bij een ten anker liggend schip b.v. moet het tuig vierkant staan. - Het voorlopig (tijdelijk) afronden van werkzaamheden aan het eind van een werkdag. "Getuigd als een Portugees schip". In de 16e eeuw, toen Portugal een belangrijke zeemacht was, waren Portugese en Spaanse schepen rijkelijk versierd met veel vlaggen, wimpels, en beschilderde zeilen. Dit gaf waarschijnlijk een indrukwekkend uiterlijk, maar in Hollandse ogen ook zeer overdreven en rommelig. Al die versierselen droegen beslist niet bij aan de vaareigenschappen. Je zou het een beetje kunnen vergelijken met het verschil tussen de Katholieke kerk (en cultuur) en de Hollandse gereformeerde soberheid en zakelijkheid. Uit beschrijvingen van bv de Spaanse Armada blijkt dat de schepen complete drijvende steden waren, met alle mogelijke have en goed aan boord, bedienden, huishoudens, soldaten etc. Hollandse scheepslieden uit die tijd ontdekten in warme wateren een vreemd kwalachtig - naar later bleek zeer giftig - wezen met een gasblaas welke als zeil dienst doet. Vanwege het indrukwekkende uiterlijk gaven ze het de naam "Portugees Fregat" of "Portugees Oorlogsschip", ook wel "Spaanse bij-de-winder" en in Engelstalig gebied "Spanish man-o-war". - Er overdreven opgetut uitzien. "Goed van inhouten". De ribben of het geraamte van een schip, zowel de spanten als de dwarsverbindingen, heten inhouten. - Stevig gebouwd. (Hij is goed van inhouten: hij is een stevige kerel). |
| Haa - Hijh | "Haakstuk
lopen". Bij ouderwetse laadmethoden het vastlopen of blijven haken van de laadhaak achter potdeksel, schotten of luikhoofden. - Een plan of actie welke mis of verkeerd is gelopen. "Hart onder de riem" maar ook "Iemand een hart onder de riem steken". Vroeger draaiden bij roeiboten de riemen in een holte in de boorden, het scheegat. Wanneer deze gaten teveel waren uitgesleten werd er een nieuw stuk (het hart) ingezet. Het staat niet vast of de uitdrukking daarvandaan komt. Een andere verklaring verwijst naar de hartvanger, het mes dat elke matroos aan (onder) de riem droeg. - Iemand moed inspreken. "Heer voor zes weken". Bij wijze van extra gage mocht elke Compagniedienaar (VOC) voor eigen rekening een kist met "gepermitteerde" goederen (pactouw) uit Azië meevoeren. Na aankomst in de Republiek verkocht de Compagnie deze particuliere goederen op haar veilingen. De opbrengst werd keurig uitbetaald. Met dit geld en zijn verdiende gage (niet meer dan honderd gulden per jaar) was de zeeman een "heer voor zes weken". Een andere benaming voor dat "klein koopmanschap" was voering. - Kortstondige blijdschap. - Kortstondige rijkdom en/of lusten. "Het gaat voor het lapje". Het lapje is het zeil. Voor oude vierkantgetuigde schepen was een wind dwars tot achter het meest gunstig. Het vaarde dan voor het lapje. Zie ook voor het lapje houden. - Het gaat voorspoedig. "Het getij laten verlopen". Wanneer een schip aan strand, of op een rivierbank is gezet om te kalfaten, kan met hoog water weer weggevaren worden. Als men te lang wacht verloopt het tij en wordt het weer eb. De kans is dan verkeken. - Een gemiste kans. "Het is haring voor St. Jan" of "Hij roept haring voor St. Jan". De haring die voor St Jan (24 juni) gevangen wordt is nog niet vet genoeg. Vóór 1857 mocht de haringvangst daarom pas op die datum beginnen. - Het is te vroeg gebeurd. - Geen hoera roepen voor men over de brug is. "Het is pen uit". Vroeger was "pen uit" een commando om het anker te laten vallen. Later was het de voorlaatste waarschuwing voor het lanceren van een torpedo, een moment van bijzondere spanning dus. - Als een persoon zelf iets fout doet en daar al kankerend een zondebok voor zoekt. "Het kan beter van een schip dan van een schuit". De benaming schuit werd vroeger gebruikt als aanduiding voor eenvoudige vissers- of binnenvaartuigen. Gaandeweg werd "schuit" een geringschattende benaming voor een ongemanierd of verwaarloosd schip. - Rijken kunnen het beter missen dan armen. (het kan beter van een stad dan van een dorp) "Het lek boven water hebben". Op oorlogsschepen bestond een lekdienst. Lang niet altijd werden kogelgaten rond en onder de waterlijn ontdekt. Er moest dus geluisterd worden naar binnenstromend water (uitdrukking: naar het lek liggen luisteren). Wanneer er zoveel gepompt was dat het lek boven de waterlijn kwam te liggen, hetgeen niet altijd lukte, was men de toestand meester. - De zaak meester zijn. - Moeilijkheden te boven gekomen zijn. "Het loopt de spuigaten uit". In de verschansing of dekrand zitten gaten (spui- of spijgaten) om het overkomend water weg te laten lopen. De uitdrukking verwijst echter naar hevige scheepsgevechten, waarbij het bloed van de gekwetsten langs het dek stroomde en de spuigaten uitliep... - Het is erg; het is bar en boos. "Het mag erin, als 't maar wel gestouwd is". Vrachtschepen ontlenen hunnen stabiliteit aan een zorgvuldige stuwage van de lading. Voor de vuistweg erin gooien kan kentering tot gevolg hebben. - Je kan veel tot stand brengen, mits het maar zorgvuldig gebeurt (met dank aan "ZMV Deventer"). "Het roer aan lij gooien" ook als "Het roer in lij leggen". De stand van het roer om te kunnen wenden. - Van gedachten veranderen. - Aan tafel het zout doorgeven (marine). "Hé, gooi het roer even aan lij" = "geef het zout even door". "Het roer uit de pennen hebben hangen". Als een aangehangen roer uit de pennen schiet is het schip stuurloos. Zie ook vingerling. - Een losbandig leven leiden. - Ze niet allemaal op een rijtje hebben. "Het schip ingaan" of "De boot ingaan". Vroeger was het moeilijk aan bemanning te komen voor oorlogsschepen. Er werden - althans voor de Engelse Navy - ronselploegen op uit gestuurd om de havenkroegen af te schuimen voor scheepsvolk. "Pressen" of een "presgang". De over het algemeen dronken matrozen werden onder dwang of met mooie beloftes gepaaid en niet zelden waren landrotten of heel jong volk ook de klos. In de Nederlanden was de zee-werving minder bruut, maar aan de bemiddeling van slaapbazen en zielverkopers zat toch ook een luchtje. Niet voor niets bestonden de woorden "presten", "engen" of "angen" voor het onder dwang in gemene dienst te zee brengen van mannen of schepen. Het verhaal gaat dat ooit iemand werd geadviseerd een graszode mee te nemen om daar bij slecht weer aan te kunnen snuiven. De landgeur zou hem behoeden voor zeeziekte. Zo zou de benaming "brave zooiensteker" voor landlieden zijn ontstaan. Verder wordt beweerd dat op 's lands vloot de kerels bij twijfel gecontroleerd werden op een "aanstekelijke wyveziekte of venus-buil". De bootsman trok het slachtoffer dan de broek naar beneden en hield hem een vochtige pruim tabak tegen de genetaliën. Als er gebrul volgde, gold dat als bewijs voor een venerische ziekte. Het was in die tijd maar de vraag of je van zo'n reis terugkeerde. De uitdrukking: "Hij zit in het schip" heeft dezelfde betekenis. - Alles verliezen. - In grote moeilijkheden zitten. "Het tonnetje riekt altijd naar haring". Spreekt voor zich. Een harington raakt nooit zijn geur kwijt. - Men toont altijd zijn afkomst (opvoeding). "Het vaantje strijken" en ook: "Iets naar de vaantjes helpen". Het vaantje is het lapje dat in een metalen frame om een pen in de masttop draait. Geeft tijdens varen de schijnbare richting van de wind aan. Als het vaantje gestreken (weggenomen) is, is het lastig zeilen. - Flauwvallen. - Iets verknoeien, stuk maken. "Het voortouw nemen". Een schip kan voortgetrokken c.q. vastgelegd worden aan het voortouw. Inzonderheid spreekt Jaap ven der Wijk in zijn Taal van het Water over het touw van de voorsteven naar het kuilhout. Dat is bij de kuilnetvisserij de dwars uitstaande boom, die dient om de dwarskuil (het kuilnet) open te houden. - Het initiatief nemen. - Iets als eerste aanpakken/aanvatten. "Hoezee"! Deze uitroep van vreugde heeft waarschijnlijk een maritieme oorsprong. De kreet "hou zee" zou reeds tegen de Spanjaarden gebezigd zijn om de schepelingen (m.n. de watergeuzen) aan te moedigen de overweldigers ook buitengaats te achtervolgen. "Hoger boord houden". Wanneer het schip gekrengd werd (op de kiel scheef laten vallen om te kalfaten), werd het boord dat het hoogste was "hoger boord" genoemd. Het is evenwel mogelijk dat de uitdrukking verwijst naar het verhoogde achterdek, de kampanje, waaronder zich de kapiteinshut bevond. - Zich verbinden aan mensen met invloed/macht. - In negatieve zin: strooplikkerij. "Hondsvot". Het oog tegenover de ophanghaak van een blok (katrol) dat dient om het uiteinde (hondsend) van een talie vast te maken. - Schurk of ellendeling. - Schaamdeel van een teef (Van Dale). "Hij heeft het voor het opschaften". De kok die het eten opschept. Hij bepaalt de hoeveelheid en samenstelling. - Hij is de man die het voor het zeggen heeft. "Hij heeft zijn geld verbrast". Het opwerken (laveren) geschiedde op vierkant getuigde schepen d.m.v. brassen. Als een onkundige bemanning een schip bij goede wind en kalme zee toch aan de grond zette zei men: "Se hebben haerluyden schip verbrast". Hieruit ontstond waarschijnlijk de hedendaagse uitdrukking. - Platzak zijn doordat al het geld aan ondoordachte/onbelangrijke zaken is uitgeven. Meestal voor plezier. "Hij is op vreemde haven geweest", ook als "Zo menige haven, zo menige vrouw". Een oudje. Carolus Tuinman heeft het in zijn "Oorsprong en uitlegging van dagelijks gebruikte Nederduitse spreekwoorden" [1726] over: "Hoe men in verscheidene Oosterse en andere zeehavens vrouwen voor een zekere tijd huren kan, is bekent. Hiervan bedienen zich sommige maar al te veel. Daar uit is ook het spreekwoord van een hoerenkater, die ergens slecht gevaren is. Dat is dikwijls de vrucht van zulke huurwijven". - Naar de hoeren geweest. - Vader van een onecht kind. "Hij rijdt (reed) mee aan dat schip". Reed in de zin van reder, (mede) eigenaar van een rederij). - Hij is ook in de zaak betrokken. "Hij weet van wanten". Want is de benaming voor het netwerk van touwen aan boord, maar ook de benaming voor visnetten. We onderscheiden staand- en lopend want. De kennis van al dit lijnenwerk vergt vakmanschap. - Hij verstaat zijn vak; hij weet wat er gedaan moet worden; hij weet van aanpakken.. |
| Ied - Inz | "Ieder op zijn eigen doft". Doften zijn de zitbanken in een roeiboot. Bij het boordroeien (roeien met meer mensen) kan net als bij soloroeien één man twee riemen bedienen. Hij zit dan op zijn eigen doft, evenals bij het om-en-om roeien, waar boeg- en slagroeiers ieder hun eigen taak hebben. - Samenwerken, maar ieder op zijn eigen (maatschappelijke) plaats. "Iemand een kat geven", ook als "Iemand afkatten". Lijfstraffen werden aan boord veelvuldig toegepast; de eenvoudigste was zoveel slagen op de blote rug met een eind touw of een speciaal daarvoor bestemde kat met zeven staarten of handdagge, welke straf ook "laersen" genoemd werd. Een kat of laers was een eindje teertouw met een leren huls, in pekel gehard. - Iemand met een sneer op z'n plaats zetten. "Iemand van bakboord tot stuurboord zenden". Linker en rechterzijde van het schip. - Iemand in de maling nemen. - Iemand van hot naar her sturen. "Iets achteroverdrukken". Het was niet ongebruikelijk dat na het uitreiken van een oorlam (borrel) met opgeheven glas gewacht moest worden op het commando "Achterover", waarna "alle hens" het glas in één keer in één slok achterover sloeg. Natuurlijk kwam het voor dat een bemanningslid niet kon wachten en het oorlam al achterover gedrukt had. - Stelen, onrechtmatig toe-eigenen. "Iets loefs doen". Deze oude uitdrukking komt van loeven, het met de kop naar de wind draaien. - Iets direct en zonder overleg doen. - Tegendraads. "Iets met een druil doen". De druil was een klein zeil aan de bezaansmast. Het diende als steunzeiltje om het schip minder te laten slingeren of achter het anker beter op de wind te houden. Bij vissersschepen om de kop in de wind achter de vleet te houden. Met een druil kon geen of nauwelijks voortgang geboekt worden. Zie ook druiloor. - Iets traag doen. "Iets voorgaats brengen". Een schip ligt voorgaats als het op zee voor een haveningang of riviermonding ligt, gereed om binnen te varen. - Iets te voorschijn halen en/of tonen. - Iets tersprake brengen, onderwerp van gesprek maken. "Inbinden". Het bij stormachtig weer verkleinen van het zeiloppervlak heet reven of inbinden. Het schip ligt veiliger en rustiger. - Kalmer worden. - Minder agressief en/of voortvarend te werk gaan. "In de aap gelogeerd zijn". Over de herkomst is men het niet eens. Een mogelijke verklaring is de volgende. Wanneer er geen plaats meer aan boord was, moest men in de bergruimte voor de zeilen slapen. De aap, een bezaanstagzeil dat alleen met rustig weer gevoerd wordt, werd dan als matras of deken gebruikt. Wanneer het nauwelijks woei werd de aap gehesen en was men dus het "beddegoed" kwijt. Een andere verklaring is die van Herberg "De Aap". Aan het havenfront van Antwerpen(?) zou een herberg met die naam berucht zijn vanwege de ronselpraktijken. Men zou daar gedrogeerd worden om de volgende dag aan boord van een schip wakker te worden. Met recht in de aap gelogeerd... (sommige bronnen spreken over de Amsterdamse herberg "Het Aepgen" aan de Zeedijk, welke aapjes zou hebben) Zie ook: Het schip ingaan. - Slecht af zijn. "In de boot nemen/gaan". Zie voor oorsprong: Het schip ingaan. - Voor de gek houden. "In de knijp zitten", of "Hij zit hem te knijpen". Knijpen is het extra doorzetten (strakker aanhalen) van de schoten om net iets scherper aan de wind te kunnen zeilen met de bedoeling een bepaalde koers aan te houden zonder te hoeven wenden. Bijvoorbeeld om een landtong te omzeilen. Dit lukt niet altijd en dan zal alsnog (op een gevaarlijker punt) minimaal twee keer overstag gegaan moeten worden. - Ergens over in zitten. - Twijfel over het volbrengen van iets (examen b.v.). "In de kromhouten zitten". Kromhout is hout dat kromgegroeid is en in houten scheepsbouw gebruikt werd voor het maken van inhouten, wrangen en andere gebogen houtdelen. Kromhout was schaars en daardoor duurder dan ander hout. Ook werden bomen opzettelijk in een bepaalde groeirichting geleid om zo aan "krommers" te komen. Als men zich onderin het schip bevond zat men "in de kromhouten". - Zich verschuilen, zich aan het werk onttrekken. "In de luwte voelt men geen wind". Spreekt voor zich. In luwte is de verraderlijkheid van een gevaarlijke wind niet te beoordelen. Een beetje verwant aan de : "De beste stuurlui staan aan wel". - Wie buiten gevaar verkeert kan daar niet goed over oordelen (met dank aan "ZMV Deventer"). "In de maalstroom van het leven komen" en ook: "Van de branding in de maalstroom komen". De sterke getijstroom bij bepaalde eilandjes van de Lofotengroep bij de westkust van Noorwegen kan bij springtij een grote draaikolk of meerdere draaikolken veroorzaken, hetgeen voor kleine boten niet ongevaarlijk is. De draaikolken [maalstromen of moskestromen] ontstaan door grote klokvormige kuilen in de zeebodem. In de Middeleeuwen dacht men dat het daar onpeilbaar diep was [in werkelijkheid zo'n 35 meter] en het gevaar werd schromelijk overdreven. - Door de gebeurtenissen mee laten voeren. - Van kwaad tot erger vervallen. "In het schip van Sint Annuit zitten". Waarschijnlijk een verbastering van St-Reinuit, een volksheilige. Met het schip van St-Reinuit bedoelde men een denkbeeldig schip met verkwisters en nietsnutten. Maar ook wordt Annuit in verband gebracht met Sinte Anna. "Op Sinte Anna's schapraai zitten" betekende niet getrouwd raken. - In verkeerd gezelschap verkeren. - Vrijgezel blijven. "In iemands kielzog lopen". ook als "In iemands zog varen". Kielzog is een spoor van borrelend, schuimend, in beroering gebracht water, achter een zich verplaatsend schip. Kielzog veroorzaakt zuiging omdat het door het schip verdrongen water weer terugstroomt. Een kleiner schip kan zich in het kielzog laten meevoeren. - Iemand uit gemakzucht of te verwachten voordeel volgen. "In katzwijm liggen". Het schip maakt door (kortstondige) windstilte geen vaart meer. - Lichte flauwte. "In lij zijn". In lij van een ander schip zal geen voortgang geboekt worden. Dat schip heeft de wind uit de zeilen genomen. - Het onderspit delven. "In top trekken". Het zeil zo hoog mogelijk optrekken. - Boven je stand gedragen. "In touw zijn". Bij slechte weersomstandigheden, maar ook op tegenwindse koersen waarbij voortdurend gehalsd of opgewerkt moest worden, stond de bemanning etmalen lang aan de brassen (touwen). Men was "in touw". - Ononderbroken actief zijn, als in "Hij is al vanaf vanmorgen in touw". "In zijn kombaars genaaid". Een kombaars is een scheepsdeken. Van oudsher was het de gewoonte dat een lijk in z'n kombaars genaaid werd, op een houten rooster van de dekventilatie driemaal over het opperdek werd gedragen en met "één-twee-drie, in Godsnaam" over boord ging over de fokkeschoot. Daarom heette doodgaan in zeemanstaal ook "over de fokkeschoot gaan". Een kanonskogel werd meegenaaid - later werd de overledene in zeildoek genaaid, verzwaard met oude roosterijzers - om het lijk te doen zinken, c.q. de dieperik in te laten gaan. Bij de marine werd de kanonskogel netjes in mindering gebracht op de afrekening [Chb2]. - Overleden. "In zijn sas zijn". Sas is een Zuidnederlandse benaming voor sluis. Als de schipper op thuisreis de laatste sluis passeerde, zijn sluis, dan was hij blij. Hij was bijna weer thuis. Hij was in zijn sas. - In zijn schik zijn, zich prettig/blij voelen. |
| Jek - Jez | "Je kan er Noorwegen mee bezeilen". Waarschijnlijk komt deze uitdrukking voort uit het zeemanschap en het goede materiaal dat nodig was om de Noorse kust aan te doen. De Atlantische Oceaan voor de Noorse kust geeft verraderlijke stromingen en winden en het doodwater in de fjorden was berucht en gevreesd. De sterke getijstroom bij bepaalde eilandjes van de Lofotengroep kan bij springtij een grote draaikolk of meerdere draaikolken veroorzaken, hetgeen voor kleine boten niet ongevaarlijk is. - Vertrouwen in iemand of iets hebben. "Je kunt de wind niet veranderen, maar wel de stand van de zeilen". Om goede voortgang te boeken dient de hoeveelheid zeil en de stand aangepast te worden aan de kracht en richting van de wind. - Je aanpassen aan de omstandigheden. "Je (niet) laten kisten". Kisten is het bij slecht weer laten dobberen van je schip. Door het motorloos drijven zal het schip afhankelijk van de bovenbouw een bepaalde positie ten opzichte van de wind innemen. Hoewel hierbij praktisch geen water wordt overgenomen zal het schip hevig gaan slingeren. Bij een rondspant redelijk veilig, maar een marteling voor de bemanning. - Je (niet) op de kop laten zitten. "Je zeil kant zetten". De zeilen kant zetten: de zeilen in orde brengen, spannen (kant is volkomen glad). - Voltooid: "kant en klaar". - "Zet je zeil kant" (tot een dronkaard): houd je roer recht. |
| Kak - Kri | "Kakken te kort". Marine uitdrukking. "Kakkies" is Maleis voor voeten. - Zo snel mogelijk. "Kant noch wal raken". Bij een mislukte afmeermanoeuvre, waarbij men er niet in slaagt om aan de wal te komen - bij aflandige wind bijvoorbeeld - brengt men er niets van terecht. Het schip komt niet aan de kant. - Dat slaat nergens op. - De plank misslaan. "Kantje boord". Wanneer je je tussen de opstaande randen (boorden) rond het dek van een schip bevindt ben je "aan boord". Als het schip bij zware zeegang erg slingert en het boord met de bovenkant, de "kant", onder water komt is het maar de vraag of het zich weer opricht. - Het is maar net goed gegaan (het was kantje boord). "Kapsie(s) maken". Het omslaan, kantelen van een schip heet kapseizen, waarschijnlijk van het Engelse capsize. De uitdrukking wordt ook toegeschreven aan het Spaanse cabeza en kent verschillende betekenissen: - Keet of warboel maken. - Bezwaren maken om ergens vanaf te komen. - Uitvluchten zoeken. "Ketelaar zijn", "Ketelaar van iets blijven", "Daar blijf je ketelaar van". Marine: Iemand die door de dienst verhinderd is aan de bak te komen, een naëter of naschafter. De ketelaar krijgt dus niets, terwijl de anderen eten. Als allen klaar zijn en zijn dienst erop zit, kan hij zijn portie dat in de ketel (ijzeren pot) bewaard werd, verorberen. Een "ketelaar" is ook een kok. - Iets niet krijgen, achter het net vissen. - Dat zou je wel willen, maar dat gebeurt (lekker) niet! "Klaploper". Een klaploper is de benaming voor een hulptakel, dat overal wordt gebruikt waar wat te hijsen (halen) valt. Vandaar onderstaande betekenis in figuurlijke zin? Oorspronkelijk is de klaploper een blok in 't stengewant. Na het aftuigen liet men de klaplopers zitten omdat ze bij het optuigen weer nodig waren. Later meer gebruikelijk als benaming voor een takel, welke bestaat uit een loper met aan één kant een lus en een éénschijfsblok dat direct bevestigd is aan het halende part van een val. Om de (zeil)val na het hijsen strak door te zetten wordt de lus van de loper op een klamp of kikker gezet, waardoor dubbel zoveel kracht kan worden gezet. Maarr..., een klaploper was ook iemand die lepra had. Lepra kwam in Nederland voor tot 1800. De leprozen of melaatsen werden uit de maatschappij gestoten en moesten van bedelarij leven. Omdat de ziekte besmettelijk was kondigden ze hun komst aan met een ratel, klepper of klapper. De herkomst van de uitdrukking zou dus ook van de laatste betekenis kunnen afstammen. Zie ook snertnymf. - Iemand die overal bij is waar wat te halen valt, die op de beurs van een ander teert, een bietser, een parasiet, een uitvreter. "Klootzakkeninkt". Alleen omdat ik het zo'n leuk woord vind. Het schijnt bij de marine vandaan te komen. Het was de benaming voor de correctievloeistof "Tipp-ex". "Kloteman!". Geen uitdrukking uit het dagelijks taalgebruik, maar wel vermeldenswaardig. Uitroep bij de marine: KLaar Om Te MANoeuvreren. [TvhW] "Kloten bikken". Marineterm voor douchen. De waterstraal werd "gemalen water" genoemd. "Kooischrobben". De kooi was een zeildoekse hangmat met matras en hoofdkussen van 2 ellen lengte en 1 el breedte, rondom met een touw of een sterk zeildoek geboord, die met vierlijnen aan klamaai-ijzers (rondhouten of stalen buizen) werd opgehangen. De schepelingen moesten de kooi (althans het zeildoek) iedere maand schrobben met een harde boender waardoor de kooi hagelwit - en luisvrij - werd. - Marineuitdrukking voor biechten. "Kombuistelegram", "Kombuispraat". Geruchten zonder grond van waarheid. Gossip onder de bemanning - meestal een nieuwtje van de kok - dat om onverklaarbare reden toch soms op waarheid berust. Het wordt ingewonnen door de KID, de Kombuis Inlichtingen Dienst, de onofficiele organisatie die zich bezighoudt met het zaaien (verspreiden van roddel en achterklap). [TvhW] - Nieuws uit onbevestigde bron. "Krikkemikkig" ook als: "Krakkemikkig". Een krikkemik is een werktuig van drie palen, welke van onder uit elkaar staan en van boven samen lopen, waar een blok in hangt om zware spullen te heffen en dat oorspronkelijk op scheepswerven werd gebruikt. Niet altijd betrouwbaar, want bij zware lasten konden de poten uitelkaar glijden. - Stumperig. - Niet degelijk. - Gammel. "Kijken hoe de vlag erbij hangt". De natievlag geeft de herkomst van een schip aan. Daar werd vaak mee gesjoemeld, zie onder valse vlag varen. Ook kon de natievlag gebruikt worden als noodsignaal, of een witte wimpel als verzoek om aan boord te komen. Een knoop in de vlag was een noodsignaal. Een opgerolde wimpel was een verzoek aan boord te komen. Beide methoden heetten "de vlag in sjouw". - Voorzichtig nagaan of de situatie gunstig is. |
| Lan - Lui | "Land in zicht". Spreekt voor zich. De uitkijk riep dat wanneer land in zicht was. Het reisdoel was dan (meestal) bereikt. - Het werk is bijna klaar. "Lange handen hebben". De gepunte bladen van een anker worden vloeien of handen genoemd. Hoe groter het oppervlak van de vloeien hoe beter het anker zich zal ingraven en zal houden. Lange handen geven het anker dus "macht" en voorkomen dat het alleen vuil of wier verzamelt en daarachter blijft haken in plaats van in de grond. - Veel macht hebben. "Lapmiddel". Een scheepschirurgijn [barbier], in de 16e en 17e, maar ook nog 18e eeuw gebruikte een lap- of zalfdoos als medicijnkist [barbierskist]. Aan de medische kwaliteiten van die middelen kan je ernstig twijfelen. Het was meer een eerste hulp tot men zich aan wal kon laten behandelen. - Een tijdelijke maatregel. - Een middel dat geen afdoende verbetering geeft. "Lichtekooi". Deze benaming voor een prostituée zou ook een maritieme oorsprong hebben. Een dame die men gemakkelijk (licht) te kooi krijgt. "Luizenbaantje". De uitdrukking zou komen van het luizenplechtje. Ik heb mijn twijfel. - Een gemakkelijk baantje. |
| Men - Mor | "Men moet zeilen wanneer de wind waait". Een zeilschip kan alleen voortgang maken wanneer er wind staat. - Men moet een kans benutten, geen afwachtende houding aannemen. "Men kan niet bezeilen wat men bestevent". Wanneer de voorsteven in de gewenste richting ligt, wil dat nog niet zeggen dat het schip die koers kan bezeilen. - Men bereikt niet altijd zijn doel. "Met de kloten voor het blok". Ondermeer bij tjalken en aken is het grootzeil d.m.v. touwlussen (rakbanden), die voorzien zijn van houten kralen om de mast bevestigd. De kralen heten kloten. Het zeil wordt gehesen m.b.v. een takel, dat is een lijn, ook wel loper of zeilval, die door een éénschijfsblok (katrol) loopt. Zo'n takel heet een enkeljol. Wanneer tijdens het hijsen de zeilval te dicht tegen de mast gehouden wordt, kan een rakband met zijn kloten tegen het blok lopen, waardoor verder hijsen onmogelijk is. - Niet verder kunnen. - Voor een voldongen feit staan. "Met de naschepen komen". Een naschip was een achterblijver. Een schip dat trager voer en later dan de anderen aankwam. - Met oud nieuws komen. - Iets vertellen dat bij iedereen bekend is. "Met de noorderzon vertrokken". Nog in de 18e eeuw verdeelden onze zeelui een etmaal in acht delen van drie uur, die elk hun naam ontlenen aan de stand der zon in die uren. 6 uur 's morgens: Oosterzon; 9 u. 's morgens: Zuidoosterzon; 12 u. 's middags: Zuiderzon; 3 u. 's middags: Zuidwesterzon; 6 u. 's avonds: Westerzon; 9 u. 's avonds: Noordwesterzon; middernacht: Noorderzon; 3 u. 's nachts: Noordoosterzon. "Noorderzon" werd ook gebruikt als ander woord voor "stikdonker". Verwant: glazen slaan, wachtnamen. - Heimelijk vertrokken zodat niemand weet waarheen. "Met huikende zeilen lopen". Huiken is het strijken van de zeilen. Met gestreken zeilen maakt het schip geen voortgang meer. - Zich terughoudend opstellen. "Met zeil en treil" ook als: "Zoals het reilt en zeilt". De treil was oorspronkelijk de sleep- of treklijn aan boord van een schip, maar ook de benaming voor het sleepnet van een vissersvaartuig. Later als verzamelnaam voor al het touwwerk. Een schip werd verkocht "met zeil en treil" en was dan geheel compleet. Werd het verkocht "zoals het reilt en zeilt", dan werd de toestand bedoeld waarin het zich op moment van verkoop bevond. - Met alles erop en eraan, geheel compleet. - In huidige toestand ("as it is"). "Morrelen". Zeer waarschijnlijk heeft dit woord een scheepsoorsprong. Morlen was het in het donker op de tast werken in het scheepsruim. - Peuteren, prutsen, wroeten. |
| Naa - Nat | "Naar het lek liggen luisteren". Een lek is een opening in de scheepswand, waardoor het water binnendringt. Het kan ontstaan door hevige schokken bij stormweer, door aanzeiling, door grondschoten in het gevecht, enz.; lekken van de laatstgenoemde soort worden door smeerproppen of kluisproppen, zijnde houten proppen met werk en vet omwikkeld, gestopt [Mw]. Op oorlogsschepen bestond een lekdienst. Lang niet altijd werden kogelgaten rond en onder de waterlijn ontdekt. Er moest dus geluisterd worden naar binnenstromend water. Gewoonlijk werden daarvoor jeugdige schepelingen aangewezen, die niet zelden in de rustige stilte van het benedenschip in slaap vielen. Een middagdutje op het dek noemde men "een zachte plank opzoeken". - Op één oor liggen; slapen. "Nattigheid voelen". Op binnenschepen die erg lekten werd het mullen nog wel eens toegepast. Men nam een platte mand met twee oren, waardoor een stok werd gestoken. De mand (motkorf) werd gevuld met turfmolm of zaagmeel en men ging met de mand onder water met de open zijde naar de scheepshuid gekeerd, daarlangs. Het molm of meel trok uit de mand en zette zich vast in reten en gaatjes, waardoor het lekken stopte of in ieder geval minder werd. Op rivieren werd het zaagsel ook wel los vanuit een mulzak over de boeg geworpen, waarbij het door de trage stroom onder de kiel meegevoerd werd. Schippers die op dergelijke schepen moesten overnachten vonden dat bij afgeladen schip niet veilig. Ze spreidden hun bedje op de denning, waardoor ze eerder wakker werden als er water gemaakt werd. Ze voelden dan nattigheid. Het is niet zeker, maar de uitdrukking is mogelijk hieruit ontstaan. - Onraad bespeuren. |
| Oli - Ove | "Olie op de
golven". Vroeger werd tijdens storm bij bijliggen of strijken van een sloep golfstillende olie gestort. Dat was speciaal voor dat doel meegenomen traan of vette plantaardige olie. - De gemoederen tot bedaren brengen. "Om kaap snert varen". (marine) Aan wal kent men wel de - ouderwetse - uitdrukking "de lamp hangt scheef" als tegen het eind van de maand het geld op is. - Tijdelijk bezuinigen. "Onbewimpeld je mening geven". 's Lands oorlogsschepen waren gerechtigd naast de landsvlag een wimpel te voeren als extra aanduiding van de hoedanigheid. Zo voerde het commandoschip een admiraalswimpel wanneer de admiraal aan boord was. De wimpel is een zeer lange smalle strook stof met een gespleten uiteinde. De admiraalswimpel kon wel tot 20 meter lang zijn en tot (in) het water afhangen. Commando's en seinen werden duidelijk zichtbaar met (kleinere) wimpels gegeven. De uitdrukking zou dus beter "bewimpeld je mening geven" kunnen luiden ;-) - ronduit (onverbloemd) je mening geven. "Onder een staand zeil is het goed roeien". Met hulp van een bijstaand zeil is het gemakkelijker roeien. - Kapitaal vermeerderen (geld maakt geld). - Van rijke ouders zijn. - Protectie genieten van een invloedrijk persoon. "Onder één vlag varen". Een vloot uit hetzelfde land voerde natuurlijk dezelfde vlag. - Bij elkaar horen. - Dezelfde leus voeren. "Onder valse vlag varen". Zeilschepen voeren een natievlag in top, sloepen en motorschepen op het hek. In de piraterij/kaperij, maar ook in oorlogstijd werd vaak een bevriende vlag gevoerd om het te kapen of te plunderen schip om de tuin te leiden en zo dichterbij te kunnen komen - Je uitgeven voor iemand anders. - Andere bedoelingen hebben dan je laat voorkomen. "Onder zeil liggen/gaan". Een vaartuig dat varende is met gehesen zeilen (zonder machines), is onder zeil. Waarschijnlijker is dat de uitdrukking komt van het letterlijk onder zeil liggen. Het was de gewoonte om in warmer oorden aan dek te slapen. Er werd dan een (afdek)zeil als deken gebruikt. Wanneer er geen plaats meer aan boord was, werd ook wel in de bergruimte voor de zeilen slapen. Het dichtstbijzijnde zeil werd dan als matras of deken gebruikt. Zie ook in de aap gelogeerd. - Slapen, gaan slapen. "Oost West, thuis best". Deze overbekende uitdrukking spreekt voor zich en heeft te maken met de vaart op Oostindië en Westindië. Men mocht "de Oost" en "de West" bevaren hebben en het er goed gehad hebben, maar nergens was het beter dan in het moederland. "Op de zegen monsteren". Uitsluitend op een percentage van de besomming varen. Vroeger in vissersplaatsen de (enige) manier om aan te monsteren. - Werk uit (laten) voeren zonder afgesproken prijs. - Speculeren op de beurs. "Op dek spuwen". Stamt uit de tijd dat nog gepruimd werd. De marine had voor het bestrijden daarvan drastische maatregelen. De matroos die betrapt werd op het dek te spuwen moest voor straf enige uren met een spuwbalie voor de borst lopen waarin ieder vrij mocht spuwen. Zonder in bijzonderheden te treden is het duidelijk dat men spoedig was genezen. Als een schepeling de flinke jongen uithing werd hem door zijn maats wel toegeroepen: "Hé matroos, nou je pet nog scheef zetten en op dek spuwen", want dat was het toppunt van lef. - Breed doen, flink doen. "Op de valreep". De dronkemanstrap, een klimladder van beugels of klampen, die aan de scheepshuid bevestigd is, heet valreep en was oorspronkelijk niet meer dan een afhangend touw met knopen. Het was een hele kunst daarlangs omhoog te komen. Het zwabberend geklauter deed denken aan een dronken persoon. Wanneer een schip op punt van uitvaren stond en de loopplank reeds was binnen gehaald, was een sprong naar de valreep nog de enige mogelijkheid om aan boord te komen. Tegenwoordig heet de trap aan bakboord nog steeds valreeptrap. Het Engelse rope (touw) zou ten grondslag liggen aan reep, zoals het ook voorkomt in talreep. - Op het laatste moment; net voordat het te laat is. "Opdirken". Op schepen is de dirk of het dirkje de lijn waarmee de giek wordt opgehouden wanneer er niet gezeild wordt. Deze lijn wordt ook gebruikt om het stilliggende schip bij bepaalde gelegenheden met vlaggen te versieren (pavoiseren). Het schip wordt dan opgedirkt. - Opzichtig en niet smaakvol mooi trachten te maken (in het bijzonder kleding en make-up). "Opdoeken". Zeilen die niet bijstaan worden opgerold of opgevouwen aan de ra of giek gebonden. - Aan kant doen. - Afschaffen, een activiteit beeindigen. "Op een platte kaart varen". Platte kaarten zijn oude zeekaarten, waarop de breedtegraden op dezelfde afstand zijn getekend en de lengtegraden vaak ontbreken. Deze kaarten hadden een behoorlijke afwijking. Later gebruikte men liever de mercatorprojectie, of een globe. - Onzorgvuldig handelen, slordig zijn. - Niet volgens de richtlijnen werken. "Opgescheept". Komt van gescheept of ingescheept. De goederen of mensen die in het schip gebracht zijn. Volgens Van Lennep [1856] voor het eerst als spreekwijze gebruikt door P.C. Hooft in zijn treurspel Geeraerdt van Velzen [1613]: Ik ben daarmee gescheept, daer ik mee over moet. - Met iemand verlegen zijn, iemand niet kwijt kunnen raken. "Op gijpen liggen". De oorsprong ligt waarschijnlijk in een klapgijp. Het is bij een langsscheeps getuigd schip het onverwachts van de ene naar de andere kant slaan van het zeil, op een voordewindse koers met weinig voortgang. Een gevaarlijke toestand, want het zal niet de eerste keer zijn dat iemand een hersenschudding oploopt of overboord slaat door een klap van de giek. De kans op zo'n gijp is het grootst wanneer men binnen de wind zeilt, d.w.z. wanneer een - zwakke - wind schuin van achteren komt van de kant waarnaar het grootzeil staat. - Naar adem snakken; op je laatste krachten zijn; op apegapen liggen. "Op het vinkentouw zitten". Het net onder boegspriet en kluiverboom heet vinkennet of vinkentouw. Het werd wel gebruikt als uitkijkplaats voor de neuskijker, dat was een bemanningslid, die in onbekend water voor klippen en andere obstakels moest waarschuwen. - Gespannen zitten wachten om iets te kunnen doen. "Op je baaitje krijgen". Het baaienhemd of baaitje dat de matrozen droegen mocht worden aangehouden bij het handdaggen. Je kreeg dan op je baaitje. Het hemd had niets te maken met het gelijk klinkende baadje. Dat was het korte donkerblauwlaken jasje met lange mouwen als sierlijk deel van het marineuniform. - Op je donder krijgen, een uitbrander krijgen. - Een pak slaag krijgen. "Opschieten". Touwwerk netjes in bochten leggen. Met zon of rechts geslagen touwwerk wordt met de zon of met de klok mee opgeschoten. Links, of tegen zon geslagen touwwerk wordt tegen de zon opgeschoten. Dit om kinken te voorkomen. Indien een der touweinden (tampen) belegd of vastgezet is dan begint men op te schieten bij dit eind, ook weer om kinken tegen te gaan. - In scheepstaal: gaan slapen, naar kooi gaan. "Ik ga me opschieten". "Op stootgaren liggen". Klaar liggen om uit te varen. Ook wel slaags liggen. De term komt uit de zeiltijd. Een schip lag op stootgaren als het zeil klaar was om onmiddellijk uitgehaald te worden. Het onderlijk was dan met dunne garens, de stootgarens, aan de ra vastgemaakt met de bedoeling om tijdens hijsen met een ruk af te kunnen breken. - Klaar zijn om in te grijpen of te helpen. - Waakzaam zijn. "Op streek zijn" of "Iemand op streek helpen"; het tegenovergestelde van van streek zijn. De kompasroos is verdeeld in windstreken. Een streek komt overeen met 11¼ graden, dat is een 32e deel van 360°. Als de goede koers wordt aangehouden ligt het schip op streek. - Op de goede weg zijn. - Aan de gang zijn. "Op 't zeetje". Bij flinke golfslag moet tros, ankerketting of vistuig "op 't zeetje" gehieuwd of gehaald worden. D.w.z. op elke golftop halen tot het golfdal. - Iets op 't zeetje doen = iets op het juiste moment doen. "Op vals bestek varen". Het bestek is de uitgezette koers. Als dat foutief berekend is, komt het schip niet op de juiste plaats. - Op het verkeerde pad zijn, zich vergissen. "Op vier streken houden". Vier streken (11¼ graden) maakt 45 graden, hetgeen ongeveer overeenkomt met het zichtveld vanuit de ooghoeken. - Iemand die niet vertrouwd wordt in de gaten houden. "Op z'n elf-en dertigst". Je kan van mening verschillen of deze uitdrukking een maritieme dan wel nautische oorsprong heeft. De besluitvorming in Friesland ging nogal traag, ook waar het het slatten (uitdiepen) van vaarwegen/trekvaarten betrof. Het gewest Friesland bestond uit dertig grietenijen (gemeenten) en elf steden en je kunt je voorstellen dat besluitvorming niet bepaald snel ging, vooral omdat betrokken steden en dorpen onophoudelijk jeremieerden over de steeds terugkerende kosten van het bevaarbaar houden van trekvaarten. [schut] - iets traag doen. "Over de rooie gaan". De stoomketel zover opstoken dat de manometer in het rode gebied komt en de veiligheid van de ketel met veel lawaai gaat afblazen. - Zich niet meer kunnen beheersen. "Overstag gaan". Over een andere boeg gaan zeilen, het schip wenden. - Van mening veranderen, ook bekend als "over een andere boeg gooien". "Overstuur zijn". Een schip is overstuur als het achteruit vaart (deinst). Zeilschepen, maar ook de meeste motorschepen zijn dan onbestuurbaar. - Van streek zijn. - Controle over het gedrag kwijt zijn. |
| Pal - Pijp | "Palaver(en)". Benaming voor de wijze waarop de Portugesche handelsschepen in de 18e eeuw langs de Afrikaanse kust opereerden. De Portugese zeelui waren meesters in het bedrieglijk/misleidend/eindeloos onderhandelen over koopwaar en noemden dat palavra. De Engelse kooplui en slavenhalers die dat met verwondering en misschien wel bewondering aanzagen namen het mee naar huis als palaver, waarna het woord vooral werd gebruikt om specifiek een onderhoud met, of briefing door de "captain" aan te duiden. Van Lennep ziet de oorsprong echter in het Maleise palabber (vergadering): "omdat daar bij hen alles langzaam toegaat". Wellicht kan "palaveren" gezien worden als opvolger van het in de VOC-tijd gebruikelijke pitchiaeren of pitsiaren, hetgeen overleggen, bespreken, onderhandelen betekende, in het bijzonder bij 's lands vloot een door de opperbevelhebber bijeengeroepen scheepsraad van kapiteins, hetgeen hij d.m.v. de pitsjaarsvlag kenbaar maakte. Van Lennep bestempelt pitsjaren echter ook als passagieren. - Oeverloos geouwehoer. - Langgerekte besprekingen. - Breedvoerig praten. "Peperduur" ook: "Een gepeperde rekening". In de zestiende eeuw leverde de specerijenhandel ongekende winst op; althans voor bepaalde mensen. De gehele handel was in handen van Portugal en de koning verpachtte de rechten slechts aan een select groepje en dat waren zeker geen Hollanders. In 1594 staken daarom negen Amsterdamse kooplieden de koppen bij elkaar om dit monopolie te doorbreken en een eigen handelsreis naar Azie op touw te zetten om zo alle winst van met name de peperhandel in eigen zak te kunnen steken. Het was de start van de "Compagnie van Verre", de voorloper van de VOC. Een andere - simpele - verklaring voor de uitdrukking zou de pittige smaak van peper zijn. - Erg duur. - Een zeer hoge rekening. "Pimpelen". Het pimpeltje was een klein drinkvat van variabele grootte van glas of porcelein waarin het oorlam werd verstrekt. - borrelen, stevig door drinken. "Pokhout". Zeer harde, vettige, slijt- en splintervaste houtsoort van de pokhoutboom (Guaiacboom). Wordt gebruikt voor de lopende delen van een blok. Vroeger ook als bekleding van schroefaskokers en als pakking voor de roerkoning. - Aanduiding voor een onbuigzaam iemand, die stipt alle regels naleeft: "Die vent is pokhout". "Poolshoogte nemen". De geografische breedte (poolstersbreedtepunt) bepalen door de hoogte van de poolster te meten. - Op verkenning uitgaan. "Prangen". Het bij harde wind onder volledig zeil blijven, om het uiterste uit het schip te halen. Het is niet zeker of de huidige betekenis hiervan is afgeleid. Zie ook in de knijp zitten. - Duwen, dringen, persen, klemmen, kwellen, benauwen. "Pijp(je) bier". Zelfs deze benaming zou uit de scheepvaart komen. De oorsprong ligt bij de Portugese zeevaarders. De vaten waarin zij hun portwijn leverden heetten "pipa" en hadden een inhoud van 520 liter. De Engelsen namen dit al snel over als naam voor een biervat: "pipe". In het dagboek van Gerrit de Veer die met Heemskerck en Barents op Nova Zembla [1596-1597] overwinterde, staat o.m. "Doen ordonneerde ende maeckte onse surgijn een bat om te stoven van een wijnpijp, daer ghingen wij d'eene voor d'ander nae altemet in ende vonden ons daer gantsch wel bij dattet grootelijckx streckte tot onse ghesontheyt". Wijn echter werd als scheepsdrank in de 17e eeuw door bier vervangen en in de Franse tijd zelfs door water. Het vat bier bleef echter een "pijp". De invoering van flesjes bier die aan boord accijnsvrij te verkrijgen waren, deed de naam "pijp" herleven, nu voor het flesje... En later specifiek voor het smalle 30 cl flesje. |
| Sch - Str | "Schipperen". De gezagvoerder van een schip heet schipper. Vroeger algemeen, thans nog alleen bij de binnenvaart. In de zeiltijd moest de beurtschipper bij afwezigheid van wind of tegenwind in smalle vaarten steeds weer de afweging maken of hij zou gaan jagen (voorttrekken langs de kant) of bomen. Of misschien zelfs een jaagpaard moest inhuren. Mogelijk is zo de huidige betekenis van schipperen onstaan. Stoett weet echter te melden dat schipperen in de 16e eeuw voorkomt in de zin van ruw, onbeschaafd zijn. - Iets met beleid in orde maken. - Geven en nemen. - Moeilijkheden ontwijken. "Schoon schip maken". Bij dagenlang windstil weer begon de bemanning te morren. Ze kletsten de hele dag over over lekker eten, vrouwen, bijgeloof en roddels die alleen maar vechtpartijen uitlokten. Een goede kapitein zette de mensen dan aan het werk om schoon schip te maken. Het hele schip werd grondig gepoetst, geschrobd, geschuurd en geschilderd. - Opnieuw beginnen, ongerief overboord zetten. "Schrooien". Was een werkwijze om vaten met touwen erom (schrooitouwen) in of uit een ruim te laten rollen. Schrooien of verschrooien noemde men ook het over dek trekken van zware lasten met behulp van talies. - Langdurig en hard werken bij niet al te plezierig werk. "Slaags liggen". Klaar liggen om uit te varen. Ook wel op stootgaren liggen. De term komt uit de zeiltijd. Een schip lag slaags als het zeil klaar was om onmiddellijk uitgehaald te worden. Het onderlijk was dan met dunne garens, de stootgarens, aan de ra vastgemaakt met de bedoeling om tijdens hijsen met een ruk af te kunnen breken. Bij gevechten was slaags liggen de goede positie om te vuren. - Klaar zijn om in te grijpen of te helpen. - Waakzaam zijn. "Slagboegen". In onbruik geraakt woord voor een zeilrak. Bij een schip dat in de wind laveert worden de rechte lijnen per zigzag die de werkelijke afgelegde weg aangeven "slagboegen" genoemd. Bij dit boegkruisen of opwerken betekent een lange slagboeg (ogenschijnlijk) veel voortgang. Werd figuurlijk gebruikt als: - Een buitenkansje geven. "Slagroeier". Slagroeiers gaven het tempo van de slag aan waarop geroeid moest worden. - Een leidinggevende. "Slampamper". Gemakkelijk te openen sluiting waarmee het eind van de ankerketting is vastgezet. Oorspronkelijk een stuk touw dat gemakkelijk doorgekapt kon worden. Zie ook duvelstoejager. - Een nietsnut. "Snertnymf". Tot begin 20e eeuw was het bij de marine de gewoonte dat het etensoverschot (heel vaak snert) van binnenliggende schepen verdeeld werd onder de armen. Men noemde ze snertnymfen, omdat het aanvankelijk vrouwen en kinderen waren. Later kwamen daar ook bedelaars bij en kreeg men mannelijke snertnymfen. Om hun aantal beperkt te houden zorgde de kok voor ballotage. Als het schip op zee was ging het overschot (de spoeling) door de stortkoker, het meeuwengat, in zee voor de vissen en meeuwen. Onderstaande figuurlijke betekenis is inmiddels verloren gegaan. Zie ook klaploper. - Iemand die op de beurs van een ander teert. "Sorlen". Oude scheepstaal voor wedstrijdzeilen. "Wegzeilen om 't eerst, gelijk men doet in 't vluchten". - De aftocht blazen, ervandoor gaan. "Spekpen". Tot begin 20e eeuw was het bij de marine de gewoonte om het rantsoen spek voor elke bak aan een pen te prikken en met een touwtje er om, en een metalen plaat met het nummer van de bak, in de snertketel te hangen om het reeds in blik gestoomde spek smakelijker te maken. - Een lang mager iemand (oorspronkelijk matroos). Verwant: zo vet als een spaans anker. "Spekverversen". De versebalie had tot taak het zoutvlees en -spek vóór bereiding in een kuip (balie) met zeewater te weken, dat elke wacht te verversen, om tot besluit het overtollige nat met de voeten uit te "treden". - Voetwassen. "Spitsroeden lopen". Een gebruikelijke straf voor het stelen van voedsel of drinkwater was het "door de spitsroeden lopen". De schuldige moest met ontbloot bovenlijf tussen twee rijen schepelingen doorlopen en werd daarbij van rechts en links met roeden van dun puntig rijshout geslagen, waarbij een snelle doorgang werd voorkomen door een officier die achterwaarts lopend de punt van zijn blanke sabel op de borst van de gestrafte gericht hield. De schepelingen hoefden meestal niet aangespoord te worden, want diefstal van rantsoenen gold als matennaaien. - Aan scherpe kritiek van velen onderhevig zijn. "Spijkers op laag water zoeken". De uitdrukking is ontstaan op scheepswerven waar het werkvolk met enige regelmaat bij laagwater naar spijkers zocht die bij het timmerwerk overboord waren gevallen. "Zoeken naar kleinigheden die bijna niet te vinden zijn". Tegenwoordige betekenis: - Vitten, ongegronde aanmerkingen maken. "Stampsteven". Een stampsteven is een rechte steven. Het schip botst als het ware tegen de golven. - Een onbehouwen iemand. "Stille wateren hebben diepe gronden". Stil water is water zonder stroming of het water tijdens de kentering. Ook tussen de kribben treft men een gebied met stil water aan. Dit water werd soms apart verpacht. Bij hoog water vloeit het water over de kribben en verdwijnt het gebied met stil water. Hierdoor raakte de pachter zijn viswater tijdelijk kwijt. (Men kan zich voorstellen dat er heel wat discussies geweest zijn over wanneer en waar het water stilstond. [binnenvaarttaal] - Een stil iemand komt vaak met de beste ideeën of uitspraken. - Maar ook: iemand die niets zegt, heeft vaak veel te verbergen. "Stilte aan de bak(ken)". Zie aan de bak komen. - Gelegenheid tot gebed geven. - De mond snoeren bij een terechtwijzing. "Stout zetten". Het schip opknappen, mooier maken... "Iets te scheep zo stellen, dat het aanzienlijker en toonbaarder is als naar gewoonte". - Opruimen, schoonmaken, aan kant maken. "Strook". De planken die bij houtbouw van voor- naar achtersteven over de spanten worden getimmerd heten stroken en gangen. "Strook" wordt in overdrachtelijke zin gebruikt voor de richting die de planken volgen. - Van strook = op rij, op hun plaats, in de richting van. - Dat strookt niet met = dat komt niet overeen met. "Strijk en zet". Het is mogelijk, dat de uitdrukking aan de scheepvaart is ontleend. De schipper die bij het doorvaren van de vele sluizen het zeil steeds weer strijkt en daarna weer zet. Een verwante verklaring vindt men in N. Taalgids IX, 228 en 312. Vgl. Smetius, 125: Het is stryck ende sett, seyl voor den mast [Stoett]. - Ieder ogenblik, herhaaldelijk, schering en inslag, geregeld, zonder uitzondering. |
| Taf - Tus | "Tafereel". Bovenachterdek, waar in de regel de bevelvoerder en de officieren zich tijdens commandovoering ophielden. In later tijd de brug, waar bij de marine rond het middaguur het "tafereel" van het zonnetje schieten van de adelborsten plaatsvond. (Het is de vraag of dit Oudfranse woord een "zeemanstaal" oorsprong heeft). - Afbeelding van een gebeurtenis. - Gedeelte van een toneelvoorstelling. "Te boven komen". Het passeren van een moeilijke kaap of klif werd te boven komen, te boven lopen of te boven zeilen genoemd. - moeilijkheden overwinnen. "Tegen de keer in(gaan)". Keer is een oude benaming voor getij-, rivier- of golfstroom. Verwant neer. - Tegen de stroom in - Anders dan anderen. "Teren en smeren". Houten schepen moesten regelmatig hellingen om het aangegroeide onderwaterschip te ontdoen van doorns. Na het afschrapen werd het onderwaterschip met riet afgebrand [geblaakt] en in de teer of een mengsel van pek en talk tegen paalworm gezet en het bovenwaterschip [het dooddeel] in de harpuis. Het scheepsonderhoud bestond dus uit teren en smeren, waarna het schip er weer tiptop uitzag. - Goede sier maken. "Toebloks zitten". Als bij een takel het halende part zover is doorgehaald dat beide blokken tegen elkaar komen. Betekenis eigenlijk hetzelfde als met de kloten voor het blok. - Niet verder kunnen. - Voor een voldongen feit staan. "Toetakelen". Het schip van de nodige takelage voorzien. Omgekeerd: aftakelen. - Potsierlijk aankleden. - Beschadigen/verwonden door ruwe behandeling. "Tot het bittere eind (gaan)". Het uiteinde van een touw, of de laatste schalm van een ketting, heet bitterend. Oorspronkelijk werd het versleten uiteinde bedoeld, dat gepluisd en tot schiemansgaren geslagen werd. Wanneer in vroeger tijden in diep water een ankerlijn geheel uitgevierd was tot het bitterend, was het een hels karwei om het anker te hieuwen. Men stond met 12 of meer man uren lang aan de kaapstander. - Tot het uiterste gaan. "Trotsering". (Scheeps)hellingschuinte. Hoe schuiner de helling, hoe meer trotsering. - Als werkwoord: tarten, uitdagen, iets aandurven. "Tussen kaai en schip gevallen". - Dezelfde betekenis als "van een vrachtwagen gevallen": gestolen waar. |
| Vaa - Voo | "Vaarwater". De waterweg die vaartuigen gewoonlijk volgen. Een rivier, kanaal, of afgebakend gebied op ruim water. Er zijn nogal wat uitdrukkingen met het woord vaarwater. - In het vaarwater blijven: volharden in een gedrag. - Uit het vaarwater raken: van het onderwerp afdwalen. - In verkeerd vaarwater zeilen: verkeerd handelen. - Gevaarlijk vaarwater: een netelige zaak. - Dwars in het vaarwater liggen: de voortgang van iets beletten. - Uit iemands vaarwater blijven: iemand niet in de weg lopen. - In elkaars vaarwater zitten: elkaar hinderen. - Iemand uit zijn vaarwater duwen: iemand van zijn apropos halen. "Vaarwel". Het schip en haar bemanning werd een "vaar wel" toegewenst. Omdat het lang niet zeker was dat het schip behouden terugkwam, is "vaarwel" in huidige betekenis vooral bedoeld als definitief afscheid. "Van Duinkerke ten haring varen". Een Vlaams spreekwoord. De Duinkerkse kapers waren gevreesd. Tijdens de tachtigjarige oorlog werd Duinkerken dan ook veelvuldig door de Nederlandse vloot geblokkeerd om de kapers en Vlaamse vissers het uit- en invaren te beletten. - Er slecht van af komen. - Aan een hopeloze zaak beginnen. "Van gortschaften tot theewater". Marineuitdrukking met dezelfde betekenis als "Van haver tot gort". Gortschaften is ontbijten. Theewater is avondeten. Tussen gortschaften en theewater ligt dus alles wat de dienst betreft. - Van alles op de hoogte zijn. - Iemand of iets door en door kennen. "Van streek zijn" of "Van streek raken"; het tegenovergestelde van op streek zijn. De kompasroos is verdeeld in windstreken. Een streek komt overeen met 11¼ graden, dat is een 32e deel van 360°. Een bepaalde koers aanhouden heet dan ook een bepaalde streek varen. Van streek zijn betekent van de juiste koers af zijn. - In de war zijn. - Beheersing verliezen. - Ziek zijn. Ook wel als "Hij heeft lelijke streken op zijn kompas": - De verkeerde weg ingaan (op het slechte pad). - Iets uithalen dat niet in de haak is. Zijn streken thuiskrijgen: het kwaad dat men gedaan heeft vergolden krijgen (boontje komt om zijn loontje). En over een dronken iemand: "Hij kan geen streek houden". "Veel water vuil maken". Varen in ondiep water gaat moeizaam en maakt slib los. - Ergens moeite voor doen. - Iets oprakelen (onaangename gebeurtenis). "Ver in zee zijn". - In zaken: ver gevorderde onderhandelingen, de deal is bijna rond. "Verramponeerd zijn" of "Ontramponeerd zijn". Een schip dat total loss is. - Aan het eind van je krachten zijn. "Vertuid liggen", werd meestal gebezigd als: "Zwaar vertuid liggen" , of gewoon: "Voor anker liggen". Als een schip vertuid voor anker ligt, ligt het aan twee (of meer) gespreide ankers. Goed vast dus! - Een relatie (vaste verkering) hebben. De marineman sprak over zijn meisje ook als "aanhangmotor". "Vierkant werk maken" of "Vierkant draaien". Zie gelijkwerk maken. "Voetangels en klemmen". De voetangel was een strijdmiddel bestaande uit een smeedijzeren ster waarvan één punt altijd omhoog stak, ongeacht de ligging op het dek. Een groot aantal voetangels werd op de dekken uitgestrooid wanneer men een enterende, overmachtige vijand niet meer kon afslaan. - Onzichtbare moeilijkheden, bedrieglijke plaatsen. "Volbrassen". De zeilen op een vierkant getuigd schip zodanig draaien dat ze de meeste wind vangen, waardoor het schip zo snel mogelijk vaart. - Ophoepelen. "Volhouden". Zou best wel kunnen komen van "vol houden". De wind in de zeilen houden zodat ze niet klapperen. - Doorgaan, niet opgeven. "Voor de mast gevaren/gediend hebben". De gewone schepelingen hadden hun verblijf in het foksel vóór de mast. De officieren onder het kampanjedek op het achterschip. - Onderaan begonnen zijn. "Voor de prins varen/dienen". De Koninklijke Marine kende nog tot 1916 de rang jongen, onder die van lichtmatroos, waar een min. leeftijd van 16 jaar voor gold. De scheepsjongens kwamen in dienst op 13½-jarige leeftijd, maar hun "toer" van 11 jaar begon pas te tellen als ze 16 jaar werden. Tot die tijd dienden zij dus zonder ingaand dienstverband. Men noemde dat "voor den prins dienen". - Werken zonder dienstverband. - Werken zonder vergoeding. - Vrijwilligerswerk. "Voor het lapje houden". Het lapje is het zeil. Voor oude vierkantgetuigde schepen was een wind dwars tot achter het meest gunstig. Het vaarde dan voor het lapje. Het verband met de uitdrukking is me niet duidelijk, want die duidt juist op "de verkeerde kant op sturen". Ton van Schoonhoven geeft in zijn Zeemanstaal de volgende verklaring: "Iemand voor het lapje houden deed je oorspronkelijk door iemand ongemerkt zo te sturen (met behulp van een gunstige wind) dat je daarmee je eigen doel bereikte". Zie ook het gaat voor het lapje. - Voor de gek houden. "Voor paal liggen (staan)". In een getijhaven ligt de boot aan palen. Een typisch voorbeeld van zo'n (droogvallende) haven is de kleine haven "Paal" bij het verdronken land van Saeftinge. - Zich aan bespotting blootstellen, voor paal staan. Eigenlijk dezelfde betekenis als voor schut liggen. "Voor plechtanker liggen", ook als "Anker der hoop" Het plechtanker was het zwaarste anker aan boord en werd daarom alleen gebruikt als het niet anders kon. Normaal gesproken werden een of meer daagse ankers gebruikt. Een daags anker was veel lichter. Sommige publicaties spreken over een zesde van het gewicht van het plechtanker. - Het laatste redmiddel. - De enige zekerheid. "Voor schut liggen (staan)". Voor de sluis liggen wachten op de eerstvolgende schutting. De relatie met de uitdrukking is niet duidelijk. Wellicht de tegenslag van het niet verder kunnen en voor iedereen te kijk liggen? - Zich aan bespotting blootstellen. Wordt verschillend gebezigd: Voor schut lopen, -staan, -zetten, -zitten. "Voor top en takel liggen". Bij storm voor de wind weglopen, ook wel lenzen. "Voor top en takel" is lenzen met een kaal tuig. Alle zeilen zijn gestreken. Met top wordt de mast bedoeld. Met top en takel, het gehele tuig. - Je passief laten meevoeren in de drukte om je heen. |
| Wat - Wie | "Water". In 1856 omschreef Van Lennep in zijn Zeemans-Woordeboek "water" als volgt: "Doorschijnende vloeibare zelfstandigheid, die door de koude stolt en door hitte wegdampt". Hier een paar uitdrukkingen: - Stille wateren hebben diepe gronden: degenen met de minste praat zijn vaak de knapsten. - Water in de wijn doen: wat minder hard van stapel lopen, temperen. - Verdronken eer men water gezien heeft: zedelijke of lichamelijke "bederving" zonder er van genoten te hebben... :-) - Gods water over Gods akker laten lopen: geen zorgen maken; zich nergen over bekommeren. Sex zonder bescherming. Meer uitdrukkingen/gezegden over water zijn te vinden op spreekwoord.nl. "Wie tegen de wind in spuwt, maakt zijn baard vies" ook als "Wie tegen de wind in pist maakt zijn broek nat". Volgens overlevering zou dit een zeemanswijsheid zijn... - Het heeft geen zin tegen sterkere krachten op te boksen. |
| Zie - Zijn | "Zielverkoper". Het werven van scheepsvolk geschiedde veelal door tussenkomst van logement- of volkhouders die tevens scheepsagent waren. Vaak waren dat ex-prostituees. Zij gaven het scheepsvolk onderdak, voeding en na aanmonstering een schaars gevulde zeemanskist. Op die manier stak de (aspirant)zeeman zich in diepe schuld, waarvoor hij een schuldbekentenis, transportbrief of ceel ondertekende. Omdat de gage pas werd uitbetaald wanneer het daadwerkelijk was verdiend, verkocht de logementhouder de ceel voor een aanzienlijk hoger bedrag aan derden (meestal de Compagnie). Dit "ceel verkopen" verbasterde en zo verwierf de logementhouder de naam van "zielverkoper". Hier een Oudnederlandse beschrijving uit 1775. Tot in de 20e eeuw plukten sommige kapiteins hun bemanning nog min of meer op dezelfde wijze. Het was dan wel geen zielverkopen, maar toch een winstgevend zaakje. Ze hadden een slapkist (afgeleid van slobchest, sloppe = working trousers) waaruit eenmaal per week kleren, laarzen, schoenen, tabak etc tegen hoge prijs werden verkocht [VvdM]. - Ronselaar, tussenpersoon. "Zo van de kok". Raasdonders (capucijners) werden met een "gaatjeslepel" opgeschept. Sommige manschappen hadden ze liever "zo van de kok", dus met kookvocht. - Naakt. We hebben "zo van de kok" gezwommen. "Zo vet als een Spaans anker". Uit beschrijvingen van de Spaanse Armada blijkt dat de schepen complete drijvende steden waren, met alle mogelijke have en goed, bedienden, huishoudens, soldaten etc, maar dat de zeewaardigheid te wensen overliet. Zo zouden b.v. de ankers veel te licht zijn. - Iemand die zeer mager is, ook wel als "graatmager". "Zijn schepen achter zich verbranden". Toen de Trojaanse held Aeneas [klassieke mythologie] na de nederlaag tegen de Grieken uit Troje wegvluchtte en na vele avonturen in een landstreek bij de Tiber terecht kwam, verbrandde hij zijn schepen op het strand en maakte daarmee zijn verblijf definitief. Zijn afstammelingen Romulus en Remus stichtten uiteindelijk Rome. - Er is geen weg terug. "Zijn tijd aan het roer gestaan". Komt van "Sijn poos te roer staen". De roerganger had een zware taak. De roertorn van een glas of vier bij zwaar weer (4x een half uur) was intensief en uitputtend. Het lot van schip en bemanning lag geheel in zijn handen. - Goed werk verricht hebben. - Zijn portie wel gehad (genoeg geleden hebben). |
| Uitenteren | Het via het tuig op de ra's klimmen werd openteren of in de takken klimmen genoemd, een uitdrukking die in de stoomvaart door de stokers werd overgenomen voor het geklauter tussen de vlampijpen als de ketels moesten worden schoongemaakt. Het vanuit het midden van de ra over het paard naar de uiteinden (ranokken) lopen heette uitenteren of uitlopen, hoewel het verspreiden ook wel uitleggen werd genoemd en het inrukken of terugkomen (je raadt het al) inleggen. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw werd het uitenteren wat minder gevaarlijk, omdat bovenop de ra's een ijzeren stang werd aangebracht. Deze jackstay werd op korte afstanden gesteund en diende om de zeilen aan vast te maken, maar tevens als handreling voor de bemanning. Als extra veiligheid werden aan de jackstay wel grommers bevestigd, dat waren touwlussen waar men een arm doorheen kon steken. |
| Uit het roer lopen | De controle over het roer verliezen, zie lenzen. |
| Uit koers | Bij sommige
motorschepen kan je het stuurwiel niet loslaten zonder dat het schip uit de koers loopt.
Men noemt dit een ongemanierd schip. Een oorzaak kan zijn dat het roer te klein
is of teveel naar voren geplaatst. De oppervlakte van het roerblad moet ongeveer 2½ % van
de oppervlakte van het onderwaterschip zijn en de ruimte tussen vlak
en roer zo klein mogelijk. Verder is het van belang dat de afstand tussen schroef en
roer niet te groot is. Een vuistregel is 12 tot 15 %
van de schroefdiameter. Uiteraard moet de roerkoning zuiver
verticaal staan en een kabel- of kettingbesturing geen speling vertonen. Ruimte
tussen hennegatskoker en roerkoning kan ook een boosdoener
zijn. Wanneer bij een goed gespannen kabel- of kettingbesturing tijdens het uit koers
lopen het stuurwiel meedraait kan installatie van hydraulische
besturing een oplossing zijn, maar niet wanneer een andere - nogal onbekende - oorzaak
het geval is. Een motor met teveel vermogen in verhouding tot het schip. Door het grote
vermogen zal het wieleffect van de schroef toenemen en de boot naar één kant gaan
trekken waardoor bijgestuurd moet worden. Dit heeft tot gevolg dat ook steeds
teruggestuurd moet worden. Een voortdurend corrigeren dus. Wanneer het schip bij stevig
gas geven de neiging heeft om steeds naar één kant te gaan en weer begint te
"zoeken" bij minder gas, kan je er vrijwel zeker van zijn dat een te zware
voortstuwing is geinstalleerd. Mogelijk is verbetering te bereiken met de toepassing van
een propulsieroer. Jachtbouwers zouden hun klanten met vraag naar veel vermogen in ieder
geval goed moeten informeren. Tenslotte kunnen ook een scheve scheg,
scheve (doos)kiel of asymmetrische koelbuizen een oorzaak zijn. Verwant: balansroer, propulsieroer, roerbladgrootte/roerwerking, koppel en vermogen. |
| Uitlijnen | Een motoropstelling
zonder homokinetische koppeling dient zuiver uitgelijnd
te worden om ongewenste trillingen en slijtage te voorkomen. Dit geldt ook bij gebruik van
een flexibele koppeling. Het uitlijnen is goed zelf te
doen. Draai de achterste motorsteunen net zover omhoog of omlaag dat de flensen van uitgaande as en schroefas voor het gevoel perfect tegenoverelkaar komen, in ieder geval zo, dat de stalen bouten er doorheen gestoken kunnen worden. Moeren met borgringen aanbrengen en met de hand aandraaien. Het uitlijnen kan beginnen. Met een voelermaatje kan nu tussen de flensen rondom gevoeld worden of elke plek dezelfde ruimte cq weerstand geeft. Schroefas en uitgaande as hierbij niet draaien. De verschillen kunnen in principe gecorrigeerd worden met alleen het stellen van de voorste motorsteunen. De achterste in mindere mate of helemaal niet. Zodra de ruimte overal gelijk is kunnen de moeren kruislings vastgedraaid worden. Op de nieuwsgroep nl.sport.varen kwam nog de volgende goede tip: "Wanneer het een reparatie aan een bestaande motoropstelling betreft is het verstandig de flensen vooraf te merken zodat ze op dezelfde wijze als voorheen tegen elkaar komen en je zou het helemaal goed doen door de boutjes en moeren met een momentsteutel op gelijke kracht vast te zetten en dit na een aantal vaaruren te controleren". |
| Uitvindingen | De Fransman De
Son bouwde in 1653 te Rotterdam een schip zonder mast en zeilen. De voortstuwing zou
geschieden met een scheprad dat in het midden was aangebracht en opgewonden werd als een
klok. De Rotterdammers noemden het onmiddellijk het malleschip. Het is nooit tot
een proefvaart gekomen, want voor de tewaterlating is het malleschip alweer gesloopt. Het
schip zou bloedsnel zijn, want Cornelis van Yk schreef in 1697 het volgende: "En
wyders, dat de Heer van Son doemaals in Vrankrijk, seer vermaard Mathematicus, van
hoogerhand, aan dezen staat gerecommandeerd, in den jaare 1653, tot Rotterdam, op eygen
kosten, een Vaartuig, Schip kan 't kwalijk genoemd werde, 72 Voeten lang, 12 hol, en 8
wijt, bouwde, dat aan yder sijde met Roer, en van binnen in 't midden met een Rad,
voorsien was, 't welk opgewonden sijnde, 8 uuren aan den anderen loopen, en 't Schip,
sonder Zeilen, leggende by na, boven, gelijks het Water, met sulken snelheid voortdryven
soude, dat des morgens van Rotterdam afvarende, des middags tot Diepe in Vrankrijk sijn
maaltijd houden, en des Avonds wederom wesen, ter plaatse daar hy afgesteken was".
Omstreeks 1670 ontwierp Hendrik Stevin, zoon van Simon
Stevin ook een wonderschip. Het was van "wiskonstige bouw dat men zoo veilig
behoudens lijf, en goed, ter zee, als met een wagen over 't land zoude konnen varen".
Het schip moest vooral breed zijn (by na zoo wijt als lang). Verder had het geen
kiel, maar een sleuf in het vlak en de zijkanten (oplangen van de zyden) moesten 3 tot 4
voeten beneden het vlak door schieten als twee vaste zwaarden. De voor- en achterkant
waren hetzelfde (eenderley fatsoen) met op iedere hoek een roer. De tuigage bestond uit
een woud van masten, welke in de breedte met de toppen drie aan drie verbonden waren met
van voor naar achter een mars, waarlangs men "van 't een spantmasten, tot in 't
ander kan koomen".
De Oostenrijker Josef Ressel liet in 1826 bij een smid in Triëst een scheepsschroef maken, geïnspireerd op de spiraal van Archimedes. Het was een soort kurketrekker van anderhalve gang. Aanvankelijk zou de aandrijving met mankracht geschieden, maar al in 1828 werd er een stoomschip mee uitgerust. Het waren echter de Engelsman Francis P.Smith [afb. 1 en 2] en de Zweed John Ericsson [afb. 3] die tien jaar later met hun patent voor een schroef met meerdere bladen [afb. 4] de basis legden voor de scheepsschroef zoals we die nu kennen.
In 1858 ontwierpen de gebroeders Winan het "sigaarschip". De bedoeling was dat het schip gemakkelijker en met minder weerstand door het water zou glijden en bij zwaar weer minder zou slingeren. Verder bedachten ze dat een grote midscheeps geplaatste scheepsschroef efficienter zou werken. Helaas bleek deze propeller zoveel schuim op te werpen dat het onmogelijk was aan dek te verblijven. Latere pogingen met meer conventionele aandrijving hadden ook geen succes, want het schip bleek bij slecht weer zeer onstabiel. De sigaarvormige romp kwam in een niet te stoppen slingerbeweging.
In 1863 werd te Blackwell aan de Thames een merkwaardig stoomschip te water gelaten. Het was de Connector, die bestond uit drie secties, scharnierend aan elkaar bevestigd. Door deze constructie kon het schip als het ware over de golven glijden. De secties konden worden losgekoppeld en afzonderlijk geladen. De machine was in de achterste sectie geplaatst. De proefvaart zou bevredigend zijn verlopen, maar er is nooit meer iets van vernomen.
Henry Bessemer was een uitvinder pur sang. In de periode 1838 - 1883 wist hij 116 patenten op zijn naam te schrijven. In 1869 vroeg hij patent op zijn idee voor "Vessels for prevention of sea-sickness", nadat hij een jaar eerder zwaar zeeziek geweest was tijdens een overtocht van Calais naar Dover. "Few persons have suffered more severely than I have from sea sickness". De salon zou in zijn Bessemer Saloon Steam Ship waterpas moeten blijven. Een echte proef is nooit genomen omdat de benodigde ingewikkelde hydraulische apparatuur tijdens de proefvaart niet werkte. De constructie zou ook niet echt zeeziekte verhelpen, want alleen het slingeren zou zijn opgeheven, hetgeen maar één van de basisbewegingen is die een schip in de golven maakt.
Hij besloot daarop een ander ontwerp toe te
passen dat was gebaseerd op een salon welke op een vrijdragende gyroscoop was gemonteerd.
Het S.S. Bessemer heeft daadwerkelijk twee keer de oversteek gemaakt. Bij de
maidentrip in 1875 liep het schip bij kalme zee en goed zicht op de pier van Calais. Na
reparatie werd een tweede poging ondernomen. Wederom reageerde het schip door de
gyroscopen niet op het roer en liep ondanks een zeer ervaren gezagvoerder andermaal op de
pier, waarna Bessemer wijselijk besloot af te zien van zijn plan voor een vloot van
gyroscopische schepen.
In 1873 werden de Russische Novgorod en het zusterschip Popoffka te water gelaten. Het waren cirkelvormige platboomd met ijzer beklede kanonneerboten. Het idee van ontwerper vice-admiraal Popoff was dat zo'n pannenkoek zeer stabiel zou liggen en in heel ondiep water kon opereren. Ideaal voor de kustverdediging. Omdat hij begreep dat een normaal roer niet zou werken, werd gestuurd met behulp van zes scheepsschroeven. Helaas werkte de theorie niet. Het schip was nauwelijks van koers te veranderen, maar kon wel als een tol ronddraaien. De uitdrukking popoffen voor het manoeuvreren met twee naast elkaar vastgemaakte schepen komt hier vandaan.
In 1874 is geëxperimenteerd met een groot zeewaardig stoomschip met twee halve rompen. Het was de Castalia. De logische gedachte was dat zo een zeer stabiel en comfortabel passagiersschip gerealiseerd kon worden. In de praktijk klopte dit inderdaad, maar het schip was veel te traag en moest na elke tocht kostbare reparaties ondergaan tengevolge van het wringen van de rompen. In 1877 werd daarop de Calais-Douvres gebouwd met twee volledige rompen welke 9 jaar dienst heeft gedaan als veerboot tussen Dover en Calais. Het "dubbelrompschip" dat zeer populair was bij de reizigers werd aangedreven door raderen tussen de rompen en bereikte een snelheid van 13 knopen.
Al in 1896 zag men in dat een waterverplaatsend schip veel energie verspilt. Het rollerschip dreef hoog op het water op enorme holle wielen met een doorsnee van 10 m. Het schip was uitgerust met twee machines. Eén voor de schroef en één voor de rollers. Doordat de wielen draaien ondervonden ze weinig weerstand. Er zijn verscheidene rollerschepen gebouwd, maar toch werd het geen succes.
De Engelse constructeur I.R.Fleming ontwierp begin 20e eeuw de handschroefboot. Het was een voortstuwingsmethode voor reddingsloepen, waarbij de roeiers i.p.v. riemen, hefbomen gebruikten om een scheepsschroef aan te drijven. Het werd in 1922 bekend onder de naam Flemingpatent en werd een tijd lang toegepast op grote passagiersschepen, o.a. de "Nieuw Amsterdam".
De Duitse ingenieur A.Flettner ontwierp in 1913 een balansroer dat 360° draaibaar was, maar niet d.m.v. de roerkoning, doch door verdraaing van een klein hulproertje aan het uiteinde van het grote roerblad. Het werd bediend door een stangenstelsel door de roerkoning. Het Flettner roer is één keer door de Kon. Marine toegepast maar voldeed niet. Het afgeleide vereenvoudigde Beckerroer (flaproer) voldoet wel en wordt heden ten dage in de beroepsvaart toegepast.
Verder was hij in 1924 de uitvinder van het Flettner rotorschip dat ook veelbelovend leek. Op het schip werden twee of meer enorme rechtopstaande cilinders geplaatst. Deze werden door een relatief lichte motor aangedreven met een rotatiesnelheid van ± drie maal de windsnelheid, waardoor de feitelijke windkracht op de rotors werd vertienvoudigd. De rotors werkten hierdoor als enorme zeilen. Het systeem is te vergelijken met een draaitol uit onze jeugd. Als je op een sneldraaiende tol licht blaast, vertrekt die met grote snelheid haaks op de blaasrichting. Door de wind en de draaiende rotors ontstaat dwars op de windrichting, aan de ene zijde een onderdruk en aan de andere zijde een overdruk. Hierdoor wordt het vaartuig aangedreven. Er is enige jaren mee gevaren door vrachtschepen van ± 3000 ton tussen Duitsland en Newyork. Maar het voldeed uiteindelijk niet omdat men toch moest varen als met een zeilschip en er problemen waren met de trillingen (met dank aan Pierre Ven).
Een kitchenroer lijkt het ei van columbus. Het bestaat uit twee bakken, die als de grijper van een hijskraan, de schroef omsluiten. De constructie draait als een normaal roer, maar bovendien kunnen beide platen achter de schroef sluiten of naar weerszijden openen. De schroef draait altijd in dezelfde richting. Er is geen keerkoppeling nodig. Door het naar elkaar toe brengen van de platen gaat het vaartuig langzamer varen. Door het volledig sluiten wordt achteruit gevaren. Met het openen of sluiten van de platen kan men dus de vaart regelen van vol vooruit tot vol achteruit. Bovendien kan in achteruitvaart gestuurd worden. De uitwerking is verbazend, want bij weinig of geen vaart luistert het vaartuig onmiddellijk naar het roer. Waarom hebben we hier nooit meer iets van gehoord?
|
| Uitwaterings lijn |
Of maximum-diepgangsmerk, zie Plimsollmerk. |
| Uitwijken | Niemand heeft
voorrang, wel ben je in bepaalde situaties verplicht uit te wijken. In de laatste versie
van het BPR [2004] wordt voor het eerst het woord voorrang
gebruikt, maar dan in de betekenis van voorrang verlenen. Voorrang wordt dus niet
genomen, maar gegeven. Kleine motorboten verlenen altijd voorrang aan grote schepen
(beroepsvaart) en roei- en zeilboten, behalve wanneer het zeiljacht (met gehesen zeilen)
de motor heeft bijstaan. De schipper dient dit kenbaar te maken door het hijsen van een zwarte kegel met de punt naar beneden. Hij vaart dan als
"motorboot". Voor motorboten kan je simpel zeggen: laat rechts (stuurboord)
voorgaan en bij een schip aan linkerzijde (bakboord) kijk je goed uit of de schipper
uitwijkt, maar je NEEMT nooit voorrang. Vaar je echter keurig aan stuurboordzijde op een
vaarwater dan gelden bovenstaande regels niet. Elk ander schip dient uit te wijken
(behalve veerpont voor kleine motorboot). De uitwijk- /voorrangregels voor zeilschepen onderling
zijn o.a. afhankelijk van de zeilstanden en te vinden op een aparte
pagina. Hoewel de eerste drie niet zo in het BPR zijn opgenomen, maar wel door roeiverenigingen in acht worden genomen, geldt voor roeiboten: a) Een gestuurde roeiboot wijkt voor een ongestuurde roeiboot. b) Een skiff krijgt voorrang van een ongestuurde twee. c) Een gestuurde vier wijkt voor een acht. d) Een roeiboot wijkt voor een (zeilend) zeilschip. Kijk ook bij vaarregels. |
| Uitzeilder | Op buisjesdag, de dag dat de vissersvloot vertrok voor de nieuwe teelt, voer niemand uit zonder "uitzeilder". Het was de enige manier om "zeevast" te worden. De uitzeilder was een lekker prakkie van thuis tussen twee borden in een theedoek geknoopt. Geen rode kool, want dat bracht ongeluk. |
| Urenteller | Omdat voor motoronderhoud aan boord nu eenmaal geen kilometerstanden voorhanden zijn wordt vaak gebruik gemaakt van een urenteller. Als vuistregel wordt wel gesteld dat 1 draaiuur gelijk staat aan 100 autokilometers. Dat is natuurlijk een ruwe benadering, de bootmotor draait over het algemeen met een constant toerental en zal daardoor een ander slijtageproces ondergaan. Olie verversen kan verhoudingsgewijs minder vaak. Zo rond de 200 draaiuren, maar in ieder geval voor elke winterstop. De urenteller mag natuurlijk alleen werken als de motor draait en moet daarom met de plus worden aangesloten op het 30/15 contact van het dieselcontactslot. Als echter in een sluis de motor wordt afgezet, maar het contact aan blijft staan zal de teller doorgaan. Een betere methode is om de urenteller aan te sluiten op het D+ contact van de dynamo welke alleen stroom afgeeft bij draaiende motor. |
| Uurbord | Het uurbord was een houten kompas met acht gaten op elke windstreek. "Na het aflopen van elk halfuur stak de stuurman een pen in een der gaten van de windstreek volgens welke hij gestuurd had, zodat na afloop van elke wacht het uurbord met acht pennetjes was voorzien en hem diende om de gehouden koers op te tekenen". [vL]. |
| Heel graag op- of aanmerkingen. |
Op alle materiaal
(layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke
toestemming.
Mocht je ondanks
alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.