|
|
Hout is altijd de voornaamste grondstof in de scheepsbouw gebleven tot het in de loop van de 19e eeuw door ijzer en staal verdrongen werd. Het gebruikte hout was in oorsprong steeds datgene wat onder een of andere vorm in de naaste omgeving voorhanden was, maar moest in later eeuwen ook ingevoerd worden. Deze houthandel is in de loop van de geschiedenis van groot belang geweest. De bevoorrading was vaak een netelige kwestie en om bosrijke gebieden is herhaaldelijk oorlog gevoerd. Aan de kust van Anatolië in Turkije waren b.v. wouden met zeer geschikte cypressen voor de scheepsbouw. Men neemt aan dat in de Slag der masten [655] de Byzantijnen dit gebied verdedigden tegen de Arabieren en in later tijden was de sterke positie van de Hanze in grote mate te danken aan het monopolie van houtvervoer uit de Scandinavische landen.
Bosbeheer uit noodzaak
Als je bedenkt dat een eik 100 jaar nodig heeft om volgroeid te zijn en dat voor een beetje linieschip 2000 eiken geveld moesten worden, waarvan de helft als afval moest worden beschouwd, is het niet verwondelijk dat er tekorten ontstonden. Men heeft op allerlei manieren getracht het hout-tekort te beperken door beschermende maatregelen tegen verspilling, door het beter verwerken en door het beter bewaren van het verwerkte hout. In Italië en in de Balkan kon men een paar honderd jaar lang eiken, lork en vuren in overvloed krijgen. Toch realiseerde men zich al vanaf 1470 dat de bossen niet onuitputtelijk waren en werden maatregelen voorgeschreven voor het beheer van de staats- en privé bossen. Zo mocht geen enkele eik gekapt worden zonder toestemming van het Arsenaal van Venetië en verder moest iedere stad of dorp het bezit aan eikehout opgeven en 1/10 van het landbezit moest met eiken beplant worden. Indien een boom geveld werd moest dit in een register genoteerd worden en men was verplicht er een aantal nieuwe te planten. Bepaalde bossen en zelfs afzonderlijke bomen werden met een zegel gemerkt, wat ook in Frankrijk en Engeland geschiedde.
Gebruikte soorten en aanvoerEen houten zeilschip was vaak uit verscheidene houtsoorten opgebouwd: Amerikaanse olm voor de kiel, Afrikaanse eik voor de spanten, Engelse olm voor het vlak, Engelse, Baltische, Afrikaanse en Amerikaanse eik voor de huidplanken, Amerikaanse pine voor de dekken en mahonie of yellow-pine voor de beschietingen. Al dit hout moest per schip aangevoerd worden. Men bouwde hiervoor zelfs speciale houthalers, die langer waren dan gewone vrachtvaarders met een laadpoort in de achtersteven. Duits eikehout dat voor het grootste deel voor de Hollandse scheepsbouw bestemd was, werd echter per vlot langs de Rijn aangevoerd tot in Dordrecht, waar vanaf de 16e eeuw de grootste Nederlandse houtmarkt gevestigd was. Het vlotten van hout was zeer goedkoop en daarin lag een van de redenen waarom de Hollanders zo gunstig konden concurreren met andere landen. Het grootste deel van de Duitse wouden is zo in Hollandse schepen verwerkt. Verwant: Loerdenne.
Ringen, wateren en vlotten
Eer men ertoe overging om een boom te
kappen, trok men één tot twee jaar uit om de groeisappen uit de boom weg te
laten vloeien. Eén van de methoden hiervoor was het "ringen", het
gedeeltelijk verwijderen van de bast rondom de boomstam. Omdat de
sapstroom vlak onder de schors plaatsvindt werd dat nu
geblokkeerd, waardoor de stam afstierf. Het ringen gebeurde
bij voorkeur vroeg in het voorjaar. Een jaar na het ringen kapte men de boom en
werd deze in de zon gedroogd. wat ook weer lange tijd vergde.
Een andere methode was het "wateren". Boomstammen werden in vlotten via de
rivieren vervoerd, zodat het hout vanzelf al voor een deel gewaterd werd. De
stammen werden daarna met bast en al in een balkengat gelegd. Geschriften
uit de 18de eeuw hielden voor het wateren van eikenhout een periode van twee of
meer jaren aan. De natuurlijke groeisappen werden dan uit de stammen gespoeld.
Gewaterd hout trekt minder krom. is beter bestand tegen aantasting door
schimmels, droogt sneller na het zagen en is beter impregneerbaar.
Houtvlotten hadden grote afmetingen. In 1660 kwamen er al vlotten voor van ca.
100 x 14 meter. Begin 18e eeuw was dit opgelopen tot 300 x 45
meter. De bemanning bestond uit zo'n 450 tol 500 personen en de reisduur van
Koblenz naar Dordrecht bedroeg soms wel een maand.
![]() ritsmes gevonden in Dordrecht |
Bij de houthaven van Dordrecht is bij opgravingen een ritsmes gevonden dat werd gebruikt om elke stam te voorzien van een vlotmerk.
Wanneer een stam losraakte van het vlot of wanneer stammen tot kleinere
vlotten werden samengebonden kon men zo zien waar de stam vandaan kwam
en wie de eigenaar was. Andere benamingen waren ritsijzer of balkenrits
|
| Bronnen: Dendrochronologie, Gabri van Tussenbroek, Gildebrief 2017, Jan Blaas |
.

Houtvlotten nabij Dordrecht, prent van K.F.Bensdorp, Atlas
van Stolk 1785
![]() |
| Een zogenaamde "Holländer" bij Unkel am Rhein, 18e eeuw. Deze vlotten dankten hun naam aan de bestemming Nederland. De vlotten werden op de Middenrijn samengesteld van stammen, die van de zijrivieren kwamen. Het met wilgentenen bij elkaar binden heette "slieten". Ze waren soms wel 300 meter lang en er woonden tijdelijk zo`n 500 man op om te roeien en te sturen. Voor de huisvesting werden er houten huisjes op het vlot gebouwd. De meeste hadden bestemming Dordrecht. |


Nog tot in de zestiger jaren van de twintigste
eeuw zakten houtvlotten de Rijn af.
Deze foto is rond 1960 bij Leverkusen genomen.
Vlotvaart over zee en binnenlands transport
Tussen 1920 en 1934 zijn er verschillende vlotvaarten over zee
geweest vanuit Zweden. Het was geen succes, want de meeste vlotten zijn onderweg
uit elkaar geslagen. Wel is bekend dat in juli 1933 een 90 meter lang vlot uit
Noord-Zweden over zee via IJmuiden in Zaandam is aangekomen.
Hout uit Noord- en Noordoost-Europa werd hoofdzakelijk per schip naar ons land
aangevoerd. Voor de 17e t/m 19e eeuw is bekend dat de aanvoercentra van Rijns
hout (Dordrecht) en die van "Noords" hout (Amsterdam en Zaanstreek) permanent
hout uitwisselen. Gesleepte en geboomde vlotten (van stroom is immers in de
Hollandse binnenwateren nauwelijks sprake) komen elkaar tegen op de vaarroute
tussen de vertrekplaatsen. Ook andere plaatsen in Holland worden over het water
per vlot bevoorraad. De Utrechtse Vecht is -zeker in de 19e eeuw- een bekende
transportroute waarlangs Amsterdam van Duits hout voorzien wordt. Na de aanleg
van het Noord-Hollands kanaal neemt het houttransport hier een grote vlucht.
Schepen met "Noords" hout lossen bij
Den Helder. Het hout wordt per vlot, aanvankelijk geboomd en getrokken door
paarden en later door sleepbootjes, naar de houtcentra Zaanstreek en Amsterdam
gesleept. In 1864 passeren bij de Purmerender schutsluis 307 houtvlotten.
Bron: Leendert van Prooije
We kennen vanaf 1920 tot op heden nog steeds logbarges in de Verenigde Staten en Canada. Het waren aanvankelijk afgeschreven schepen waarvan alle extra's waren weg gesloopt (zeg maar een hulk) zodat alleen een dek overbleef dat volgeladen kon worden met boomstammen en afhankelijk waren van sleepboten. Vanaf 1935 kwamen logbarges met eigen voortstuwing in de vaart..De moderne schepen zijn zelflossend. Ze hebben ballasttank die naar believen het schip een slagzij van zo'n 20 tot 35 graden kunnen geven waardoor de gehele deklading in het water schuift.
Corruptie en krommers
Naast nieuwe aanplant was een tweede maatregel om het houttekort tegen te gaan: het beter onderzoeken van de grondstof op stam en het rationeel verwerken van het gekapte hout. In de eerste plaats trachtte men het hout te verbeteren terwijl het nog groeide. Zo werd o.m. aangeraden de bomen van hun schors te ontdoen en dan de stammen nog drie jaar te laten staan tot ze dood waren. Hierdoor zou het hout harder en duurzamer worden. Het tijdstip waarop het hout moest worden geveld werd eveneens belangrijk geacht, hoewel die opvatting niet helemaal vrij van bijgeloof was. Toch houdt het idee dat men vroeger beter hout gebruikte dan nu, geen stand. Er zijn talrijke voorbeelden bekend van schepen die in korte tijd volkomen rot waren. Hieraan was corruptie echter niet vreemd. Cornelis van Yk spreekt in zijn "Nederlandsche Scheepsbouwkonst" uit 1697 al over winsugt en "het natuurlyke en door konst, daar ontrent gepleegde bedrog". Tekenend is het geval van de Royal George die in 1765 van stapel liep. De Engelse scheepsbouw stond toen op een hoog peil en het schip werd als neusje van de zalm beschouwd. In 1782, nauwelijks 17 jaar later, moest het voor herstel gekrengd worden. Tijdens dat werk viel het vlak van de romp en het schip zonk als een baksteen met allen die aan boord waren. Andere schepen waren na vijf jaar zo rot dat ze zelfs niet meer gesloopt, maar gewoon verbrand werden. Anderzijds waren er ook schepen die honderd en meer jaren oud waren en nog in goede staat verkeerden. Een preventieve maatregel om hout te sparen was de bomen te laten groeien in een vooraf gewilde vorm. Hierdoor werd getracht het in zijn voordeligste en sterkste vorm, dus met weinig afval beschikbaar te krijgen. Dit was vooral het geval voor krommers, die het moeilijkst te vinden en het duurst waren. Om bepaalde krommers (kromhout) te doen groeien werden jonge bomen in de gewenste vorm gebogen of gesnoeid. Men noemde dit gewossen hout.
![]() |
|
| Voorbeeld van het kiezen
van houtdelen volgens charterbouw (normen). Elke werf van betekenis had daarvoor een specialist: de kniekeurder.
|
Ambachten in de vroegere scheepsbouw [1694]
![]() |
![]() |
![]() |
De strijd tegen droogrot
In de 17e eeuw is men overgegaan tot het indelen van de oorlogsschepen volgens charter (certer, Eng: rates). Deze indeling had ten doel een standaardisatie te bevorderen en had tot gevolg dat men schepen volgens vooraf bepaalde afmetingen en technieken kon bouwen, zodat men min of meer seriewerk kon leveren en het hout op meer oordeelkundige wijze kon aanwenden. Ook verbeterden de vakkennis en bekwaamheid van de scheepsbouwers. In de 18e eeuw begon men dan ook schepen onder kappen te bouwen om ze tijdens het werk tegen vocht te beschermen. Om het drogen te bevorderen werd wel voorgeschreven dat de bouw niet binnen het jaar mocht zijn beëindigd. Voor linieschepen was de bouwtijd zelfs bepaald op vijf jaar. Een van de grootste vijanden was het droogrot of vuur. Dit werd veroorzaakt door gebruik van groen hout of door gebrek aan verzorging van verwerkt, gezond hout. Droogrot treedt op door een schimmelvorming die het hout in korte tijd vernietigt tot een poreuze, sponzige massa. Dit gebrek werd al vroeg opgemerkt. Een zeer oude tegenmaatregel was het wateren. Hiervoor werden de stammen tot tien jaar lang in water gelegd, zodat ze volkomen uitgeloogd werden. Pas dan werd er gezaagd en gedroogd. Een andere methode was om het hout te roken of in een heet zandbed te leggen. Ook werd verkolen van de buitenkant een geschikt middel tegen verrotting geacht. De beste methode was echter het doordrenken met teer of een chemisch produkt. Toch was men vroeger niet in staat dit op grote schaal toe te passen. In de 19e eeuw kwam creosoot en in 1823 werd op voorstel van de Engelsman John H. Kyan voor het eerst sublimaat (kwikchloride) toegepast, dat naar hem kyaniseren werd genoemd. Een duidelijke verbetering om de houtsappen te verdringen was in 1846 het gebruik van kopersulfaat. Droogrot werd ook bestreden met zout (pekelspuit), traan en olie. Men had opgemerkt dat walvisvaarders en zoutschepen nooit van droogrot te lijden hadden.
![]() Pekelspuit voor conservering van inhouten en huidgangen |
|
Paalworm, koolteer, koper en lood
Een andere gevreesde vijand was de paalworm. Dit
wormvormig schelpdiertje is vooral actief in zout en in tropisch water. Het is in staat in
korte tijd het "levend deel" (het onderwater deel) van een houten schip grondig te vernielen. Het beschermen van de scheepshuid werd al toegepast in de oudheid
toen men koolteer gebruikte. Op de galeien van de Romeinse
keizer Caligula (12 na Chr. - 41 na Chr.) die uit het Nemimeer geborgen werden, is te zien
dat de huid ook werd bekleed met een in teer gedompeld wollen weefsel waarover loden
platen gespijkerd waren. Bij de Portugezen werd het onderwaterschip gebrand of geroosterd,
zodat een dikke verkoolde korst de huid bedekte. In de 17e eeuw werden schepen die naar de
tropen voeren tot boven de lastlijn voorzien van een grenehouten dubbeling. Hiervoor werd
de scheepshuid eerst gebrand en gedroogd, daarna geteerd of geharpuisd
en met haar, wolafval of geteerd grof zonnedoek bedekt. Haar was een mengsel van
koehaar, papier en teer. De dubbeling werd aan de binnenzijde eveneens dik met teer
besmeerd en daarna vastgespijkerd. Ook werd wel zwaar grijs henneppapier tussen de
dubbeling aangebracht. Het onderwaterschip werd daarna geschilderd met een mengsel van
harpuis, hars, traan en zwavel of met gagal dat in het water verhardde. In het
Westen werd deze gagal samengesteld uit een mengsel van kalk, olie en teer waarin
glasgruis gemengd werd, maar soms werd nog steeds de eerdergenoemde huidbescherming van
loden platen gebruikt. Een andere methode om de huid te beschermen was een spijkerhuid.
Het onderwaterschip werd over de gehele oppervlakte met duizenden wormnagels, huidspijkers of paalspijkers
met ronde of driehoekige koppen benageld, die na korte tijd een roestkorst op de romp
vormden. Deze bewerking remde echter de vaart van het schip en was moeilijk te repareren.
Men heeft ook spijkers gebruikt die uit een legering van koper en tin gemaakt waren.
Scheepsbouwer Cornelis van Yk schreef in 1697: "Van
scheepen die om de Zuid of West varen, moet de kiel van onderen, voor het ineeten der
wormen, met een Beuke of Eyke plank tussen beide met teer en koejenhaar wel voorzien
gedubbeld werden; de spykers zo diep ingedreven en de gaaten met kaarsroet zodanig
toegesmeerd zijn, dat in schips afloopen geen hinder konnen toebrengen". In de
loop van de achttiende eeuw ging men algemeen over tot het leggen van een koperhuid. De
platen waren doorgaans 1,2 m lang en 0,5 m breed en werden in verschillende dikten
geleverd. Aanvankelijk werden ijzeren spijkers gebruikt, die echter een sterke galvanische
werking veroorzaakten, waardoor de spijkers oxydeerden en de platen van de romp vielen.
Later heeft men koperen spijkers gebruikt. Het schip was dan "kopervast"
gebouwd. Een linieschip had zo'n vierduizend platen koper nodig met een gewicht
van zeventien ton, waarvan alleen al anderhalve ton koperen spijkers.
De scheg van de schepen werd niet gekoperd maar
met een strook dik scheggelood bekleed. Vanaf eind 19e eeuw, het hoogtepunt van
de houtbouw was voorbij, tot begin 20e eeuw werd gebruik gemaakt van een
"ruitmolen". Dat was een machine die bestond uit een wals, samengesteld uit twee
lederen beklede met spijkers bezette cilinders. Door de koperplaten door de wals te
draaien werden ze volgens een bepaald patroon met gaten
doorboord of geruit. In
de 19e eeuw ging men over op het goedkopere gezinkt. Daartoe werden
zinkplaten gebruikt. Ze waren zo gesneden dat ze midden op de houten huiddelen
vielen. De spijkers waren ook van zink en werden zo ingedreven dat de
oppervlakte glad en effen was. Maar zink bleek, met betrekking tot wering van
aangroei, veel minder effectief dan koper en toepassing er van was op den duur
toch geen oplossing.

![]()
|
Houtrot
Houtrot is nog steeds een veelvoorkomend probleem dat ontstaat doordat vocht kan indringen in het houtwerk. Hout in combinatie met vocht zorgt voor schimmels, wat weer leidt tot houtrot. De schimmel vreet zich dan een weg door het hout en kan daardoor onherstelbare schade aanrichten. De twee dodelijke ongelukken bij de bruine vloot, het laatste drama in 2022 waarbij een dertien jarig meisje om het leven kwam, werden veroorzaakt door een afgebroken giek. Het bleek in beide gevallen om houtrot te gaan. Hoe is dat mogelijk? Houtrot bij een giek is eenvoudig te ontdekken door de giek regelmatig te bekloppen. Bij de bruine vloot b.v. tijdens de winterstop. Wanneer tijdens het kloppen de klank op een plek verandert, zeg maar dof wordt, dan wijst dat bijna zeker op houtrot of tenminste binnengedrongen vocht.
Moderne indeling naar duurzaamheid
Het is bekend dat insecten- en schimmelsoorten het hout onder bepaalde omstandigheden kunnen aantasten. Men spreekt dan over verrot of verstikt hout en bij insectenvraat over houtwormaantasting. Er zijn voorbeelden bekend van hout dat duizenden jaren na de ingebruikneming in volkomen gave staat is aangetroffen. Er zijn ook voorbeelden bekend van hout dat op onjuiste wijze werd toegepast en door een voortduren hoog vochtgehalte in de constructie binnen 5 Ã 6 jaar onherstelbaar werd aangetast. Aan de andere kant zijn er weer bepaalde houtsoorten die onbeschermd blootgesteld aan weer en wind tientallen jaren dienst doen. Hieruit blijkt dat de natuurlijke duurzaamheid van hout een betrekkelijk begrip is, omdat deze in hoge mate afhankelijk is van de omstandigheden waaronder het hout is toegepast.
Klasse-indeling op duurzaamheid
In sommige houtsoorten komen van nature stoffen voor die giftig zijn voor de
organismen die op of van hout kunnen leven; deze houtsoorten zijn in hoge
mate bestand tegen afbrekende invloeden. In andere houtsoorten komen dergelijke
stoffen niet of in geringere mate voor en men noemt deze soorten dan weinig of
matig duurzaam. De gebruiksduur van de weinig duurzame houtsoorten kan men
belangrijk verhogen door bepaalde maatregelen. De duurzaamheid wordt ingedeeld in vijf aan de
praktijk ontleende duurzaamheidsklassen, die de gebruiksduur van het kernhout onder
bepaalde omstandigheden
aangeven, namelijk:
A. Hout in vochtÃge grond,
zonder dat deze grond onder water staat, terwijl het
hout niet is verduurzaamd of anderszins is bescherrmd.
B. Hetzelfde hout dat is blootgesteld aan weer en wind en niet
is verduurzaamd of anderszins door verf, vernis of
dergelijke is beschermd.
| Klasse I zeer duurzaam A = > 25 jr, B = 50 jr |
Klasse II duurzaam A = 15-25 jr, B = 40-50jr |
Klasse III matig duurzaam A = 10-15jr, B = 25-40jr |
Klasse IV weinig duurzaam A = 5-10jr, B = 12-25jr |
Klasse V zeer weing duurzaam A = < 5jr, B = 6-12jr |
| afrormosia afzelia azobé basralocus iroko makoré merbau peroba de campos pokhout teak wengé |
alerce ceder Eur eiken en Am.wit mahonie Honduras mahonie sipo meranti, donkerrode redwood tola branca wane western red cedar |
Am.grenen keroewing mahonie Khaya mahonie sapeli lariks meranti, lichtrode noten Oregon pine yang |
abachi abura dennen eiken, Am.rood esdoorn Eur.grenen hemlock iepen limba Parana pine sitka spruce vuren |
balsa berken beuken essen linden okoumé populieren ramin wilgen |
| tabel: Hout voorlichtingsinstituut 1967 |
Vakjargon: wat was een "standerd" of 100 standaard hout?
Voor zover ik heb kunnen achterhalen was
een "standerd" een volumemaat voor hout. Het zou gaan om ruim 4,5 kuub. Om
precies te zijn 4,672 kubieke meter. Geen idee wat de oorsprong van deze
maatvoering is. Kennelijk alleen gebruikt in de houtvaart. Wie kent het hele
verhaal?
Pieter Klein van
BVT stelde de vraag op
kombuispraat en kreeg de volgende link:
https://en.wikipedia.org/wiki/Standard_%28timber_unit%29
Houtvaart 1952
Ongeveer de helft van het aangevoerde hout in Nederland wordt in
de een of andere bewerkte vorm weer uitgevoerd. Het hout wordt gezaagd en
ongezaagd ingevoerd. Tot ongeveer 1876 werd alles hier in Nederland gezaagd,
doch daarna hebben de zagerijen in de productielanden van het hout dit werk meer
en meer overgenomen. Vooral in Zweden en in Amerika werd daarna de in overvloed
beschikbare waterkracht veel toegepast voor de houtzagerij met het gevolg dat de
zagerijen in ons land nog steeds aan belangrijkheid verliezen. Natuurlijk wordt
wel ongezaagd hout per schip ingevoerd, voor meerpalen en heipalen bijvoorbeeld,
maar de overgrote meerderheid wordt gevormd door gezaagd hout en dat wordt per
schip over zee aangevoerd. Lang heeft men geprobeerd vlotten over zee te slepen,
men dacht dat dit goedkoper zou zijn dan scheepvaart. Het is echter niet gelukt.
Het is ook niet eenvoudig een vlot van wel 300 meter lengte, 40 meter breedte te
slepen.
Slechts één voorbeeld van een succesvolle reis is bekend. Dat was een groot vlot
dat tegen het einde van de eerste wereldoorlog van Noorwegen naar Engeland
gesleept werd. Nederlandse sleepboten ondernamen het karwei, doch het succes was
meer te danken aan de uitzonderlijke bekwaamheid van de slepers dan aan de
vaststaande mogelijkheid deze wijze van vervoer als de normale te aanvaarden. De
laatste grote poging tot slepen van een groot vlot had plaats in 1936. De
Russen, bij gebrek aan scheepsruimte, probeerden het van Leningrad naar Memel.
Er kwam niet veel van terecht. Reeds na twee dagen werd het vlot uiteengeslagen
en ondanks de hulp van vele sleepboten die toegesneld kwamen, bereikte slechts
40 % van het hout zijn bestemming.
De houthandel is misschien meer nog dan enig ander artikel afhankelijk van de geldende conjunctuur, van vraag, aanbod en prijs. Daarom is houtvaart een bij uitstek wilde vaart. De schepen varen op Zweden, West-Afrika, Suriname, Amerika, Joego-Slavie, Finland, waar ook maar een voordelige lading te halen is. Een typisch houtschip moet wel aan bijzondere voorwaarden voldoen. In de eerste plaats moeten de ruimen zo groot mogelijk zijn en vrij van obstakels. Voorts is hout licht, daarom is bij volle ruimen het maximum draagvermogen van het schip nog lang niet bereikt en kan dus een grote deklast opgebouwd worden. Deze grote deklast vormt problemen op zich zelf. De draaipunten van de laadbomen bijvoorbeeld moeten zich hoog aan de mast bevinden om vrij van de lading te blijven. Het stuwen van het hout moet zeer oordeelkundig geschieden, het zware hout onderin, het lichte hout bovenop, anders kapseist het schip. De lading mag niet gaan schuiven en . . moet gemakkelijk over boord gegooid kunnen worden. Bij slecht weer namelijk, wanneer het schip veel water over neemt, wordt het nat wordende hout zo zwaar dat er gevaar voor het schip zou kunnen ontstaan. Daarom wordt de deklading gesjord met staaltrossen die door slip-haken zijn vastgezet. Eén klap op de sliphaak en de lading kan overboord.
![]() Zorgvuldig stuwen van de deklast hout |
![]() Het hout gesjord, sliphaken op dek aan stuurboordzijde |
Verdere bronnen o.m:
Maritieme Encyclopedie deel 3,
Watersport deel 3,
De Nederlandsche
Scheepsbouwkonst van Cornelis van Yk.