|
| Bak | Sommige publicaties
zeggen, dat het verhoogde voorschip een bak vormde, dat de daarin ondergebrachte matrozen
baksvolk waren en dat daaruit "bak" als schaftgelegenheid is afgeleid. Bij oude
schepen was het voorschip echter geen bak, maar een kasteel.
Aan het eind van de 16e eeuw verdween het kasteel om plaats te maken voor een lager
voorschip, terwijl linieschepen bijna geheel glad werden.
In ieder geval huisden de schepeling tot die tijd in de voorpiek, daarna ook in het
tussendek. Op de gladdekschepen (althans op sommige) werd later weer een verhoogd voordek
aangebracht. In 1671 schreef Nicolaes Witsen: "Bak. Het
verblijf van 't schip, voor op den overloop. Deze zijn open of geslooten: het wulf van de
geslootene, komt tot aen de steven toe, en is gelijk van hoogte, en plat; of daelt voor
met een tree weinigh neder: de opene hebben voor een Schilt, waer men door op 't Galjoen
gaet". Dit voordek heette bak en de ruimte er onder: "onder den bak".
Het is niet duidelijk of "bak" naar het baksvolk of schaftbak is genoemd. In een
artikelbrief van 1605 en later in 1629 sprak men in ieder geval niet van schaftbak, maar
van schotel: "Nyemant en vervoordere hem op te staen van den schotel, daer hij
aengerecht is, om aen een ander schotel te gaen eten". Eerst in 1636 wordt van
baksvolk in relatie tot (etens)bak gesproken. Het scheepsvolk at in groepen van 10 tot 16
man uit een bak, een houten balie met blank geschuurde ijzeren banden, waarbij ze in
kleermakerszit op het dek zaten. Tot ver in de 19e eeuw was dit nog zo. Sommigen
gebruikten hun loopzakje als zitkussen, anderen een voetenbankje o.i.d. Op het schaftzeil
werd "gedekt" met schaftblikjes. Men at met tinnen lepels, of met z'n mes.
Lepels zoals nu, kwamen omstreeks 1895; vorken veel later, want voor de scheepskost was
geen vork nodig. De enige smaakmaker was een portie blokzout, dat gerold of fijngeslagen
in een houten zoutvaatje met koperen banden, op het schaftzeil stond. De bak kreeg de naam
van de functie van de onderofficier, die zich aan het hoofd bevond, b.v. bootmansgastenbak
of schiemansgastenbak. Maar ook wel de naam van de bakslieden zelf: roeiersbak,
busschietersbak, soldatenbak e.d. Verwant: aan de bak komen. |
| Bakboord *** |
Linkerzijde
van het schip, kijkend in de richting van het voorschip; navigatielicht: rood. De begrippen bakboord en
stuurboord worden alleen voor de linker en rechterzijde van een boot gebruikt en niet voor
het links of rechts van vaarwater. Men denkt dat de benaming stamt uit de tijd dat gestuurd werd met een roerspaan (roeispaan) welke aan de rechterkant van het schip zat. Dat was dus STUURboord. Je stond dan met de rug, oud middennederlands: bac (Grote Van Dale), naar de linkerzijde; BAKboord. Volgens een andere verklaring zou de oorsprong liggen in de tijd dat stuurlieden, onderofficieren en roergangers ter rechterzijde in zeildoekse hutten, en de matrozen ter linkerzijde in bakken verbleven. Als je moeite hebt om de kleuren te onthouden probeer dan een ezelsbruggetje te maken. Ikzelf ben linkshandig en heb (had) rood haar. Links dus rood.., hoe verzin je het.., maar het werkt wel!! Zuiderbuur Michel gebruikt BoLeRo: Bakboord, Links, Rood. Erg gemakkelijk vindt hij zelf. Zie ook: zijroer. |
| Bakdekker |
Scherp gesneden motorjacht waarvan de kajuit zich onder een lang voordek [bakdek] bevindt dat voor extra leefruimte over de gehele breedte van het schip is verhoogd. Het gangboord heeft een sterke korte gilling en loopt slechts tot het bakdek. Een variant is de bakdekkruiser met kofferdek. Het stuurhuis is langer, de kajuit korter. Het gangboord langs het stuurhuis heeft door de grotere lengte een geleidelijker zeeg en gilling en het korte voordek [kofferdek] boven de kajuit is vaak verbreed over een waaiersteven. Neem eens een kijkje op de site van Jeroen den Haan. Hij restaureerde een bakdekkruiser uit 1936. Bezoek ook de site van Joost en Perry. Op beide sites is de transformatie van verroest casco tot klassieke bakdekker te bewonderen. |
| Bakkeljauw | Bakkeljauw kan best een verhaspeling zijn van kabeljauw, maar is dat waarschijnlijk niet. Het woord lijkt eerder afgeleid van het Portugese Bacalhao of het Spaanse Bacallao. Het is in ieder geval de oude naam voor schoongemaakte, sterk gezouten en gedroogde vis (dus ook kabeljauw), die in de West-Indische koloniën voor veel mensen het hoofdvoedsel uitmaakte. De uit Amerika ingevoerde bakkeljauw werd in Suriname afhankelijk van de herkomst fisi-bakjau, barba-bakjau of dry hake genoemd en werd naast kopra en gierst ook als voedsel voor de slaven op de armazoens van de WIC gebruikt. Verwant: labberdaan. |
| Bakskist | In de pleziervaart wordt elke (rommel)kist aan dek nogal eens zo aangeduid. Oorspronkelijk werd in een bakskist de kommaliewant en rantsoenen voor een "bak" (de groep manschappen van één wacht) bewaard. Veel kisten en kasten hadden een eigen benaming. Zo is er de vergeten naam dreumel voor een smeerkast of paaiskast (marine) als bewaarplaats van oliën, vetten en reinigingsmiddelen en de paaiskist voor "snel bij de hand" gereedschap. Maar er waren/zijn ook kisten die geen kist zijn: paalkist, bootsmanskist. |
| Bakspier | Bakspieren waren rondhouten, die aan weerzijden van het schip in dwarsscheepse richting werden uitgezwaaid om lijzeilen bij te zetten, of als het schip voor anker lag, daarop de sloepen te bezorgen. De spier draaide met een lummel in een lummelpot, die aan de scheepshuid was bevestigd. Het uiteinde werd verticaal ondersteund door een toppenend (takel), gewoonlijk een hondefok, die aan de opbouw zijn steunpunt vond. Het horizontaal uitvieren en binnenhalen geschiedde bij de lijzeilen met een waterschoot en bij het bezorgen van sloepen met een voor- en achtergei (talie). Het handboek voor zeemanschap (marine) schreef: "Het getuigt van een goede scheepsdiscipline, wanneer men de bakspieren gelijktijdig uitvoert, de staatsietrappen neerlaat en de benodigde sloepen strijkt op het moment dat het anker valt". Verwant: zwierboom. |
| Bakstagwind | Een stevige wind die ruim, meer dan vier streken achterlijker dan dwars, in de zeilen valt. Een kompasstreek is 11¼º, dus meer dan vier streken is meer dan 45º achterlijker dan dwars. De bakstagwind is zo genoemd omdat de bakstag dan stijf staat en niet labbert. |
| Balansroer |
Roer waarvan een
klein gedeelte van het totale roeroppervlak aan de voorzijde van het draaipunt zit. De
stuwdruk van het schroefwater wordt daardoor beter benut en het stuurgedrag van het schip
zal verbeteren. Een balansroer zal vaak uitgevoerd zijn in een druppelvorm, d.w.z. dat het
roer vanaf het balansdeel dikker uitloopt tot het draaipunt en daarna over de rest van het
roerblad dun toeloopt. Bij de aanpassingen die schipper Evert
P. van het Schip aan zijn Doerak maakte om het stuurgedrag te verbeteren wordt hier o.a.
aan gerefereerd. Ook niet-Doerakvaarders kunnen profijt van zijn verbetering hebben. Een
roer dat aan de onderzijde niet in een hak rust heet spaderoer;
ook wel zwevend of hangend roer. Verwant: propulsieroer, hydraulische besturing, roeruitslag, vuistregel roerwerking en uit koers. |
| Balant |
| Balg | Een balg is een (ondiepe) geul in de buitengronden. In de wadgronden heet het een slenk. |
| Ballast | Schepen hebben ter verhoging van de stabiliteit vaak ballast nodig. Bij zeilboten wordt de kiel verzwaard en bij motorboten dient de ballast over het algemeen om een betere gewichtverdeling (trim) te krijgen tussen voor- en achterschip, of tussen bakboord- en stuurboordzijde. Vroeger werden gietijzeren "ballastschuitjes" of "seugen" van 12 of 25 kg gebruikt, tegenwoordig lood. Het heeft een hoog soortelijk gewicht en de "broodjes" zijn gemakkelijk te stouwen, roesten niet en nemen relatief weinig ruimte in beslag. Oude schepen hadden in het ruim een palet. Het was een speciale ruimte voor ballast. |
| Baquet |
| Bark |
| Barkas |
| Barkentijn |
| Barkgaljoot |
| Barometer | Een eenvoudige,
maar goede barometer (het weerglas) is een heel belangrijk instrument aan boord.
Voorwaarde is dat je de luchtdrukwaarde regelmatig afleest en juist interpreteert. E.e.a.
het liefst in samenhang met de weersverwachting en een zekere kennis van het wolkenpatroon. De nauwkeurigheid ten opzichte van de werkelijke
luchtdruk in hectopascal is minder belangrijk; het gaat om het aflezen en bijhouden van
het tempo van daling of verhoging. De voorloper van de barometer is het donder- of
weerglas. Een donderglas heeft de vorm van een buikig gesloten glas. Aan het glas is een
tuit bevestigd, waardoor de latere modellen lijken op een koffiepot. Het glas is voor twee
derde gevuld met water, soms met een kleurstof erin. Wanneer de luchtdruk daalt zal het
waterniveau in de tuit omhoog komen, maar omdat dat ook gebeurt bij hoge temperaturen, was
het niet bepaald zuiver. Een warmte-onweer werd meestal wel feilloos voorspeld door een
overlopende tuit. Vandaar de naam donderglas. Constante luchtdruk of weinig verandering: Standvastig weer, meestal hoge druk, weinig of geen wolken en zwakke wind. Gestaag stijgende luchtdruk: Weersverbetering. Hogedrukgebied nadert, hoe langzamer, hoe groter de kans op een langere weersverbetering. Wolken lossen op. Als dit langzaam gebeurt en de kleur van de lucht niet helderblauw wordt, maar enigszins wazig, wijst dit op een krachtig hogedrukgebied. Hoe minder de wind, hoe dichter bij het centrum. In voor- en najaar kan het gepaard gaan aan mist. Snelle stijging met daarna snelle daling: Snel dichterbij komen van een waarschijnlijk klein hogedrukgebied. Als dit gebeurt na de passage van een koufront en de opklaringen helder (blauw) zijn en een sterke windafname te bespeuren valt, kan je er zeker van zijn dat de weersverbetering van korte duur is. Het is een rug van hoge druk, die voorafgaat aan de nadering van een actief (slecht weer) front. Een zeer snelle stijging kan echter ook wijzen op de nadering van een klein hogedrukgebied met veel wind. De strak blauwe hemel kan je in verwarring brengen, maar windkracht 7 of 8 is geen uitzondering. Men noemt dit een hogedrukstorm. Langzame, maar gestage daling: Een zeer duidelijke aanwijzing dat een depressie in aantocht is. Als de luchtdruk met minder dan een hectopascal per uur daalt, zal de verslechtering waarschijnlijk meevallen en de depressie op afstand passeren. Meestal gaat dit ook gepaard met een langzame toename van bewolking en wind. Snelle daling van de luchtdruk: Zwaar weer op komst. Hoe sneller de daling, hoe slechter het weer. Daalt de luchdruk in een steeds sneller tempo, dan wijst dit op een pittige storm. Daalt de luchtdruk eerst snel, maar daarna langzamer, dan kan de zaak meevallen en de depressie op enige afstand passeren. Minstens stormachtige wind is overigens wel te verwachten. Wet van Buijs Ballot (oprichter KNMI): Waar bevindt zich het hoge- of lagedrukgebied? Als je met de rug naar de wind gaat staan is het hogedrukgebied rechts en iets achterlijker dan dwars (op "4 uur") en het lagedrukgebied links en iets voorlijker dan dwars (op "10 uur"). Op het zuidelijk halfrond precies andersom. Verwant: weer, windsnelheid en wolken. |
| Basisbewegingen |
|
| Batterij | Zie accu. Ook de geschutsopstelling van een aantal stukken van hetzelfde kaliber. |
| Beaufort | Een twaalfdelige schaal die een verband probeert te leggen tussen
windkracht en zeegang, in 1838 opgesteld door de Engelse admiraal Sir Francis Beaufort,
zie windsnelheid. |
| Bedelbalk | De houten verstevigingsbalk die dwars over het schip, meestal het voordek, loopt. Vaak voorzien van kunstig houtsnijwerk of geschilderd prinswerk. |
| Bedieningstijden | Bedieningstijden van bruggen en sluizen zijn op de site van Rijkswaterstaat te vinden. Je kan daar een pdf-bestand downloaden of een applicatie starten waarmee gezocht kan worden op brug, sluis of vaarweg. Tevens zijn marifoonkanalen en telefoonnummers vermeld. De informatie wordt maandelijks ververst. |
| Bedrading | De elektrische bedrading aan boord mag niet van het soort zijn dat thuis gebruikt wordt met vaste kern. Door trillingen kan breuk ontstaan in kern of isolatie. Gebruik alleen montagedraad met soepele kern en voer de draden door buizen of goten. Verder dien je er bij de dikte rekening mee te houden dat per mm² doorsnede niet meer dan 4 tot 6 ampère verwerkt kan worden. Anders wordt de draad warm en veroorzaakt spanningsverlies en brandgevaar. Voor het maken van meerdere aansluitingen in het dashboard kunnen het beste rijgklemmen i.p.v. kroonsteentjes gebruikt worden. Voor het boordnet op zeegaande schepen wordt wel vertind koperdraad toegepast, het zgn "marine grade" of "tinned stranded" draad. Toch ontstaan de meeste problemen niet door oxidatie, maar door schavielen. Verwant: accu, ampèremeter, contactslot, diodebrug, shunt, combinatie 24V/12V en boordnet. |
| Begijn | Bij een vierkantgetuigd schip het onderste zeil aan de kruismast, oorspronkelijk kruiszeil genoemd. Het verwarrende is echter dat de naam kruiszeil ook werd gebruikt voor het bramzeil (bovenste zeil) aan een bezaansmast. In later jaren, bij mengvormen als bark en brigantijn waar zowel een kruismast als bezaansmast voorkwam, werd het kruiszeil aan de kruismast begijn genoemd en het bramzeil aan de bezaansmast gewoon bezaansbramzeil. Winschooten verklaarde "begijn" komend van begijnree als volgt: "dit is een loose Ree sonder Seil aan de Besaansmast, aan welkers nooken het Kruisseil werd uitgespannen: deese naam van Begijn, of Bagijn, of liever Beguin, Begijntje is eige aan sommige Geestelijke Dogters (gelijk bekend is) en waar van de plaats, daar sij woonen, een Begijnhof genaamd werd: nu is het meede bekend, dat deese Begijnen, of Begijntjes, niet gehouden sijn, als de Nonnetjes, haar leeven in eensaamheid, en buiten den Egtenstaat door te brengen: maar haar werd toegestaan te moogen trouwen: wanneer sij nu deese geleegendheid koomen te vermaaden: en haar bij haar reinigheid koomen te bewaaren, wat is dat anders, als dat een Ree, die eigendlijk tot gebruik van een Seil is, alleen tot pronk, en niet tot noodsaakelijkheid begruikt werd? met regt dan werd deese Ree de naam gegeeven van een Begijn: jaa de Ossen, en Koejen die hoorenloos sijn, werden meede met deese naam gedoopt". Cornelis van Yk: "De zeelui zeggen, voor een spreekwoord, de Bagynen dansen in 't hemd, als 't water zoo hol gaat, dat de golven schuimend overstort". |
| Beleggen |
|
| Ben | Een "ben" was een tenen mand voor het vervoer van vis (ong. 50 kg). |
| Berghout | Beschermings- of stootrand rondom het schip meestal ter hoogte van het dek, of daar net onder. Soms lager op de romp nog een tweede berghout. In de N.O. polder zijn de resten van een karveel gebouwd schip opgegraven met zelfs vier berghouten. Winschootens Seeman [1681] had een uitgesproken mening over de benaming: "die gemeenelijk quaalijk (naa mijn oordel) Barghouten, of, nog slimmer Barrighouten of Barrikhouten genaamd werden, andere meenen dat sij Berkhouten behoorden genaamd te werden, om dat gelijk de Berk, of Schors, een Boom bewaard, en in het leeven behoud: dat ook alsoo deese Berkhouten een Schip behouden, maar het woord schijnt t' saamen gesteld te moeten werden, van Bergen, dat is, behouden, bewaaren, en Hout, want dit sijn de grootste Houten, die tot vastigheid, en steevigheid, weersijds langs het Schip, van vooren tot agteren, gevoegd werden". Oude beschrijvingen spreken over reehout of sent, maar dan ook als tijdelijk verbindingsmiddel dat tijdens de bouw "naarmate men nu het schip met planken bekleedt of opboeit" verwijderd werd. Ondanks de aanduiding "hout" kan de rand tegenwoordig van elk soort materiaal zijn. Het gedeelte langsscheeps wordt ook wel bergplaat of wellingplaat genoemd. De voorste delen om de boeg heten stoot- of boeghouten. Verticale stootranden heten apostelen. Verwant: gangboord, boeisel, potdeksel en boord. |
| Bergvaart | Een schip dat tegenstroom vaart doet aan bergvaart en wijkt bij een versmalling voor een schip dat met stroom mee vaart (dalvaart). Dus ook een groot schip in bergvaart moet wijken voor een klein schip in dalvaart, behalve in het RPR gebied waar altijd klein voor groot moet wijken. De benaming komt uit de Rijnvaart; stroomopwaarts naar de bergen, stroomafwaarts naar het dal. Verwant: dalvaart en vaarregels. |
| Beting |
Een beting (oorspronkelijk beding) is een zware door het dek stekende bolder die op de kielbalk steunt. Bij sleepboten het vastmaakpunt van de sleeplijn. De sleepbeting bestaat uit één of twee zware verticale buizen of balken [monniken, spenen of speunen], die door het dek steken en onderin het schip via een fundatie aan de kiel zijn verankerd, met aan de bovenzijde een dwarsstuk (mosselwagen) om de lijn of tros te kunnen beleggen, welke over één of meerdere stalen bogen [draadbogen, draadopleggers] op het achterdek loopt. Tegenwoordig wordt de beting ook wel koud op een verzwaard dek gelast. Om veiligheidsredenen moeten Nederlandse sleepboten volgens het Communautair Certificaat voor Binnenschepen zijn voorzien van een sleephaak welke onder spanning vanuit het stuurhuis moet kunnen worden geopend. Een beting kan ook bij de voorsteven voorkomen en dient dan voor het beleggen van een ankertros. Soms wordt de naam uitgesproken als "bettink". Dat is onjuist. Bettink is de Vlaamse benaming voor een hakkebord op oude binnenvaartschepen afgeleid van het hekkebord, het spiegelsnijwerk op 17e en 18e eeuwse zeevaarders. |
| Betonning | Betonning wordt gebruikt om vaarwater te markeren. Er zijn twee soorten: Laterale voor zijdelingse begrenzing en cardinale voor markering van gevaar. Bij cardinale markering is een kompas nodig, of op zijn minst de wetenschap waar het noorden is. |
| Beun | De beun kan een roef of kot van een vissersboot zijn, maar ook de viskaar waarin de vis levend gehouden werd. Zie visbun. |
| Beurtschip |
| Bezaan |
Bij een langsscheeps getuigd zeilschip met meer dan één mast en mengvormen als bark en brigantijn heet de achterste mast "bezaansmast". Het zeil aan die mast heet "bezaan" of "druil". Bij volschepen heet de achterste mast echter kruismast, hoewel de naam jagermast of jiggermast meer gebruikelijk was. Zie ook oude schepen en windjammers. Verder wordt van oudsher en vooral in het zuiden van het land elk gaffelzeil een bezaanzeil genoemd. |
| Bezorgen | Uitdrukking uit de scheepvaart: Iets zeevast sjorren of binnenboord halen. Het bezorgen, ook wel thuishalen, van het anker of het bezorgen van een sloep. Verwant: penteren. |
| Bierstrekker | Een fokkevalstrekker. Het is een langwerpige vierkante doos, waarin 3-4 schijven aan iedere zijde zitten. Er loopt een lijn over de schijven. Deze lijn wordt dus 3-4 keer vertraagd, waardoor de val zeer goed op spanning gezet kan worden. |
| Biezen | Het aanbrengen van biezen of waterlijn geeft nogal eens een slecht resultaat. Gebruik een goede kwaliteit breed niet geribbeld afplakband en druk/wrijf het alleen aan de te schilderen kant stevig aan. Daarna de biesplek licht schuren waarbij het afplakband best geraakt mag worden. Na het aanbrengen van de verf het plakband direct verwijderen! Verwant: schilderen en temperatuur. |
| Bilge | De bilge, uitgesproken als "bielzje", is de ruimte tussen kielbalk en denning. Moderne knikspantjachten hebben meestal geen kielbalk, maar het diepste punt van je schip, vroeger vulling of pompzood(e) genoemd, waar zich lek- of buiswater kan verzamelen heet nu eenmaal zo. Met bilgewater wordt over het algemeen het vervuilde water in de bilge bedoeld. Denk aan een lekkende gland en een motor die ook niet helemaal vrijuit gaat, kortom het recept voor bilgewater, een mengsel van olie, vet en water, een smerige troep. Vroeger (en soms nu nog) werd dit durkwater of slop domweg overboord gepompt. In de bilge kan zich natuurlijk ook gewoon lenswater bevinden, lek-, condens- of buiswater zonder verontreiniging. Dat mag met een lenspomp best overboord worden gewerkt. |
| Bindsel | Zie takeling. |
| Binnenvaart | De handelsvloot die uitsluitend is uitgerust om de binnenwateren te bevaren, door van Lennep in 1856 omschreven als de vaart op de stroomen en wateren van het Rijk. Zo'n 60% van de Europese binnenvaart-handelsvloot vaart onder Nederlandse vlag. De link geeft informatie over oude binnenvaartschepen. Vele typen worden beschreven en getoond. |
| Bipodmast | Een mast bestaande uit twee uitelkaar staande poten die schuin toelopen en bovenaan verbonden zijn door een zaling. Deze constructie werd reeds in de oudheid toegepast (Egypte). |
| Bitterend | Uiteinde van een touw (lijn, kabel of tros), of laatste schalm van een ketting, ook wel hondsend. Oorspronkelijk echter het versleten uiteinde, dat tot bruinwerk gepluisd werd of tot schiemansgaren geslagen werd. Aan boord werd het pluizen, het ganzenplukken, wel door soldaten gedaan die toch niets anders te doen hadden. |
| Blak |
Spiegelglad wateroppervlak bij volslagen windstilte. Blak weer: geen wind; windkracht 0. De wind schuilt. Ook wel als doodstilte: "een stilte als des doods". Het gladde effen water wordt wel aangeduid als slecht water, of op zee als oliezeetje. Zie ook: dik en dun water. |
| Blankenbergse schuit |
| Blauw bord | Wanneer beroepsvaart
tegenstroom in een bocht naar bakboord wil uitwijken om zo
min mogelijk hinder van de stroom te hebben, wordt aan stuurboord
een blauw bord getoond (vroeger blauwe vlag) in combinatie met een rondom schijnend wit
knipperlicht. Art 6.04 e.v. BPR/RPR. Schepen die stroomafwaarts komen geven als antwoord ook het blauwe bord ten teken dat zij door eveneens naar bakboord uit te wijken vrije vaart geven. Deze manier van varen wordt ook wel "blauw varen" genoemd. Men passeert elkaar met de rechterzijde, "stuurboord op stuurboord". Pleziervaart hoeft niet te antwoorden, doch gaat bij voorkeur ook naar de overzijde. Men mag stuurboordwal aanhouden, maar dan buiten de betonning. Wijkt men wel uit naar bakboord, laat dan ruim van te voren duidelijk de bedoeling zien door zo recht mogelijk over te steken. De pleziervaarder die tegenstroom varend dezelfde truc toepast, "de verkeerde wal" dus, mag geen blauw bord voeren en tegemoetkomende schepen niet verplichten hun eigen wal te verlaten. Denk eraan dat je in het RPR-gebied als pleziervaarder WEL stuurboordwal MOET houden. Verwant: vlagtekens , riviervaren , vaarregels en betonning.
|
| Blazer | Een vissersschip uit de 19e eeuw en een nog hedendaags bergingsvaartuig. |
| Bleesbaken | Het baken op het uiteinde van een krib ook bij hoge waterstand nog zichtbaar. Zie ook betonning. |
| Bliksem
|
Blikseminslag op een stalen kajuitboot is het laatste waar je je zorgen over hoeft te maken. Het is bijna de veiligste plek die je kunt bedenken. Evenals een auto trouwens. Hooguit zal je schrikken van de oorverdovende klap, maar verder gebeurt er niets... (nou ja, de elektronica is waarschijnlijk naar de bliksem). De stalen kajuit maakt dat je in een Kooi van Faraday zit, die de bliksem - bliksemsnel - buitenom naar aarde (het water) leidt. Zwemmen, surfen en varen met een open boot (al of niet met tent) tijdens onweer is wel levengevaarlijk. Het is hetzelfde als lopen in het open veld, dat zou je tijdens onweer ook niet doen. Bij houten en polyester schepen wordt wel aangeraden vanuit het hoogste punt, de mast, een dikke koperen leiding (donderpen) in het water te laten hangen. Ik heb zo mijn twijfels over de werking. Het is maar zeer de vraag of de grillige bliksem bij inslag op het schip nou net dat hoogste punt zal pakken en of zo'n draad de geweldige hitte (20.000 °C) en de grote stroomsterkte (tot 100.000 Ampère) kan verwerken. Interessante blikseminformatie op de site van de Vereniging voor Weerkunde en Klimatologie en in een te downloaden pdf-file op de site van de Faculteit der Natuurwetenschappen van de UVA. |
| Blok |
Scheepsbenaming voor een katrol met één of meerdere schijven, vroeger ook wel "knegt" genoemd. Misschien soo genaamd, om dat haar lighaam in een Hoofd, en schouders onderscheiden is, en ook, gelyk het dienstbaar volk, Scheeps werk doen. Het blok kent vele benamingen naar vorm en toepassing. De zijkanten heten wangen. De verbindingsstukken die het schijfgat vormen heten middenstuk of dam. De ruimte tussen schijf en dam heet keel (waar het touw doorheen gaat) en de holte van de schijf (touwdiameter) heet spoor. Er zijn ook blokken waarbij in één van de wangen een afsluitbare opening is aangebracht, die het mogelijk maakt de bocht van een touw om de schijf te leggen zonder het hele touw te hoeven doorscheren. Zulke blokken heten kinnebaksblokken of voetblokken. Een dubbelschijfs blok met schijven van verschillende diameter boven elkaar heet naar het uiterlijk vioolblok en een vastgemonteerd blok met slechts één wang heet schildpadblok. Verder hebben sommige blokken tegenover de ophanghaak een oog om het uiteinde, het hondsend (hondenend), van een talie vast te maken. Onze varende voorouders hebben daar de naam hondsvot aan gegeven. Buiten de betekenis "schurk of ellendeling" is dat volgens Van Dale ook het schaamdeel van een teef... Hiernaast een afbeelding van een modern enkelschijfs blok met hondsvot. Zie ook talie, klaploper, part, hondefok en klens. |
| BM |
Bergumermeer-klasse, afgekort BM, veelal "'kleine BM" genoemd. Wie kent het zeilbootje niet? De schipper is daar eens in begonnen. Nationale eenheidsklasse van houten midzwaardjachtjes, L. 4,75 m, BR. 1,50 m, diepgang met neergelaten zwaard 0,80 m; torentuig, grootzeil 8,8 m², fok 3 m². In 1925/26 ontworpen door Hendrik Bulthuis te Bergum, speciaal voor amateurbouw. De bouwmallen waren tevens de houten spanten van de boot. Hierover werd een huid aangebracht van houten latten die op afstanden van ca. 15 cm met spijkertjes aan elkaar werden genageld. Deze betrekkelijk eenvoudige bouwwijze stelde vele amateurs in staat goedkoop hun eigen boot te bouwen. Naast de "kleine BM", ontstond een soortgelijk 16 m² kieljacht, de "zestienkwadraat". Deze "grote BM" was tegen het einde van de jaren dertig de meest verbreide nationale klasse en weet zich zelfs in de huidige tijd nog te handhaven. Beide jachten hadden een bol gebogen boegvorm welke eind 19e eeuw door N.G.Herreshoff onder invloed van de toen geldende wedstrijdvoorschriften gelanceerd werd. De gematigde lepelboeg had echter het nadeel dat hij neiging vertoonde om op golven te gaan klapperen, wat gepaard gaat met vaartverlies en wolken buiswater [Me4, blz 251]. |
| Bochtvaarder |
| Boegschroef
|
Een boegschroef,
ook wel kopschroef genoemd, is een handig hulpmiddel voor grote schepen. Tegenwoordig ook
wel toegepast op motorboten van 10 meter of kleiner. Het is de stuwkracht die bepalend is
voor de effectiviteit van een boegschroef en niet alleen het vermogen van de motor. De stuwkracht wordt
bepaald door een combinatie van het motorvermogen, de weerstanden in de tunnel, de
overbrengingsverhouding en vooral de juiste vorm van de schroef. Hoe verder naar voren
geplaatst onder het schip hoe effectiever de stuwkracht. De bediening geschiedt d.m.v. een
hefboom, meestal een joystick, waarvan de richting overeenkomt met de richting waarin de
boeg gaat, hetgeen voor de beroepsvaart is vastgelegd in art 7.04 van het ROSR (Reglement
Onderzoek Schepen op de Rijn). Spottend wordt wel gezegd dat een sportschipper met
boegschroef geen goede schipper is. Een tikkeltje waarheid zit daar wel in. Als je leert
varen en direct de beschikking hebt over een boegschroef bestaat het gevaar dat je het
schip gaat besturen als een auto en nooit de noodzakelijke ervaring opdoet van roerwerking
en wieleffect van je schroef. Bij huurschepen waar de
verhuurder kennelijk weinig instructie gaf hoor je vaak de irritante herrie van de
boegschroef terwijl de schipper gewoon vooruit vaart. Een boegschroef is natuurlijk wel
fantastisch bij af- en ontmeren met harde zijwind en ook het bestuurbaar blijven bij
achteruit varen is een zegen. Voor de benodigde stuwkracht is een grove vuistregelreeks
beschikbaar. Schip 10 meter: 4pk (40kgf), 12 meter: 6pk (60kgf), 14 meter: 8pk (80kgf)
enz. "Van der Velden Marine Systems" won in 2005 de DAME design award
en in 2006 de Martime Innovation Award voor een stille boegschroef. Het is de EPS
(foto rechts) zonder schroefas en zonder overbrengingen. De schroefbladen zijn direct
verbonden aan een binnenring welke tevens de liniaire aandrijving herbergt. Helaas niet
voor gewone pleziervaarders. Het kleinste systeem EPS 550 55 kW (stuwkracht 13kg per kW)
is geschikt voor schepen vanaf ± 26 mtr. |
| Boegseren | Het voortslepen en manoeuvreren van een zeilschip door een of meerdere sloepen. De oudere vormen boegsieren, boegsjaren en boucksarden maken het waarschijnlijk dat dit woord is afgeleid van het Arabische dzjarra = trekken of slepen. De lettergreep boeg zal er dan voor geplaatst zijn omdat de sleeplijnen aan de boeg bevestigd werden. Zie roeiers. |
| Boegspriet | Een rondhout dat voor de voorsteven uitsteekt, ter bevestiging van de stagen van de voormast en voor het voeren van voorzeilen. Bij tjalkachtigen heet een korte vaste boegspriet botteloef en een langere of verlenging die omhoog of binnen gehaald kan worden kluiverboom of kluifhout. Een verdere verlenging jaaghout. De ezelhoofdverbinding tussen verlenging en boegspriet heet schild. Het binnenboordse eind heet hiel. De vierkante betimmering als steunpunt heet oven. |
| Boeier | Boeier en boeieraak. |
| Boeisel | Boeisel, boord of
bergplaat, bij houten schepen waterloopklos.
Het zijn de rechtopstaande huidplaten - de verschansing
- naast het gangboord als verhoging van de romp. Bij veel
binnenschepen alleen bij de voorsteven. De oude naam vertuining of buitenvertuining
spreekt over een omgording, een brede strook van planken, boven het reehout.
De vertuining was het bovenste deel van de buitenhuid van het schip; er waren openingen in
aangebracht als poorten voor de dekbatterij. Cornelis van Yk
heeft het over "fortuinig": "Misschien zo genaamd, omdat dit
planckwerck bij de Oude met dit naakte wijv beschilderd is geweest". Met "boeisel" kan ook het dolboord van een roeiboot ter behuizing van scheegaten en dollen aangeduid worden. |
| Boekanier | Zeilschepen uit de
17e en 18e eeuw moesten ter voorkoming van scheurbuik op langere reizen de wal aandoen om
vers drinkwater, vlees en groente op te doen. Langs de Amerikaanse kust waren dat de
eilanden in de Caraibische zee, welke naast Spaanse kolonisten en hun Indiaanse
slaven steeds meer werden bevolkt door gedroste matrozen en andere varensgasten. Zij
leefden hoofdzakelijk van jacht op wilde zwijnen en verwilderde koeien en stieren,
droogden en rookten het vlees en verkochten dat aan de schepen die kwamen foerageren. Deze
ruige kerels werden door de Spanjaarden geringschattend "boucaneros" =
vleesdrogers genoemd en werden, omdat ze gevluchte slaven bescherming boden door ze als
knecht in dienst te nemen, meedogenloos opgejaagd en - indien gegrepen - heftig gefolterd.
Ze kregen vaak dezelfde behandeling als een ontvluchte slaaf. Deze werd tot bloedens toe
afgeranseld, waarna de rug werd ingesmeerd met een "zalf" van citroensap,
spaanse peper en zout om aldus vastgebonden achtergelaten te worden. De boucaneros sloegen
aanvankelijk op de vlucht, maar vormden noodgedwongen verzetsgroepen, vielen afgelegen
plantages aan, stalen kleine schepen en gingen op roof uit. Zo ontstond de naam boekanier.
De boekaniers bleven aan boord ook echte vleeseters. Het gezouten/gerookte vlees werd
tweemaal daags in brokken gekookt en verorberd. Dat smaakte stukken beter dan de standaard
scheepvoeding uit die tijd. Bronnen: "De Boekaniers" van Dick Dreux en "Freibeuter" van Janusz Piekalkiewicz. Verwant: salmagundi, Jolly Roger. |
| Boerennacht | Volgens
schrijver/journalist J.W.F.Werumeus Buning [1891-1958] was dit eertijds een gangbaar woord
bij de koopvaardij: "Er werd blijkbaar uitgegaan van de veronderstelling dat boeren
het 's nachts lang rustig hebben; want de boerennacht was een nacht dat het schip
werkloos aan de wal lag, zodat men eens rustig kon gaan passagieren en slapen en zo.
Aangezien dit haast alleen van zaterdag op zondag het geval was en een koopvaardijschip
die dagen door hogere beschikking uitgerekend meestal vaarde, was de boerennacht een
vrij zeldzaam exemplaar van een nacht". Bij de marine sprak men wel over de grote
beurt voor iets soortgelijks, d.w.z. dat men zaterdag en zondag geen wacht had
(gewoonlijk eens in de drie weken). Verder schrijft hij: "Bij de visserij, tenminste op de Scheveninger loggers, heette dit een kokkernacht. Aangezien een logger bestond om te vissen, en haast nooit aan vreemde wal lag, maar door omstandigheden van wind en weer wel eens een zeldzame nacht rust had, en aangezien een kokker van een neus een grote neus is, betekende dit alles dus waarschijnlijk een grote nacht, een nacht waarin de visserman eindelijk eens evenveel slapen kon als de brave burger aan de wal". Bron: Woestijnen van water. Verwant: vleet. |
| Boerenschouw |
| Bol |
| Bolschip | Of boltjalk. |
| Bolder | Op een grondplaat een enkele, maar beter twee uit elkaar staande staanders met dwarspen waarop een lijn kan worden belegd. Het formaat is afhankelijk van de grootte van je schip. Bolder komt waarschijnlijk van het oude polder, de benaming voor een paal van boven iets dikker dan in 't midden om er een touw aan vast te leggen. Verwant: beting. |
| Boldersteek | Een manier om je lijn zodanig op een bolder vast te zetten dat hij bij welke trekkracht dan ook altijd weer losgemaakt kan worden. Zeer geschikt voor anker- en sleeplijn. Zie beleggen voor uitleg en afbeelding. |
| Bollestal | Friese benaming voor de stuurkuip van een zeilvaartuig. De Zeeuwen noemen dat bij een Hoogaars of Hengst gewoon achtergat. |
| Bom |
| Bomen | Het schip voortbewegen d.m.v. een vaarboom of kloet. Lees hier hoe dat te werk gaat. |
| Bonnet |
Een extra zeil (mooiweerslap) om bij lichte wind boven het grootzeil bij te zetten. Werd m.n. gebruikt bij een spriettuig. Als er gereefd moest worden werd de bonnet afgenomen. Bij vierkantgetuigde schepen werden om dezelfde reden zeilen aan de zijkant bijgezet. De zeilvoering met deze lijzeilen noemde men dan "de melkmeid", naar het wijd openstaande mutsje (bonnet) van de melkmeiden. Onder het lijzeil werd soms zelfs een tweede zeil bijgezet, respectievelijk fats (fots) of waterzeil. Met "bonnet" wordt echter ook het verlengstuk van een loodsladder (stormleer) aangeduid, dat bij een ongeladen schip dat hoog op het water ligt noodzakelijk is om de loods aan boord te krijgen. |
| Bons |
| Boordnet | Hiermee wordt de
gehele elektrische systeem van accu's, bedrading, apparatuur, verlichting, dynamo en
startmotor aan boord van een schip aangeduid. De stroomvoorziening is 12 volt
gelijkstroom, maar op nieuw gebouwde schepen steeds vaker 24 volt met de mogelijkheid om
via een omvormer, aggregaat
of walstroomaansluiting een afzonderlijk 230 volt wisselstroomnet te voeden. Vroeger werd
de bedrading op een stalen schip enkelvoudig uitgevoerd, d.w.z. dat alleen een plusdraad
(rood) naar de stroomverbruiker liep en het schip als min/massa werd gebruikt. Deze
retourstromen veroorzaken echter elektrolytische corrosie.
Het boordnet wordt tegenwoordig dan ook net als thuis dubbeldradig uitgevoerd met als
kleurcodering: rood = plus, blauw = min en zwart = schakeldraad (de "verlenging"
van rood tussen schakelaar en verbruiker). Wanneer bij renovatie besloten wordt over te gaan op een dubbeldraads systeem moet wel elk apparaat, dus ook dynamo en startmotor geïsoleerd van het schip worden uitgevoerd. Bij "oud" spul, waar de behuizing van dynamo en startmotor nog als massa fungeert, zal het motorblok dan met een dikke massakabel rechtstreeks op de min-pool van de accu aangesloten moeten worden. Niet vergeten de massaverbinding (-) van accu naar scheepshuid te verwijderen. Download the 12 volt doctor's practical handbook. Zie ook elektriciteit.
|
| Boot of schip | Ook de schipper
bezondigt zich aan het door- en naast elkaar gebruiken van de woorden boot en schip.
Hartstikke fout :-). Het zijn natuurlijk allebei vaartuigen, maar in goed scheepsjargon,
althans in de zeevaart, is een boot eigenlijk een bijboot, d.w.z. een klein
vaartuig dat bij een ander vaartuig aan boord genomen kan worden, of het sleept of duwt.
Dat andere grotere (hoofd)vaartuig is een schip. Nicolaes Witsen duidde al in 1671 een
bepaald type bijboot van "groote schepen in zee" als boot en Van Lennep
omschreef een schip als "de algemene benaming van alle grote vaartuigen die in
zee gaan", maar het Militair woordenboek uit 1861 ziet dit weer anders: "In
de scheepstaal geeft men in den beperktsten zin van het woord alleen aan de linieschepen
den naam van schip".. In de binnenvaart wordt "schip" anders uitgelegd en zegt men wel dat een schip niet zelfstandig kan voortbewegen en een boot wel. Een sleepboot sleept een sleepschip. De binnenschipper zal een zeeschip dan ook zeeboot noemen. Het Binnenvaartpolitiereglement kent echter wel weer het groot en klein uit de zeevaart, want een "snel schip" is een groot motorschip en een "snelle motorboot" is een klein schip. Maar goed.., als zelfs de Grote Van Dale voor boot het synoniem schip en omgekeerd geeft, wat moet je dan? In samenstelling zijn schepen in ieder geval altijd boten, zoals in kanonneerboot, loodsboot, raderboot, stoomboot, veerboot enz. In de 17e eeuw bestond er zelfs een bootschip. |
| Boot hellingen |
Zie Trailerhellingen in Nederland per vaarweg of plaatsnaam. |
| Bootsmansfluit | Zie chiflet. |
| Bootsmanskist | Marinebenaming voor de zee. "Zet maar vrij in de bootsmanskist" betekent: "gooi maar overboord". Nieuwe schepelingen liet men wel naar de sleutel van de bootsmanskist zoeken. De zee wordt ook wel Gerrit genoemd: "offer maar aan Gerrit". [TvhW] |
| Borden | In het BPR wordt niet gesproken over borden, maar over tekens. Het rechte dwarsscheepse gedeelte waarin de romp van b.v. een schouw voor en achter eindigt wordt wel bord genoemd; resp. voorbord en achterbord. Een dwarsscheeps tussenschot wordt een bordje genoemd. Een gat daarin voor gewichtsbesparing heet spaargat; een gat voor doorgang kruipgat. |
| Bottelier |
Een bottelier bottelt niet. De bottelier was verantwoordelijk voor de inkoop van victualiën en de rantsoenering daarvan. Hij voorzag de kok van de vereiste hoeveelheid gort, erwten, bonen, kaas e.d. en de versebalie op gezette tijden van zoutvlees, spek of stokvis. Bovendien verstrekte hij de bemanning hun rantsoen water, azijn, dun bier en brandemoris. In later tijden, tot een eind van de 19e eeuw, was de bottelier ook verantwoordelijk voor het rollezen van het wachtsvolk. Volgens De Taal van het Water zou het Engelse "Butler" van deze dienstverlenende functie afgeleid zijn. Bij de Kon. marine is het dienstvakonderscheidingsteken een vaatje c.q. tonnetje. |
| Botteloef | Korte, vaste, meestal ijzeren of stalen, boegspriet. Oorspronkelijk de twee naar buiten wijzende spieren op het galjoen onder de schuin naar boven gerichte boegspriet. Ze dienden om de hals van de fok te kunnen omleggen. De omhoog trekkende kracht werd opgevangen door waterstagen die ter hoogte van de kluisgaten aan de romp waren bevestigd. Die verstaging had als benaming krabber of strontstag. De laatste naam omdat het gewone volk haar behoefte op het galjoen moest doen. Bij wat ruwer weer was dat niet bepaald een rustige plek. De poeper werd regelmatig overspoeld door zeegang en het missen van de waterstag was slechts een kwestie van geluk.... Zie ook: allemansend. |
| Botter |
| Bouten of kolomschroeven |
Waar mogelijk worden bouten - officiele benaming: kolomschroeven - aan de stalen opbouw van het schip het best bevestigd d.m.v. getapte schroefdraad (minimale huiddikte 3mm). Met welke diameter geboord moet worden, ook voor vrije doorvoer met moerbevestiging, is te vinden in een boortabel. We kennen verder draadeinden en stokeinden met of zonder sleutelvlak. Een draadeind is een een lange bout zonder kop, die je op maat kunt zagen. De verbinding wordt tot stand gebracht door aan beide uiteinden een (veer)ring en een moer aan te brengen. Een stokeind is anders. Er wordt over het algemeen een draadeind mee bedoeld dat twee soorten schroefdraad heeft gescheiden door een draadloos middenstuk. Een houtdraaigedeelte met grove draad (daarom om ook wel tafelpootbout genoemd) en een metrisch gedeelte (fijne draad). Een stokeind kan aan de metrische kant of in het draadloos middenstuk zijn voorzien van een sleutelvlak. Verwant: visbout, kogelbout. |
| Bovenstroomse koers | Een bovenstroomse koers is een koers welke het schip in een rechte lijn over de grond voert, waarbij rekening gehouden wordt met het verzet (de afwijking) door stroom. |
| BPR | BinnenvaartPolitieReglement.
Dit geldt voor alle wateren in Nederland die voor de scheepvaart openstaan, met
uitzondering van de Boven-Rijn, de Waal, het Pannerdens Kanaal, de Neder-Rijn, de Lek, de
Westerschelde, de Dollard en de Eems. Zie ook vaarregels,
tekens en het overzichtskaartje.
De laatste versie van het het BPR kan je hier bekijken en raadplegen: BPR 2004. De voorloper van het BPR bestond reeds begin vorige eeuw als Binnenaanvaringsreglement getuige een aardig stukje over de uitwijkregels bij het jagen van schepen langs de Drentse hoofdvaart. |
| Braadspil | Zie kaapstander. |
| Brabander |
| Bramzijgertje | Het zou de benaming zijn voor een zeuntje, een zeer jong leerlingbemanningslid. Toch komt het woord in deze betekenis pas voor het eerst voor in de vertaling van The lost sea van Jan de Hartog. Het was zijn eerste in het Engels geschreven roman. Het boek werd in Nederland uitgegeven onder de titel De herinneringen van een bramzijgertje. Aangenomen wordt dat het woord een verzinsel van de schrijver is om de functie jongen aan te duiden en mogelijk werd de schrijver voor de benaming geïnspireerd door de Katwijkse legende van het brandezeigertje, hoewel de Van Dale bramzijgertje omschrijft als "door vissers gegeven benaming aan fosforische dampen die nu en dan uit zee opstijgen en samensmelten en waarin zij weleer gestalten van de duivel meenden te zien". Bij de koopvaardij was jongen de laagste functie bij de dekdienst en de Kon. Marine kende nog tot 1916 de rang jongen, onder die van lichtmatroos, waar een min. leeftijd van 16 jaar voor gold. De scheepsjongens kwamen in dienst op 13½-jarige leeftijd; tot ver in de 19e eeuw zelfs knapen van 7 tot 12 jaar, maar hun "toer" van 11 jaar begon pas te tellen als ze 16 jaar werden. Tot die tijd dienden zij dus zonder ingaand dienstverband. Men noemde dat "voor den prins dienen". Zie ook page. |
| Brandblusser | Bronnen van brandgevaar
worden ingedeeld in de categorie A(vaste stoffen), B (vloeistoffen) en C (gassen).
Aan boord valt bij categorie A te denken aan een slechte elektrische bedrading. Bij B en C
vooral aan motorruimte en kombuis. Poederblusser: Meest voor de hand liggend is dan ook één of meerdere poederblussers aan te schaffen voor brandklasse ABC. Deze brandblussers zijn relatief goedkoop en blussen een beginnende brand uitstekend. De werking berust voornamelijk op het tegengaan van de chemische kettingreactie van een brand, d.w.z. het poeder dooft het vuur door een anti-katalytische werking en is daardoor in theorie ook geschikt voor gasbranden. Toch geldt "bezint eer ge begint" want door de chemische reactie zal in tweede instantie een vieze kleverige koek ontstaan die een behoorlijk corroderende werking heeft en een geweldige rotzooi met hoge schoonmaak- en vervangingskosten geeft. En terecht merkt bezoeker Siersma op dat de beste blusmethode voor een gasbrand nog altijd het dichtdraaien van de gaskraan is. Kranen dus goed bereikbaar aanbrengen... Sproeischuimblusser: Het valt dus te overwegen een duurdere schuimblusser met minder nevenschade aan te schaffen. De werking berust op het principe van het afsluiten van de brand van zuurstof (naast de ook nog koelende werking van het schuim), door het leggen van een afsluitende schuimlaag over de brandende stof. Dit maakt de blussers ook prima geschikt voor blussen in de buitenlucht, bijvoorbeeld in geval van een brandende laag olie op het water. Het blussen met schuim vergt wel een goede blustechniek. Het schuim dient over de brandhaard in lagen van buiten binnen aangebracht te worden. Als je n.l. midden op de brandhaard spuit en niet de "lagenmethode" hanteert is de kans groot dat het vuur niet helemaal uitgaat en in sommige gevallen zelfs verergert door verspreiding van brandhaard. CO² blusser: Als derde categorie zijn er de CO² blusser met nagenoeg geen nevenschade. Het vloeibare CO² dat onder hoge druk naar buiten wordt geperst bevriest tot koolzuursneeuw als het de spuitmond van de blusser verlaat. Bij gebruik in de buitenlucht zijn deze blussers minder effectief omdat het blusprincipe berust op een verlaging van het zuurstofgehalte welk effect in de buitenlucht door verwaaien verstoord kan worden. CO² blussers zijn echter ook niet aan te raden voor gebruik in kleine ruimtes zoals een kajuit, vanwege het reële verstikkingsgevaar voor de blussende persoon. De blussers zijn wel geschikt voor het blussen van elektrische installaties, maar weer niet voor categorie C (gasbranden). Water en branddeken: "Mensen die bij brand aan boord onmiddellijk de brandblusser grijpen vergeten nog wel eens dat A-branden uitstekend geblust kunnen worden met water . De nevenschade beperkt zich dan tot waterschade. Je zou dus veiligheidshalve kunnen kiezen voor aanschaf van een abc-poederblusser, maar in gevallen waarbij nog tijd is om aan nevenschade te denken, wellicht een puts of (blus)deken kunnen gebruiken", aldus een bijdrage van Edwin Coenen. Welke keuze dan ook, laat de blussers iedere twee jaar keuren en zorg voor meerdere exemplaren van minimaal 2kg, één voor elke afgesloten verblijfplaats, stuurstand en motorruimte. Een test van blussers stond in Waterkampioen 7 van 1997 en een test van oude blussers in Waterkampioen 14 van 2000. FirePro: Inmiddels is uit de ruimtevaart het middel FirePro beschikbaar. Het is bedoeld als automatische blusser in b.v. de motorruimte en geeft geen nevenschade. Voor een bedrag van 60 voor een verpakking van 20 gram wordt een beginnende brand in een ruimte van één kubieke meter in de kiem gesmoord. Voor grotere ruimten is voor 260 een verpakking van 100 gram beschikbaar. Klik hier voor adressen. Meer veelbelovende ontwikkelingen over blussen zonder schade in Waterkampioen 7 van 2001. |
| Brassen | Met behulp van brassen (lijnen) worden de ra's op een vierkant getuigd zeilschip gebrast, d.w.z. in een bepaalde stand gedraaid. Een kenner tekende tijdens Sail 2010 op een flipover aan bakboordzijde een bras naar voren en aan stuurboordzijde een bras naar achteren. Dat klopt natuurlijk niet, want dan zouden de zeilen slechts naar een kant gebrast kunnen worden. Brassen zitten aan weerskanten van het razeil zowel naar voren als naar achteren. Volbrassen is zodanig draaien dat de zeilen de meeste wind vangen. Het horizontaal houden of juist in een schuine stand zetten, gebeurt met een toppenant of kaailijn. De bediening van de braslijnen werd op grote schepen vereenvoudigd door een talie en in later tijden door een jarvislier, waarbij onder- en marsera's gezamenlijk worden bediend. Verwant: overstag met een zeegaand volschip. Volgens de Grote Van Dale betekent brassen ook "Gulzig en overdadig eten en drinken". De scholieren van de TU Twente zien brassen echter als een erekwestie uit het studentenleven. Zie ook tegenbrassen en trijsen. |
| Breefok | Een breefok is een vierkant razeil dat als grootste en onderste zeil op ruime koersen werd/wordt gevoerd op een langsscheeps getuigd schip dat ook een of meerdere razeilen voerde. Denk aan koffen en smakken en nu nog mengvormen van schoeners als barkentijn en brigantijn. Op volschepen was het meer gebruikelijk het grootzeil schoverzeil te noemen en met het meervoud schoverzeilen bedoelde men grootzeil en fok tezamen. Dat waren de enige zeilen die bij een sterk doorstaande wind (schoverzeils weer) nog gevoerd konden worden. |
| Breeuwen
|
Breeuwen, drijven,
kalfaten, spalmeren, tengelen of pappen. De naden tussen de huidplanken van
een houten schip worden gevuld met breeuwtouw, dat werk of harpluis
heette. "Dit werdt van out en versleeten touw veeltijdts berijdt, 't geen
ontwonden, geklopt, en gekookt werdt, waer na het in de zon gedroogt moet zijn, bol en los
omgesponnen tot de dickte van een menschen arm, 't geen van 't herpluizen, zijn naem
behout". Het "werk", je had witwerk (ongeteerd voorwerk uit vlas
gehekeld) en bruinwerk (geteerd "grovwerk" uit oud touw geplozen), werd
ingeklopt met een breeuwhamer, kalfaatijzer, rabatijzer of spijkerijzer en afgewerkt met
een mengsel van harpuis en pek, of Stockholmse teer en pek
(pix nigra, hars met teer). De oude kogge was nog gebreeuwd met een mengsel van gedroogd
veenmos en bruine teer dat afgedekt werd met een moslat.
Vaak moest vooraf de openslager gebruikt worden, een breeuwijzer om te smalle
naden V-vormig open te slaan. Het tegenovergestelde was ook mogelijk. Bij ver openliggende
naden kon het gebeuren dat het werk er doorheen geslagen werd. Aan de binnenzijde moest
dan teruggebreeuwd worden. Men noemde dat spreeuwen schieten, een uitdrukking die
later door de marine werd overgenomen voor het netjes terugwerken van losse eindjes touw
waarmee b.v. een zonnetent was vastgemaakt. Het inspecteren van naden en openingen welke
hersteld/gevuld moesten worden heette het schip verzoeken. Het verwijderen van
oud werk heette uitkauwen en werd gedaan met een plukhaak. Elk
stuk gereedschap had z'n eigen specifieke toepassing afhankelijk van breedte en diepte van
de naad. De breeuwhamer was uit palm- of iepenhout vervaardigd en het geoefend oor van de
werfbaas (iedere hamer had een eigen klank) kon daaraan horen of de verschillende
breeuwers wel ijverig met hun werk bezig waren. Van het goede breeuwen hing de veiligheid
van het schip af. Dat moest dus kalm en vakkundig gebeuren. Dick Dreux schrijft in De
Boekaniers: Bij een oude timmerman kon het voorkomen dat, als je zijn hamer uit
handen wilde nemen hij je toevoegde: "Ik ben geen kind van een breeuwer!"
("bremer" zeiden sommigen). Het geduldige en eentonige hameren van de breeuwers
was ook bij de smeden een kwelling. Een ouderwetse smid kon zijn luie leerling bij het
krachteloos voorslaan toegrommen: "Sta niet te breeuwen, aap!" Verwant: sintelen. |
| Brigantijn |
| Brik |
| Britsen | Een helaas in onbruik geraakte tuchtmaatregel. Het met een eind touw (dagge, of handdag) op rug of achterwerk slaan. In sluizen misschien wel eens goed voor plezierschippertjes die hun bemanning uitkafferen. In de Weerdsluis te Utrecht meegemaakt dat een vrouw met haar koffer van boord stapte nadat ze, voor iedereen hoorbaar, onbeschoft was uitgescholden door haar partner, het haantje dat aan het roer stond. Scheepsheilige Sinterklaas deed het met een roede; of was dat Zwarte Piet? Zie ook straffen aan boord. |
| Broaching | De situatie waarbij een schip (zeilschip of motorboot) uit het roer loopt wanneer het voorschip zich door achterop komende (achterlijke) wind en/of golven ingraaft in de volgende golf. Een "broach" is gevaarlijk, het schip leit in zwijm [nw], geeft vaak schade en een keldering is niet denkbeeldig. |
| Brons | Brons is een legering van koper en tin. Zuiver brons wordt nauwelijks toegepast. Het is weliswaar zeer corrosiebestendig, maar ook erg zacht. Daarom worden ander elementen als aluminium (aluminiumbrons), silicium (siliciumbrons), fosfor (fosforbrons) of meer tin toegevoegd (vanaf 6%), waardoor de hardheid verbetert. Bronssoorten met hogere tingehalten worden gietbaar, zoals geschuts- en machinebrons (10%), klokkenbrons (20%), etc. Brons met 16% nikkel en 34% tin wordt Victorbrons genoemd. Zodra zink wordt toegevoegd (mangaanbrons) mag eigenlijk niet meer over brons gesproken worden, maar over messing. |
| Bruggen |
Beweegbare bruggen waar de doorvaart d.m.v.
lichten wordt geregeld leveren geen probleem op, maar
wat te doen als er geen lichten zijn en er komen van beide kanten schepen? Het BPR
[Artikel: 6.07 en 6.08] voorziet daarin onder versmalling
vaarwater. Als er stroom staat geldt de regel dat het schip met stroom mee voorrang dient te krijgen, immers met stroom tegen is het heel wat gemakkelijker om stil te liggen. Hetzelfde geldt voor wind mee of tegen, hoewel daar bij mijn weten voor motorboten geen vaste vaarregel voor is. Een zeilboot met wind mee (de wind staat dwars of achterlijker dan dwars) heeft de versmalling bezeild, kan daardoor moeilijk stilliggen en gaat dus voor. Voor een gesloten brug waar je onderdoor kunt geldt hetzelfde tenzij er merktekens op staan.
|
| Buis |
| Buiswater | Buis- of stuifwater is het opspattend of overkomend fijn verdeeld water bij varend schip in een bries of harde wind [Me1]. Het woord "buis" komt in deze betekenis niet voor in oude woordenboeken. Bruiswater wel [NvW, Chb1]. Kennelijk is buiswater een verbastering van bruiswater. Toch vond ik tot mijn verrassing in "De Nederlandsche Scheeps-bouw-konst Open Gestelt" van Cornelis van Yk uit 1697 in een stukje over het schand-deksel de volgende zinsnede: "...dient ook voornaamlijk om de over 't Schip heen buissende Zee, en van den Hemel vallende Regenwater, uit te keeren". |
| Bunkeren | De benaming voor het
innemen van brandstof en/of drinkwater. Vaartips
heeft een overzicht samengesteld van bijna alle plekken in Nederland waar je diesel en/of
benzine kan tanken: Brandstof aan of bij de waterkant. |
| Bunkoeling | Manier
van koelen van een gesloten motorkoelcircuit. De bun kan je
zien als een omgekeerde doos met de opening in het vlak van
het schip. De opening is meestal beschermd door een raster van gaatjes in de bodem,
tralies of gaas. In de bun bevindt zich een warmtewisselaar bestaande uit een pakket van
veel dunne buizen die rondom in aanraking komen met het buitenwater. De koelvloeistof van
het gesloten koelcircuit wordt daar doorheen geleid om af te koelen. Verwant: visbun. |
| Bijgeloof | Zie scheepsbijgeloof. |
| Bijliggen
|
Als je met
vaartlopen op ruim water door stormweer wordt overvallen kan bij een open boot te veel
water binnen komen. Een keldering is dan niet denkbeeldig. De juiste oplossing is om te
gaan bijliggen (bijleggen). Laat de motor zo langzaam draaien dat je ten opzichte van de
grond geen vaart meer loopt en leg de kop schuin op de golven. Dit verkleint de kans dat
de schroef boven water komt en ijdel (blind), ook wel backlash genoemd, gaat
draaien. Bij zeilboten: Neem zeil terug, vaar het schip aan-
of in de wind, vier het grootzeil tot het killend
bijstaat, trek met de fokkeschoot aan loef de fok bak en regel de stand van
de boot ten opzichte van de wind en de golven met het roer (helmstok
naar lij). Ook kan men het schip op en neer houden
door tijdens het bijliggen met korte slagen te laveren zonder vooruit te komen. Het
bijliggen met vast roer werd vroeger onder zee liggen genoemd. Bij grotere
schepen werd tijdens bijliggen wel gebruik gemaakt van golfstillende olie. Er werd aan
loefzijde traan of vette plantaardige olie gestort. Bijliggen is iets anders dan bijdraaien. Daarmee wordt het stilliggen van het schip met draaiende of stand-by motor ten opzichte van het wateroppervlak bedoeld, of een zeilschip onder vol tuig stil te leggen (bij te steken) door de kop in de wind te draaien en/of de zeilen tegen te brassen. Zie ook praaien en voorliggen.
|
| Heel graag op- of aanmerkingen. |
Op alle materiaal
(layout, tekst en afbeeldingen) rust het auteursrecht van schipper Cees e.a.
Overname van artikelen of delen daarvan is slechts geoorloofd na schriftelijke
toestemming.
Mocht je ondanks
alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig mogelijk weten.