Windjammer is een verzamelnaam
voor zeegaande ijzeren en stalen zeilvaartuigen uit de latere periode van de
koopvaardij. Een tijdperk dat eindigde met de opkomst van de stoomvaart. Hoewel
oorspronkelijk een soort geuzennaam voor grote Barken, wordt de naam
tegenwoordig voor veel meer typen vierkantgetuigde en deels langsscheepsgetuigde
zeilers gebruikt, maar in de tijd van de houten zeilschepen bestond de
verzamelnaam nog niet. In ieder geval niet verwarren met "jammer", waarmee een
oud, in slechte staat verkerend schip wordt aangeduid of met het Engelse
"windjammer" dat als scheldwoord voor een homoseksuele man wordt gebruikt. Over
de oorsprong van de Engelse benaming is men het niet eens. Meest waarschijnlijk
is de uitjouwerij van stoomschipbemanningen. In hun ogen waren deze schepen
veel te grof en te plomp om netjes aan de wind te zeilen, waardoor ze moesten
"jammen" (doordouwen), waarbij tot aan de pardoens werd gebrast. Maar er zijn
ook andere verklaringen. De een spreekt over het jammeren van de wind door het
stalen want dat een heel ander geluid maakt dan door het vroegere touwwerk. Een
andere verwijst naar de Engelse term "to jam the wind" voor het beter benutten
van de wind door verbeterde zeilvoering.
De Brikken, Brigantijnen,
Barken, Barkentijnen, Schoeners en
Volschepen, werden sinds de race van opleidingsschepen in 1956 ineens
aangeduid als
Tall ships. De type-benaming Volschip ontstond in de 19e eeuw voor een
schip (minimaal een driemaster) waarvan alle masten vierkantgetuigd zijn, ter
onderscheiding van het toen in gebruik komende barkstuig, waarvan de achterste
mast een langsscheeps zeil droeg. Voordien voerde vrijwel elk schip van enig
formaat drie vierkant getuigde masten en bestond er dus geen behoefte aan het
voorvoegsel "vol".
Kapitein Gustaf Erikson was tussen 1920 en 1940 de eigenaar van een vloot
tweedehands windjammers. De thuishaven was Mariehamn op de …lands Eilanden
tussen Zweden en Finland. Het ging om een twintigtal schepen, de laatste grote
oceaanzeilvloot uit de geschiedenis.
Met tussenpozen van vijf jaar kunnen we
vanaf 1975 bij
Sail Amsterdam
van Tall ships genieten
(schipper Cees stond in 1975 aan het Noordzeekanaal en zag vanwege de dikke mist alleen
silhouetten). Vanaf 1986
zijn ze bij Delfsail met variable tussenpozen te zien en vanaf 2014 bij
Harlingen Sail, afhankelijk van de eindbestemming van de jaarlijkse
zeilwedstrijd van
Sail Training
International.
Hieronder de verschillende typen.
Deelnemers aan Sail Amsterdam passeren de geopende Hembrug. J.Th.Balk van
"Onze Havens" vermeldt: daarbij: "Eerste Sail 1975"
Dat
lijkt me onjuist. Schipper Cees keek bij Buitenhizen. Op die bewuste vrijdag 15 augustus 1975
zat het Noordzeekanaal potdicht van de mist.
Brikken
Brik
Oorspronkelijk in de loop van de 18e eeuw als betrekkelijk klein, snelvarend
oorlogsschip gebouwd, later ook als koopvaardijschip. Twee vierkantgetuigde
masten, aangevuld met stagzeilen. Achter de grote mast een langsscheepszeil,
het brikzeil. De brik werd ook wel barkentijn genoemd.
Schoenerbrik of Brigantijn
Een brik met alleen de voorste mast vierkantgetuigd, waardoor men met minder
bemanning toe kon. De achterste mast (bezaansmast) is gaffelgetuigd. De
driehoekige stagzeilen aan de
steng worden ook wel vliegers genoemd.
Schoeners Bij de gaffelschoeners zijn
gaffeltopzeilschoeners
afgebeeld.
(de masten zijn
verlengd met stengen waaraan gaffeltopzeilen)
Gaffelschoener
Een snelle langsscheepsgetuigde zeiler
van Amerikaanse oorsprong. Bij tweemasters is de achterste mast meestal het
hoogst. De naam komt van het gaffeltuig, d.w.z. het zeil hangt aan een
schuin omhoog wijzend rondhout, de gaffel.
Driemast
gaffelschoener
De driemaster heeft masten van gelijke hoogte, of de middelste is hoger. Vooral op de ruimere koersen is
de schoener snel. De grootste gaffelschoener was de Thomas W. Lawson
een zevenmaster van 5000 ton met een bemanning van slechts 16 koppen.
Topzeilschoener De topzeilschoener voert een of
twee razeilen boven het voorste schoenerzeil. Dit zeil, ook wel voorzeil is
onderaan de fokkemast bevestigd. Op de afbeelding wordt aan de
steng naast het topzeil ook een bovenvlieger gevoerd
Driemasttopzeilschoener
Alleen aan de voorste (fokke)mast razeilen. De andere masten zijn
langsscheepsgetuigd. De zeilen van fokkemast naar
boegspriet, botteloef of kluiverboom
heten kluivers en het zeil daarachter een stagzeil.
Elke kluiver heeft overigens een eigen benaming.
Barken
Bark
De Bark is ontworpen als
koopvaardijschip, met drie en later ook wel meer masten. Alle masten behalve
de achterste zijn vierkantgetuigd. De achterste (bezaansmast) bestaat uit een lange ondermast
met bezaan en een verlengstuk, de steng of topmast, waaraan een
gaffeltopzeil en stagzeilen
kunnen worden gevoerd.
Viermastbark
Voor meer tonnage werden de barken ook wel als vier- en vijfmasters
uitgevoerd. De Amerikanen noemde een viermaster Shipentine. Een
fourmasted barque was een schoenerbark zoals hieronder. Zie voor benamingen in zo'n tuigageplan
onderaan de pagina.
Schoenerbark, Barkschoener of Barkentijn
Een mengvorm van een schoener en een bark. Alle masten behalve de voorste
zijn langsscheepsgetuigd. De masten voeren een bezaan en meestal ook een
gaffeltopzeil. Zonder topzeil ook wel jackass-tuigage genoemd. De fokkemast is vierkantgetuigd. Een tweemastversie werd ook
wel barkentijn genoemd, maar was eigenlijk een brik. Met
een fourmasted barque bedoelden de Amerikanen een barkschoener met
twee dwarsgetuigde en twee langsscheepsgetuigde masten.
Driemastvolschip of Fregat
Als alle masten vierkantgetuigd zijn spreekt men van een volschip. De
driemaster wordt ook wel Fregat genoemd, maar in oorsprong alleen als het om
een oorlogsschip ging. De achterste mast (kruismast) werd wel
ontdaan van de ra's aan de topsteng en voorzien van een gaffeltopzeil. Je
kreeg dan een
kruisbark.
Viermastvolschip
Een volschip kan nog meer masten voeren, maar heeft dan een uitgebreide
bemanning nodig. De mastnamen bij een viermaster zijn van voor naar achter:
fokkemast, grote mast, hoofd- of kruismast en jagermast. Bij volschepen was
het overigens gebruikelijker de achterste mast kruismast te noemen.
Vijfmastvolschip Het grootste volmastschip was de Preussen
[1902], de enige vierkantgetuigde vijfmaster ter wereld.
Het schip voerde met 47 zeilen een totaal zeiloppervlak van 4650 m². De
mastnamen zijn van voor naar achter:
1) fokkemast, 2) grote mast, 3) middelmast, 4) hoofd- of achtermast en 5)
jagermast of kruismast.
Tekening met stagzeilen van de vijfmaster Preussen (Björn
Landström)
Eén van de weinige foto's (mogelijk de enige) van de Preussen (Peabody
Museum of Salem)
Kleinste volmastschip Het kleinste volmastschip zou de ijzeren geklonken
sloep Red White and Blue met een lengte van 7,92m zijn.
Het scheepje had drie masten van zo'n zes meter hoog met 28 m² zeil verdeeld
over 16 razeiltjes en zeilde in 1866 van NewYork naar Dover. De bemanning
bestond uit William Hudson, Fred Fitch en hun hond en werd wereldberoemd. De
boot was te zien op de wereldtentoonstelling van Parijs en later in Crystal
Palace te Londen. Omdat het scheepje onderweg nooit gespot is beweerden
sommigen dat de overtocht aan dek van een groot schip was gemaakt of daardoor
was gesleept.
Bron: Robbert Das voor Spiegel der Zeilvaart nr 8, 2010.
Benamingen in het
tuigage-/zeilplan van een viermaster.
De masten van voor naar achter, de stengen en zeilen van onder naar boven:
De masten: Fokkemast, Grote mast, Kruismast,
Bonaventura- of jagermast. Bij snijzeilen bezaansmast (zie ook
mastnamen).
Vierkante zeilen heten: Razeilen, langscheepse zeilen:
Snijzeilen.
De onderste zeilen aan de masten resp: Fok, Grootzeil (Schooverzeil), Begijn
en
Bezaan.
De stengen (verlengstukken van de mast): Marssteng en
Bramsteng.
De zeilen aan die stengen resp: Marszeilen en
Bramzeilen.met daarboven e.v.t. een klapmuts (moonsail).
Omdat 19e eeuwse schepen steeds groter werden en de zeilen overeenkomstig
zwaarder verdeelde men de mars- en bramzeilen in tweeën: Boven- en Ondermarszeil en Boven- en Onderbramzeil. Soms kwam daar
nog een Topbramzeil bij.
De zeilen behorende tot de fokkemast en boegspriet noemde men ook wel
Hoofdzeilen.
Bij zeer hooggetuigde schepen, die men vroeger ook wel baaivanger noemde, kan een boven-bovenbramzeil gevoerd
worden dat scheizeil
(skysail) heet, ook verbasterd als skijsel en daar weer boven zelfs nog een
klapmuts.
Het platform
rond de top van de ondermast, waarboven het marszeil wordt gehesen heet de
mars.
De ra's (rondhouten waar de zeilen aan hangen) en de
brassen
(lijnen waarmee de stand van de ra's wordt geregeld) hebben dezelfde benaming
als de zeilen aan betreffende masten en stengen; vervang alleen het woordje
"zeil" door "ra" of "bras". Aan de verstaging (het touwwerk
voor ondersteuning van de masten) kunnen langsscheepse stagzeilen
hangen.
De benaming van stagen en stagzeilen is weer afgeleid
van de steng die ze ondersteunen.
Voorbeeld grote mast: Grootstengestagzeil aan Grootstengestag die de
Grootmarssteng
ondersteunt.
(Dit zeil had als bijnaam "kolenzeil" omdat het zwart werd van de rook van het
achter de fokkemast gelegen kombuis).
Achter- en zijwaartse verstaging heet pardoen. Een pardoen voert geen zeil.
Voorbeeld grote mast: Grootstengepardoen, Grootbrampardoen, Groottoppardoen enz.
H.W.van Loon was in zijn "Het zeegat uit" op zoek naar een goede
definitie van een volgetuigd schip is. In zijn tijd waren nog enkele grote
zeilschepen in de vaart en hij vond dat geen van de bekende definities een
volledig antwoord gaf. Het wellicht beste antwoord kreeg hij van een oude
zeilgast: "Een volgetuigd schip is ieder soort van raschip, dat juist zoveel
zeil voert als in de omstandigheden nodig is, het hemd van de kapitein erbij
gerekend".
Boegspriet, met als verlenging "kluifhout" en "jaaghout".
Zie ook boegspriet.
Van voor
naar achter:
Jager
Buitenkluiver
Binnenkluiver
Stagfok, of bij vierrmast-volschip: Voorstengestagzeil
1e mast (voorste).
Fokkemast,
met daarboven Voormarssteng en Voorbramsteng
De verbindingssteun tussen mast en steng of volgende steng heet ezelshoofd, waaronder een
dwars gat, het "slotgat", met daardoor het "slothout", dat op een zaling rust en de steng omhoog houdt. De
achterwaartse en zijdelingse verstaging van een
steng heet pardoen.
Van onder
naar boven:
Aan Fokkemast:
Fok Aan Voor(mars)steng:
Voorondermarszeil (ook wel als voortopzeil)
Voorbovenmarszeil
Aan de verstaging e.v.t een Voorstengestagzeil Aan Voorbramsteng:
Vooronderbramzeil
Voortopbramzeil
Voorbovenbramzeil
Aan de verstaging e.v.t een Voortopstagzeil
2e mast.
Grote mast,
met daarboven Grootmarssteng en Grootbramsteng
Het Bentinckzeil aan de onderra zogenoemd naar
de
Engelse kapitein Bentinck die het voor het eerst gebruikte
1. onderra; 2. Bentinckzeil; 3. buikgordings
Van onder
naar boven:
Aan Grote mast:
Grootzeil of Schooverzeil
Bij een volschip ook wel twee zeilen:
Grootonderzeil
Grootbovenzeil
Soms een driehoekig zeil aan de onderra, het Bentinckzeil, dat bij stormweer veel
langer kan blijven staan. Aan Groot(mars)steng:
Grootondermarszeil (ook wel als groottopzeil)
Grootbovenmarszeil
Aan de verstaging e.v.t. een Grootstengestagzeil Aan Grootbramsteng:
Grootonderbramzeil
Groottopbramzeil
Grootbovenbramzeil
Aan de verstaging e.v.t een Groottopstagzeil
3e mast.
Hoofd- of Kruismast,
met daarboven Kruissteng en Kruisbramsteng.
Met de benaming kruismast was toch wel iets merkwaardigs aan
de hand. Bij meermast barken en gaffelschoeners was het inderdaad de 3e
mast, maar bij een volschip met 3, 4, 5, of 6 masten, altijd de achterste
(dan ook wel jager of jigger genoemd).
Van onder
naar boven:
Aan Hoofd- of Kruismast: Begijn
Soms een driehoekig zeil aan de onderra, het Bentinckzeil. Aan Kruis(mars)steng:
Kruisondermarszeil (onderkruiszeil)
Kruisbovenmarszeil (bovenkruiszeil)
Aan de verstaging e.v.t een Kruisstengestagzeil Aan Kruisbramsteng:
Kruisonderbramzeil (ondergrietje)
Kruistopbramzeil (middengrietje)
Kruisbovenbramzeil (bovengrietje)
Aan de verstaging e.v.t een Kruistopstagzeil en een Kruisbovenvlieger
4e mast
(achterste).
Bonaventura- of Bezaansmast,
bij volschepen kruis-, jager- of jiggermast
Van onder
naar boven:
Aan Bezaansmast:
Bezaan, tussen Bezaansgaffel en Bezaansboom
Bovenbezaan, tussen Seingaffel en Bezaansgaffel
Aan de verstaging e.v.t een Bezaansstagzeil, ook wel Aap, Achterzeil,
Broodwinner, Bras of Ransel genoemd Aan Bezaanssteng:
Gaffeltopzeil
Aan de verstaging e.v.t een Vlieger en Bovenvlieger
Meer benamingen in het rondhout- en tuigplan van een driemaster.
aan de grote mast van de "Europa".
Voor
geïnteresseerden
is er ook een systematische
overzicht
van de samenstelling van klassieke, nog of weer voorkomende tuigages en de
belangrijkste onderdelen daarvan.
Het werkstuk werd aangeleverd door Arend A. de Carpentier.
Mocht je
ondanks alle in acht genomen zorgvuldigheid menen rechten te kunnen ontlenen
aan in deze pagina gebruikt materiaal, laat de schipper dat dan zo spoedig
mogelijk weten.